weerhouden, hoe treurig en neerslachtig ze ook was, de oogen naar
deze wonderschoone pop, naar deze dame, zooals zij ze noemde, op te
slaan. Het arme kind was als versteend blijven staan. Zij had de pop
nog niet van nabij gezien. De geheele kraam scheen haar een paleis,
deze pop was geen pop, maar een verschijning. 't Was de vreugd, de
luister, de rijkdom, het geluk, die in een soort van denkbeeldigen
glans voor het kleine rampzalige wezen verschenen, dat zoo diep in
een vreeselijke koude ellende gedompeld was. Cosette mat, met de
onnoozele en treurige schranderheid der kindsheid, den afgrond die
haar van deze pop scheidde. Zij dacht dat men ten minste koningin of
prinses moest zijn om "zoo iets" te hebben. Zij aanschouwde dat fraaie
rosé kleed, dat glad gestreken haar, en dacht: Hoe gelukkig moet deze
pop zijn! Haar oogen konden zich van deze betooverende kraam niet
afwenden. Hoe meer zij staarde, hoe meer zij werd verbijsterd. Zij
meende den hemel te zien. Achter de groote stonden andere poppen,
die haar feeën en geniën schenen. De koopman, die in zijn kraam heen
en weder ging, kwam haar eenigszins als onze lieve Heer voor!
In haar verrukking vergat zij alles, zelfs de boodschap waarmede zij
belast was. Eensklaps riep de ruwe stem van vrouw Thénardier haar tot
de wezenlijkheid terug:--"Hoe, deern! Zijt ge nog niet weg! Wacht, ik
zal bij u komen! Ik vraag u, wat doet ge daar toch! klein monster, ga!"
Vrouw Thénardier had even op straat gezien, en Cosette in hare
verrukking opgemerkt.
Cosette ijlde met haar emmer heen, en liep zoo hard zij kon.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE KLEINE ALLEEN.
Dewijl de herberg van Thénardier in dat gedeelte van 't dorp stond,
dat bij de kerk is, moest Cosette het water uit de bron in het bosch
naar den kant van Chelles halen.
Zij sloeg geen blik meer naar de kramen.
Zoolang zij in de Bakkerssteeg en in de nabijheid der kerk was,
verlichtten de kaarsen in de kramen haar weg, maar spoedig verdween
het laatste licht der laatste kraam. Toen bevond het arme kind zich
in de duisternis. Zij begaf er zich in. Door de ontroering waarin zij
was, deelde zich haar onrust ook aan den emmer mede. Het gerucht dat
de krijschende hengel maakte, vergezelde haar in haar loop.
Hoe verder zij kwam, des te dikker werd de duisternis. Er was
niemand meer op de straat. Evenwel ontmoette zij een vrouw, die in 't
voorbijgaan het hoofd omkeerde, staan bleef en binnensmonds prevelde:
Waar mag dat kind toch heengaan? Is 't een jonge weerwolf?--Maar toen
de vrouw Cosette herkende, zeide zij:--'t Is de Leeuwerik.
Zoo doorkruiste Cosette den doolhof van kromme, eenzame
straten, waarin, aan den kant van Chelles, het dorp Montfermeil
uitloopt. Zoolang er huizen, of zelfs maar muren aan de zijden van
haar weg waren, ging zij tamelijk stoutmoedig voort. Nu en dan zag
zij het schijnsel van een licht door de reet van een vensterluik; 't
was licht en leven, er waren menschen en dat stelde haar gerust. Hoe
verder zij echter voortging, des te langzamer werd als werktuiglijk
haar tred. Voorbij den hoek van het laatste huis gekomen, bleef
Cosette staan. Voorbij de laatste kraam te gaan was moeielijk geweest;
verder dan het laatste huis te gaan werd onmogelijk. Zij zette den
emmer neder, sloeg haar hand in het haar en krabde langzaam 't hoofd,
een eigenaardige beweging van kinderen die ontsteld en besluiteloos
zijn. 't Was nu Montfermeil niet meer, 't was het open veld. Een
donkere, eenzame ruimte lag voor haar. Wanhopend aanschouwde zij deze
duisternis, waarin geen mensch was, waarin dieren, waarin misschien
spoken waren. Zij staarde angstvallig en hoorde dieren in het gras
loopen, zij zag duidelijk spoken zich in de boomen bewegen. Toen
greep zij weder den emmer; de angst gaf haar moed:--Ha! zeide zij,
ik zal haar zeggen dat er geen water meer was.--En onversaagd trad
zij Montfermeil weder binnen.
