De man vroeg op een gedwongen onverschilligen toon, doch die echter

op eene zonderlinge wijze beefde:

"Wie is dat, vrouw Thénardier...?"

"Zij is mijn meesteres," zei het kind. "Zij houdt een herberg."

"Een herberg?" zei de man. "Welnu, dan zal ik er van nacht gaan

logeeren. Breng er mij heen."

"Wij gaan er heen," hernam het kind.

De man stapte tamelijk snel voort. Cosette volgde hem zonder

moeite. Zij voelde geen vermoeidheid meer. Nu en dan hief zij haar

oogen tot dien man op, met een onbeschrijfelijke gerustheid en

onbezorgdheid. Nooit had men haar geleerd zich tot de Voorzienigheid

te wenden en te bidden. Evenwel voelde zij iets in zich, dat naar

hoop en blijdschap geleek en tot den hemel opsteeg.

Er verliepen eenige minuten. De man hernam:

"Heeft vrouw Thénardier geen dienstmeid?"

"Neen, mijnheer."

"Zijt ge alleen?"

"Ja, mijnheer."

Wederom een tusschenpoos. Cosette nam het woord:

"Maar er zijn twee meisjes."

"Hoe heeten die meisjes?"

"Ponine en Zelma."

Het kind vereenvoudigde aldus de beide voor vrouw Thénardier zoo

dierbare romaneske namen.

"Wie zijn Ponine en Zelma?"

"De jongejuffrouwen Thénardier, de dochtertjes mijner meesteres."

"En wat doen die meisjes?"

"O!" zei het kind, "zij hebben fraaie poppen, dingen met goud en

allerlei moois. Zij spelen, zij vermaken zich."

"Den geheelen dag?"

"Ja, mijnheer."

"En gij?"

"Ik werk."

"Den geheelen dag?"

Het kind hief haar groote oogen op, waarin een traan stond, dien men

in de duisternis niet zag, en antwoordde zacht:

"Ja, mijnheer."

Na een pauze hernam zij:

"Soms, wanneer ik mijn werk gedaan heb en men 't mij vergunt, vermaak

ik mij ook."

"Hoe vermaakt ge u?"

"Zooals ik kan, men laat mij begaan. Ik heb weinig speelgoed. Ponine

en Zelma willen niet, dat ik met haar poppen speel. Ik heb niets dan

een klein blikken sabeltje, niet langer dan zoo."

Het kind wees haar pink.

"Dat niet snijdt?"

"Ja, zeker, mijnheer," zei het kind, "het snijdt salade en

vliegenkoppen."

Zij kwamen aan het dorp; Cosette voerde den vreemdeling door de

straten. Zij gingen voorbij den bakkerswinkel, maar Cosette dacht niet

aan het brood, dat zij moest medebrengen. De man had opgehouden met

haar te spreken en bewaarde nu een somber zwijgen. Toen zij de kerk

achter zich hadden, vroeg hij, op 't gezicht der kramen, aan Cosette:

"Is 't hier jaarmarkt?"

"Neen, mijnheer, 't is Kerstmis."

Toen zij de herberg naderden, nam Cosette hem bedeesd bij den arm

en zeide:

"Mijnheer?"

"Wat, mijn kind."

"Wij zijn dicht bij huis."

"Nu?"

"Wilt ge mij nu weder den emmer laten dragen?"

"Waarom?"

"Omdat, als vrouw Thénardier ziet, dat een ander hem voor mij heeft

gedragen, zij mij slaan zal."

De man gaf haar den emmer. Een oogenblik later waren zij aan de deur

der kroeg.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

HET ONAANGENAME VAN EEN ARME BIJ ZICH TE ONTVANGEN, DIE MISSCHIEN

RIJK IS.

Cosette kon zich niet bedwingen een schuinschen blik naar de groote

pop te slaan, die nog altijd in de prachtige kraam stond uitgestald;

daarna klopte zij aan. De deur werd geopend. Vrouw Thénardier verscheen

met een kaars in de hand.

"Ha, zijt gij 't, kleine deugniet! God vergeef me, ge hebt er wel

den tijd toe genomen, gij hebt zeker gespeeld!"

"Madame," zei Cosette bevend, "hier is een heer die komt logeeren."

Vrouw Thénardier trok spoedig haar norsch gezicht tot een vriendelijken

glimlach, een bij herbergiers zeer gewone verandering van tooneel,

en zag begeerig naar den nieuw aangekomene.

"Gij, mijnheer?" zeide zij.

"Ja, madame," antwoordde de man, de hand aan zijn hoed brengende.

De rijke reizigers zijn niet zoo beleefd. Dit gebaar en 't gezicht

van het kostuum en de bagage van den vreemdeling, die vrouw Thénardier

met een oogwenk had opgenomen, deden den vriendelijken glimlach weder

verdwijnen en het norsche gezicht opnieuw voor den dag komen. Zij

hernam droogjes:

"Kom binnen, vriend."

De "vriend" trad binnen. Vrouw Thénardier sloeg opnieuw een blik

op hem, beschouwde nauwkeurig zijn jas, die geheel kaal en zijn

hoed die eenigszins gedeukt was en raadpleegde, hoofdschuddend,

den neus optrekkend en knipoogend, haar man, die nog altijd met

de voerlieden dronk. De man antwoordde met die onmerkbare beweging

van den voorvinger, gepaard aan de uitzetting der lippen, welke in

dergelijke gevallen beteekende: "niets aan te verdienen." Waarop

vrouw Thénardier sprak:

"'t Spijt mij, beste vriend, maar er is geen plaats meer."

"Plaats mij waar ge wilt," zei de man, "op den zolder, in den stal. Ik

zal betalen alsof ik een kamer had."

"Twee francs."

"Twee francs. Goed."

"Twee francs," zei een voerman zacht tot vrouw Thénardier, "en 't is

slechts één franc."

"'t Is voor hem twee francs," antwoordde vrouw Thénardier op denzelfden

toon. "Ik logeer geen armen minder."

"Dit is waar," voegde de echtgenoot er gemoedelijk bij; "'t geeft

een huis een slechten naam, zulk volk te logeeren."

Intusschen had de man, na zijn pakje en stok op een bank te hebben

gelegd, aan een tafeltje plaats genomen, waarop Cosette haastig een

flesch wijn en een glas had gezet. De koopman, die den emmer water had

gevraagd, was zelf het zijn paard gaan brengen. Cosette had haar plaats

onder de keukentafel weder ingenomen en ook haar breiwerk gezocht.

De man, die nauwelijks zijn lippen had bevochtigd met den wijn,

dien hij zich had ingeschonken, aanschouwde het kind met zonderlinge

oplettendheid.

Cosette was leelijk. Ware zij gelukkig, dan zou ze misschien mooi zijn

geweest. Wij hebben bereids deze sombere figuur geschetst. Cosette,

bijna acht jaren oud, was mager en bleek; men zou haar nauwelijks op

zes jaren hebben geschat. Haar groote oogen, als in schaduw verzonken,

waren schier van 't weenen uitgedoofd. De hoeken van haar mond hadden

gewoonlijk dien angstigen plooi, welken men bij veroordeelden en bij

hopelooze zieken opmerkt. Zij had winterhanden, zooals haar moeder

geraden had. Het vuur, dat haar op dit oogenblik bescheen, deed de

hoeken van haar beenderen uitkomen en liet op schrikbare wijze zien

hoe mager zij was. Wijl zij aanhoudend van koude bibberde, had zij

de gewoonte aangenomen, beide knieën tegen elkander te drukken. Haar

kleeding bestond uit lompen, en zou des zomers medelijden hebben

verwekt, terwijl ze 's winters deed ijzen. Zij had niets aan, dan

versleten katoen, geen lapje wol. Hier en daar scheen haar vel door,

en overal bespeurde men blauwe of blonde plekken, welke de plaatsen

aanduidden, waar vrouw Thénardier haar geslagen had. Haar naakte beenen

waren rood en mager. De holte om hare schouderbladen was om van te

schreien. De geheele persoon van het kind, haar gang, haar houding,

de klank harer stem, haar afgebroken woorden, haar blik, haar stilte,

haar minste beweging drukten een enkele gedachte uit: vrees.