Nauwelijks was zij honderd schreden gegaan, toen zij weder stilhield
en haar hoofd krabde. Nu was het vrouw Thénardier die voor haar
verscheen; vrouw Thénardier vreeselijk met haar hyena'smond en
vlammenden toorn in de oogen. Het kind sloeg een erbarmelijken blik
voor en achter zich. Wat te doen? Wat zou van haar worden? Waarheen te
gaan? Voor zich het spookbeeld van vrouw Thénardier; achter zich al
de verschijningen van den nacht en het bosch. Voor vrouw Thénardier
deinsde zij achteruit. Zij sloeg weder den weg naar de bron in en
begon te loopen. Loopende verliet zij het dorp, en loopende trad zij
in het bosch, naar niets meer ziende, naar niets meer luisterende. Zij
hield niet eerder op met loopen dan toen de adem haar ontbrak; zij
ging echter langzamer voort, gejaagd en hijgend.
Onder 't gaan had zij grooten lust tot schreien.
De nachtelijke huivering van het bosch omgaf haar.
Zij dacht, zij zag niet meer. Dit kleine wezen stond tegenover den
onmetelijken nacht. Volslagen duisternis aan de eene zijde, een nietig
stofdeeltje aan de andere.
Van den zoom van 't bosch tot de bron was de afstand slechts zeven of
acht minuten. Cosette kende den weg, wijl zij dien meermalen over dag
had afgelegd! Zonderling, zij verdwaalde niet. Een soort van instinct
leidde haar. Echter sloeg zij de oogen noch rechts noch links, uit
vrees, iets in de takken en het struikgewas te zien. Eindelijk kwam
zij aan de bron.
't Was een natuurlijke kuip, door het water in den leemachtigen
bodem uitgehold, van omstreeks twee voet diep, omgeven van mos en
hoog gerimpeld gras, kraagjes van Hendrik IV genoemd, en geplaveid
met eenige groote steenen. Een stil kabbelend beekje stroomde er uit.
Cosette gunde zich den tijd niet om te ademen. Het was zeer donker,
maar Cosette was gewoon aan die fontein te komen. Met de linkerhand
zocht zij in de duisternis een over de bron gebogen jongen eik,
die haar gewoonlijk tot steunpunt diende, vond een tak, vatte dien,
bukte en dompelde den emmer in 't water. Zij was in zulk een hevige
overspanning, dat haar kracht verdrievoudigd was. Terwijl zij alzoo
voorover was gebogen, lette zij er niet op, dat iets uit het zakje
van haar voorschoot in de bron viel. Het vijftienstuiversstuk viel in
't water. Cosette zag noch hoorde het vallen. Zij haalde den emmer
schier vol op en zette hem op het gras.
Dit gedaan hebbende, gevoelde zij zich uitgeput van vermoeienis. Zij
had wel dadelijk willen terugkeeren; maar haar inspanning, om den
emmer te vullen, was zoo groot geweest, dat zij onmogelijk een voet
kon verzetten. Zij moest een oogenblik rusten. Zij liet zich op het
gras neer en bleef er gehurkt zitten.
Zij sloot de oogen en opende ze weder, zonder te weten waarom, doch
zij kon niet anders. Naast haar vormde het deinende water in den
emmer nog kringen, die als slangen van wit vuur geleken.
Boven haar hoofd was de hemel met groote, zwarte wolken bedekt, die
als rook voorbijdreven. Het treurig masker der duisternis scheen zich
eenigszins over dit kind te hangen.
Jupiter verschool zich achter de wolken.
Met ontstelden blik aanschouwde het kind deze groote ster, welke zij
niet kende en die haar vrees inboezemde. De planeet was inderdaad op
dat oogenblik zeer dicht aan den horizon en scheen door een dichten
nevel, die haar een vreeselijk rood gaf. De purperkleurige nevel
vergrootte de ster. Zij was als een lichtgevende wond. Een koude wind
blies over de vlakte. Het bosch was donker, zonder bladerengeritsel,
zonder de minste avondschemering. Dreigend verhieven zich de hooge
takken. Het kleine struikgewas floot over de open plekken. Het hooge
gras wemelde als alen onder den nachtwind. De braamstruiken geleken
uitgestoken armen met klauwen gewapend, om haar prooi te vatten. Dorre
heidestruiken, door den wind voortgedreven, vlogen voorbij en schenen
verschrikt voor iets te vluchten, dat naderde. Aan alle zijden was
't een somber verschiet.