De vrees had haar geheel ingenomen; zij was er om zoo te spreken

mede overdekt; de vrees bracht haar ellebogen tegen haar heupen,

trok haar hielen onder haar rokjen, deed haar de kleinst mogelijke

plaats beslaan, liet haar slechts zooveel ademen als noodig was,

en was om zoo te spreken haar lichaamsgewoonte geworden, die voor

geene verandering dan alleen toeneming vatbaar was. In haar oogappel

was een plekje, dat verschrikking uitdrukte.

Deze vrees was zoo sterk, dat, hoe nat Cosette ook was, zij zich

niet aan 't vuur had durven drogen, maar stil weder aan haar werk

was gegaan.

Het uitzicht van dit achtjarig kind was gewoonlijk zoo somber, en

vaak zoo wanhopig, dat het soms scheen, alsof zij op 't punt was een

idiote of een duivelin te worden.

Nooit, hebben wij gezegd, had zij geweten wat bidden is, nooit had zij

den voet in een kerk gezet. Is daar tijd voor? zei vrouw Thénardier.

De man met de bruine jas sloeg geen oog van Cosette.

Eensklaps riep vrouw Thénardier:

"Waar hebt ge het brood?"

Cosette, zooals zij gewoon was wanneer vrouw Thénardier haar stem

verhief, haastte zich van onder de tafel te komen.

Zij had het brood geheel en al vergeten. Zij nam haar toevlucht tot

het gewone hulpmiddel van beangste kinderen. Zij loog.

"De bakkerij was gesloten, madame."

"Dan moest ge geklopt hebben."

"Ik heb geklopt, madame."

"En?"

"Er werd niet geopend."

"Morgen zal ik weten of 't waar is," zei vrouw Thénardier,

"en zoo ge liegt, zult ge er van lusten. Geef mij intusschen het

vijftienstuiversstuk terug."

Cosette stak haar hand in 't zakje van haar voorschoot en werd

bleek. Het vijftienstuiversstuk was er niet meer.

"Nu," zei vrouw Thénardier, "hebt ge mij verstaan?"

Cosette keerde den zak om; er was niets in. Waar kon dat geld

gebleven zijn? Het ongelukkige kind kon geen woord uitbrengen. Zij

was versteend.

"Hebt ge het vijftienstuiversstuk verloren?" gilde vrouw Thénardier,

"of wilt ge mij bestelen?"

Tezelfder tijd stak zij den arm uit naar de karwats in den hoek van

den haard.

Dit schrikkelijk gebaar gaf Cosette de kracht om uit te roepen:

"Genade, madame, madame, ik zal 't niet weer doen."

Vrouw Thénardier nam de karwats.

Ondertusschen had de man met de bruine jas in zijn vestzakje getast,

zonder dat men deze beweging had opgemerkt. Bovendien dronken of

speelden de overige reizigers kaart en letten op niets.

Cosette kroop angstig in den hoek van den haard ineen, en poogde haar

halfnaakte leden bijeen te trekken en te beveiligen. Vrouw Thénardier

lichtte den arm op.

"Vergeving, madame," zei de man; "ik heb zoo aanstonds iets uit

't voorschootzakje der kleine zien rollen. Dat zal 't misschien zijn."

Tezelfder tijd bukte hij en scheen een oogenblik op den vloer te

zoeken.

"Juist--hier heb ik 't," hernam hij, zich oprichtende.

En hij reikte het geldstuk aan vrouw Thénardier.

"Ja, dat is het," zeide zij.

Dat was het niet, want 't was een vijffrancstuk, maar vrouw Thénardier

had er winst bij. Zij stak het geldstuk in haar zak en vergenoegde

zich een vasten blik op het kind te slaan en te zeggen:--"Pas op,

dat het niet weer gebeurt!"

Cosette keerde terug naar 't geen vrouw Thénardier "haar nest" noemde,

en haar groote oogen, op den onbekenden reiziger gericht, namen een

uitdrukking aan, welke zij nooit gehad hadden. 't Was slechts een

naïeve verbazing, maar er paarde zich iets aan als een verwonderd

vertrouwen.

"Zeg eens, wilt ge van avond eten?" vroeg vrouw Thénardier den

reiziger.

Hij antwoordde niet. Hij scheen in diepe gedachten.

Wie is toch deze man? zeide zij binnensmonds. Een arme drommel. Hij

heeft geen geld om te eten. Zal hij mij 't logies wel betalen? 't Is

maar gelukkig, dat 't hem niet in 't hoofd is gekomen het geld dat

op den grond lag te stelen.

Inmiddels was een deur geopend en Eponine en Azelma kwamen binnen.

't Waren inderdaad twee lieve kleine meisjes, eer juffertjes dan

boerinnen; het eene had schitterend kastanjebruine krullen; het andere

lange, zwarte vlechten, die op den rug hingen; beide waren levendig,

net, mollig, frisch en gezond, oogbekorend. Zij waren warm gekleed,

maar met zulk een moederlijke kunst, dat de dikte der stoffen het

innemende van den opschik volstrekt niet schaadde. Voor den winter

was gezorgd, zonder dat de lente verdreven was. Men zag 't haar

aan, dat ze in huis heel wat te zeggen hadden. Uit haar toilet,

uit haar vroolijkheid, uit haar luidruchtigheid sprak een soort van

heerschappij. Toen zij binnenkwamen, zeide vrouw Thénardier haar op

knorrenden, doch tevens liefderijken toon:--Ha! zijt ge daar eindelijk!

Toen trok ze de eene na de andere tusschen haar knieën, streek

heur haar glad, knoopte haar linten, en liet ze vervolgens los, met

die streeling van welgevallen, welke alleen aan moeders eigen is,

zeggende:--Wat hebben zij zich opgeschikt!

Zij zetten zich in den hoek van den haard met een pop, welke ze op

heur knieën, onder vroolijk gekeuvel, heen en weer bewogen. Nu en dan

sloeg Cosette de oogen van haar breiwerk op, en aanschouwde haar spel

met treurigen blik.

Eponine en Azelma zagen niet om naar Cosette. Zij was voor haar

niets meer dan een hond. Deze drie meisjes telden te zamen geen

vier-en-twintig jaar, en vertegenwoordigden reeds de geheele

menschelijke maatschappij; aan de eene zijde afgunst, aan de andere

verachting.

De pop der zusters Thénardier was zeer verlept, zeer oud en gebroken;

zij scheen Cosette daarom niet minder fraai; want nooit had zij een

pop, een "wezenlijke pop", zooals de kinderen zeggen, gehad.

Eensklaps merkte vrouw Thénardier, die gestadig in 't vertrek op en

neer ging, dat Cosette verstrooid was, en in plaats van te breien

haar oog op de spelende meisjes gevestigd hield.

"Ha, ik betrap u!" riep zij. "Is dat breien? Ik zal u met de karwats

leeren breien."

De vreemdeling wendde zich tot vrouw Thénardier, zonder zijn stoel

te verlaten. Glimlachend, schier bedeesd zeide hij:

"Och, madame, laat haar spelen."

Van ieder reiziger, die voor zijn avondmaal een schijf lamsbout

gegeten, twee flesschen wijn gedronken en niet het voorkomen

van een armen drommel gehad had, zou zulk een wensch een bevel

zijn geweest. Maar dat een man met zulk een hoed zich een wensch

veroorloofde, en dat een man met zulk een jas een begeerte te kennen

gaf, dit meende vrouw Thénardier niet te moeten dulden. Zij antwoordde

scherp:

"Zij moet werken, wijl zij eet. Ik voed haar niet om niets te doen."

"Wat doet zij dan?" hernam de vreemdeling, met een zachte stem,

die zoo zonderling in tegenspraak was met zijn bedelaarskleeding

en sjouwermansschouders.

Vrouw Thénardier verwaardigde zich te antwoorden:

"Wel, kousen breien, kousen voor mijn dochtertjes, die er om zoo te

spreken geen hebben en welhaast barrevoets zouden gaan."

De man aanschouwde de naakte, roode beentjes van Cosette en hernam:

"Wanneer zal zij dit paar kousen gereed hebben?"

"Zij heeft er minstens nog drie of vier dagen werk aan, die luie meid."

"En hoeveel is zulk een paar kousen waard als 't klaar is?"

Vrouw Thénardier sloeg een schamperen blik op hem.

"Ten minste dertig sous."

"Zoudt ge het voor vijf francs willen geven?" hernam de man.

"Drommels!" riep luid lachend een voerman, die luisterde, "vijf

francs? Dat geloof ik wel!"

Thénardier meende thans te moeten spreken.

"Ja, mijnheer, zoo gij 't wenscht zal men u dat paar kousen voor vijf

francs geven. Wij mogen den reizigers niets weigeren."

"Maar ge moet dadelijk betalen," zei vrouw Thénardier op haar gewone

korte en gebiedende wijze.

"Ik koop dit paar kousen," antwoordde de man, "en," voegde hij er bij,

een vijffrancstuk uit zijn zak nemende, dat hij op de tafel legde--"ik

betaal het."

Zich toen tot Cosette wendende:

"Thans behoort uw werk mij. Speel nu, mijn kind."

De voerman was zoo getroffen door het vijffrancstuk, dat hij zijn

glas neerzette en nader kwam.

"'t Is waarachtig waar," riep hij, het stuk beziende. "Een mooi stuk

geld! en niet valsch!"

Vrouw Thénardier naderde en stak zwijgend het geldstuk in haar

zak. Zij kon geen tegenwerpingen maken, maar beet zich op de lip en

haar gezicht nam een uitdrukking van haat aan.

Intusschen beefde Cosette. Zij waagde toch te vragen:

"Is 't waar, madame? mag ik spelen?"

"Speel," zei vrouw Thénardier met vreeselijke stem.

"Dank u, madame," zei Cosette.

En terwijl haar mond vrouw Thénardier dankte, dankte haar ziel den

reiziger.

Thénardier had zich weder aan 't drinken gezet. Zijn vrouw fluisterde

hem toe:

"Wie kan toch deze bruine man zijn?"

"Ik heb millionairs gezien," antwoordde Thénardier met gewicht,

"die zulke jassen droegen."

Cosette had haar breiwerk nedergelegd, maar haar plaats niet

verlaten. Zij bewoog zich altijd zoo weinig mogelijk. Uit een doosje

achter zich had zij eenige oude lapjes en haar klein blikken sabeltje

genomen.

Eponine en Azelma letten volstrekt niet op 't geen gebeurde. Zij

hadden een gewichtige onderneming volbracht, zij hadden zich van

de kat meester gemaakt. Zij wierpen de pop op den vloer. Eponine,

de oudste, bakerde de kleine kat, in weerwil van haar gemiauw en

gespartel, in een menigte roode en blauwe lappen. Terwijl zij dit

ernstig en moeielijk werk verrichtte, zeide zij tot haar zuster,

in die lieve bekoorlijke kindertaal, wier bevalligheid, evenals de

kleurenpracht der kapel, verdwijnt, wanneer men ze vatten wil:

"Ziet ge, zusje, deze pop is pleizieriger dan de andere. Zij beweegt

zich, schreeuwt en is warm. Kom, zusje, spelen wij er meê. Zij zal

mijn dochtertje zijn. Ik zal een dame wezen, die u bezoekt, en gij

moet haar goed bekijken. Dan moet ge haar snorren zien en u daarover

verwonderen. Vervolgens haar ooren en dan haar staart, en dat moet

u ook verwonderen. Gij moet dan zeggen: Maar, mijn hemel! en ik zal

dan zeggen: Ja, mevrouw, zulk een meisje heb ik. De meisjes zijn

tegenwoordig zóó."

Azelma luisterde met bewondering naar Eponine. Ondertusschen zongen

de drinkers een vuil lied, en lachten daarbij dat de zoldering

dreunde. Thénardier moedigde hen aan en accompagneerde hen.

Evenals de vogels van alles een nestje, zoo maken de kinderen overal

een pop van. Terwijl Eponine en Azelma de kat inbakerden, had Cosette

van haar kant het sabeltje ingebakerd. Toen zij hiermede gereed was,

nam zij het op den arm, en zong zacht om het in slaap te sussen.

De pop is een der dringendste behoeften en terzelfder tijd een der

bekoorlijkste instincten van de vrouwelijke kindsheid. Te verzorgen,

op te schikken, te kleeden en te ontkleeden, te onderwijzen, een weinig

te knorren, in slaap te sussen, te schommelen, zich te verbeelden dat

iets iemand is, hierin ligt de geheele toekomst der vrouw. Al droomende

en koutende, kleertjes en hoedjes makende, wordt het kind een meisje,

het meisje wordt een jongedochter, de jongedochter vrouw. Het eerste

kind is een voortzetting der laatste pop.

Een meisje zonder pop is schier even ongelukkig en even onvolkomen

als een vrouw zonder kinderen.

Cosette had dus een pop van haar sabeltje gemaakt.

Vrouw Thénardier was den "bruinen man" genaderd. Zij dacht: mijn

man heeft gelijk, 't is misschien mijnheer Laffitte. Er zijn zulke

zonderlinge rijken!

Zij kwam met den elleboog op zijn tafeltje leunen.

"Mijnheer," zeide zij....

Op het woord "mijnheer" wendde de man zich om. Vrouw Thénardier had

hem nog niet anders genoemd dan "vriend" of "man."

"Ge ziet, mijnheer," zeide zij, met haar zoetsappig gezicht, 't welk

nog onverdragelijker was dan haar wreed gezicht, "ik wil wel dat het

kind eens spele, ik belet het niet; maar 't is goed voor een enkelen

keer, omdat ge zoo edelmoedig zijt. Want weet ge, zij heeft niets. Zij

moet werken."

"Is dat kind dan niet van u?" vroeg de man.

"Mijn God! neen, mijnheer; 't is een arm kind dat wij uit liefdadigheid

hebben aangenomen. 't Is zoo'n half onnoozele. 't Schijnt het water

in 't hoofd te hebben. Zie eens, welk een groot hoofd zij heeft. Wij

doen voor haar wat wij kunnen, want wij zijn niet rijk. Wij hebben

naar haar woonplaats geschreven, doch sedert zes maanden antwoordt

men ons niet meer. Wij moeten gelooven, dat haar moeder overleden is."

"Zoo!" zei de man en hij verviel weder in zijn mijmering.

"Aan die moeder was weinig goeds," hernam vrouw Thénardier. "Zij liet

haar kind achter."

Gedurende dit gesprek had Cosette, alsof een inwendig gevoel haar had

gewaarschuwd dat men over haar sprak, het oor niet van vrouw Thénardier

afgewend. Zij luisterde, maar hoorde slechts nu en dan een enkel woord.

Ondertusschen herhaalden de drinkers, die meer dan half dronken

waren, met verdubbelde vroolijkheid hun vuil gezang. 't Was iets erg

stuitends, waarin de Maagd Maria en het kind Jezus voorkwamen. Vrouw

Thénardier had hartelijk met het schaterend gelach ingestemd:

Cosette zag, onder de tafel, naar het vuur, dat zich in haar strak oog

weerkaatste; zij wiegde weder het gebakerde voorwerp en zong daarbij

zacht: Mijn moeder is dood! mijn moeder is dood! mijn moeder is dood!

Op vernieuwd aanzoek der kasteleines, begeerde de bruine man,

"de millionair," eindelijk te eten.

"Wat verkiest mijnheer?"

"Brood en kaas," zei de man.

"Zeer zeker een arme drommel," dacht vrouw Thénardier.

De dronkaards zongen nog altijd hun lied, en het kind onder de tafel

zong het hare.

Eensklaps zweeg Cosette. Zij had zich omgekeerd en zag nu de pop van

de meisjes, welke zij voor de kat hadden verlaten, en die op eenigen

afstand der keukentafel op den grond lag.

Toen liet zij het gebakerd sabeltje vallen, dat haar slechts ten

halve voldeed, en liet haar oogen langzaam door de zaal gaan. Vrouw

Thénardier sprak zacht met haar man, en telde geld, Ponine en Zelma

speelden met de kat, de reizigers aten of dronken of zongen, geen blik

was op haar gericht. Zij had geen oogenblik te verliezen. Zij kroop

op handen en knieën van onder de tafel, verzekerde zich nogmaals dat

men haar niet gadesloeg, schoot toen ijlings naar de pop, en greep

haar. Een oogenblik daarna zat zij weder op haar plaats, bewegingloos,

doch zoodanig gekeerd, dat de pop, welke zij in haar armen hield,

in de schaduw was. Het geluk van met een pop te spelen was voor haar

zoo zeldzaam, dat het de macht van den wellust had.

Niemand had het gezien dan de reiziger, die langzaam zijn sober

avondeten nuttigde.

Deze vreugd duurde schier een kwartieruurs.

Maar hoe voorzichtig Cosette ook was, zij bespeurde niet, dat een van

de beenen der pop "uitstak," en helder door het vuur van den haard

verlicht werd. Dit rosé verlichte been, dat uit de schaduw kwam,

trof plotseling den blik van Azelma, die tot Eponine zeide:--Zie

eens, zusje!

De twee meisjes staarden verstomd. Cosette had de pop durven nemen.

Eponine stond op en zonder de kat los te laten, ging zij naar haar

moeder en trok haar bij haar kleed.

"Laat mij toch met rust," zei de moeder. "Wat wilt ge?"

"Moeder," zei het kind, "zie eens."

En zij wees met den vinger naar Cosette.

Cosette, geheel in verrukking over het bezit, zag noch hoorde iets.

Het gelaat van vrouw Thénardier nam die bijzondere uitdrukking aan,

welke uit het vreeselijke, vermengd met het nietige des levens,

bestaat, en die deze soort vrouwen den naam van "helleveeg" heeft

gegeven.

Nu bracht de gekwetste hoogmoed haar toorn tot het uiterste. Cosette

had alle grenzen overschreden, Cosette had zich aan de pop vergrepen

van "hare dochtertjes." Een czarin, die zag dat een mougick zich het

groote blauwe lint van haar keizerlijken zoon omhing, zou geen ander

gezicht gehad hebben.

Met een van verontwaardiging schorre stem riep zij:

"Cosette!"

Cosette ontstelde, alsof de grond onder haar ingevallen ware. Zij

keerde zich om.

"Cosette!" herhaalde vrouw Thénardier.

Cosette nam de pop en legde haar met een soort van eerbied, met wanhoop

vermengd, op den grond. Toen vouwde zij, zonder haar oogen er van af

te wenden, de handen samen, en, 't geen van een kind van dien leeftijd

schrikkelijk is te zeggen, zij wrong ze; en--waartoe haar geen der

aandoeningen van den dag, noch haar gang naar het bosch, noch den

zwaren emmer, noch het verliezen van 't geld, noch het gezicht der

karwats, zelfs niet de dreigende woorden van vrouw Thénardier hadden

kunnen bewegen,--zij schreide. Zij barstte in snikken uit.

Intusschen was de reiziger opgestaan.

"Wat is er geschied?" vroeg hij aan vrouw Thénardier.

"Ziet ge 't niet?" zei vrouw Thénardier met den vinger naar het corpus

delicti wijzende, dat aan Cosettes voeten lag.

"Welnu, wat?" hernam de man.

"Deze bedelares," antwoordde vrouw Thénardier, "heeft zich vermeten,

aan de pop der kinderen te raken."

"En is daarvoor al dat leven!" zei de man. "Waarom mag zij niet met

de pop spelen?"

"Zij maakt ze smerig met haar vuile handen," hernam vrouw Thénardier,

"met haar leelijke handen!"

Cosette snikte luider bij deze woorden.

"O, zult ge u stil houden!" riep vrouw Thénardier.

De vreemde ging rechtstreeks naar de voordeur, opende ze en ging er

uit. Zoodra hij weg was, nam vrouw Thénardier de gelegenheid waar,

Cosette onder de tafel een geweldigen schop te geven, die het kind

luid deed schreeuwen.

De deur werd weder geopend, de man kwam terug, hield in zijn beide

handen de fabelachtige pop, waarvan wij gesproken hebben en welke

al de kinderen van het dorp den geheelen dag bewonderd hadden, en ze

voor Cosette leggende, zeide hij:

"Ziedaar, die is voor u."

't Is waarschijnlijk dat hij, die langer dan een uur hier was,

te midden zijner mijmeringen, flauw de poppenkraam had opgemerkt,

die zoo schitterend met lampen en kaarsen werd verlicht, dat men ze

door het raam der herberg voor een illuminatie hield.

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 9 / 24 段