De duisternis is duizelingwekkend. De mensch heeft licht noodig. Wie
zich in 't donker begeeft, voelt zijn hart beklemd. Wanneer het
oog zwart ziet, ziet de geest verward. Zelfs de sterkste mensch
gevoelt zich onbehagelijk bij verduistering, in den nacht, in
het donker. Niemand gaat 's nachts alleen door een bosch zonder
huivering. Een hersenschimmige werkelijkheid verschijnt in de
onbestemde diepte. Het onbegrijpelijke teekent zich op eenige schreden
van u met spookachtige juistheid af. Men ziet in de ruimte of in zijn
eigen hersenen iets onduidelijks, ontastbaars zweven, als de droom
der slapende bloemen. Woeste gestalten staan aan den horizon. Men
ademt de uitvloeisels van het groote donkere ledige. Men is angstig
en wil toch omzien. Men is weerloos tegen de holte van den nacht,
de schaduwachtige voorwerpen, de zwijgende gestalten die verdwijnen
wanneer men nadert, tegen de dreigende struiken en struweelen,
tegen vale plassen, tegen de oneindige stilte des grafs, tegen alle
mogelijke onbekende wezens, tegen het geheimzinnig buigen der takken,
tegen schrikbarende boomstompen. De grootste stoutmoedigheid beeft,
en voelt de angst nabij. 't Is alsof de ziel zich in de donkerheid
wil oplossen. Voor een kind is de eenzaamheid in de duisternis iets
onuitsprekelijk vreeselijks.
De bosschen zijn verborgenheden; en het klapwieken eener kleine ziel
maakt een doodelijk gedruisch onder hun kolossaal gewelf.
Zonder zich eenig begrip te vormen van haar gewaarwordingen, voelde
Cosette zich door deze donkere verschrikkelijkheid der natuur
aangegrepen. 't Was niet slechts schrik, die haar overweldigde,
't was iets nog vreeselijker. Zij sidderde. Er zijn geen woorden om
te zeggen, hoe vreemd de huivering was, die haar tot in 't binnenste
des harten deed ijzen. Haar oog was woest geworden. Zij meende te
gevoelen, dat zij 't misschien niet zou kunnen verhinderen, morgen
terzelfder plaatse, in hetzelfde uur terug te komen.
Toen, als door instinct, en om uit den toestand, dien zij niet
begreep, maar die haar beangstigde, te geraken, telde zij met luide
stem een, twee, drie, vier, tot tien en begon dan opnieuw. Dit bracht
haar tot het besef der dingen, die haar omgaven, terug. Zij voelde
dat haar handen, door het waterputten nat geworden, koud waren. Zij
stond op. Haar angst was teruggekeerd, een natuurlijke onverwinbare
angst. Zij had slechts ééne gedachte, die van te vluchten; zoo snel
zij kon door het bosch, over het veld tot de huizen, tot de vensters,
tot de brandende kaarsen te vluchten. Haar blik viel op den voor haar
staanden emmer.
Haar angst voor vrouw Thénardier was zoo groot, dat zij niet zonder
den emmer met water durfde vluchten. Zij vatte met bevende handen
het hengsel. Met moeite kon zij den emmer dragen.
Toen deed zij een twaalftal schreden, maar de emmer was vol, zwaar,
en zij was gedwongen hem neder te zetten. Zij schoot even in den adem,
toen nam zij den emmer weder en ging verder, nu iets langer. Maar
wederom moest zij blijven staan. Na eenige seconden rust, ging zij
opnieuw met voorover gebogen hoofd als een oude vrouw; het gewicht van
den emmer rekte en verstijfde haar magere armen. Het ijzeren hengsel
verdoofde en verkilde haar natte handen nog meer, gedurig moest zij
stilstaan, en dan kletste telkens het over den emmer stroomend water
tegen haar bloote voeten. Dit gebeurde in een bosch des nachts, des
winters, ver van eenig menschelijk oog; 't was een achtjarig kind;
God alleen zag dit oogenblik, dezen treurigen toestand.
En zeker ook haar moeder, helaas!
Want er zijn dingen, die de oogen der dooden in hun graf openen.
Zij hijgde en steunde smartelijk; haar keel was door het gesnik dicht
gewrongen, maar zij durfde niet weenen, zoo bevreesd was zij, zelfs
in de verte, voor vrouw Thénardier. Zij was gewoon zich te verbeelden,
dat vrouw Thénardier altijd tegenwoordig was.
Op deze wijze kon zij evenwel weinig vorderen, niettegenstaande zij
elk rustpunt verkortte en na ieder zoo lang en zoo snel mogelijk
voortstapte. Met schrik dacht zij, dat er meer dan een uur verloopen
zou, eer zij te Montfermeil terug was, en dat vrouw Thénardier haar
slaan zou. Deze angst kwam nog bij haar schrik van zich des nachts
in het bosch te bevinden. Zij was reeds uitgeput van vermoeidheid
en nog altijd in het bosch. Bij een kastanjeboom gekomen, dien zij
herkende, hield zij weder stil, en langer dan de vorige keeren, om
voor de laatste maal eens goed te rusten; toen spande zij al haar
krachten in, vatte den emmer weder op en ging moedig voort. Het arme
kind was echter wanhopig en kon zich niet weerhouden uit te roepen:
"o, mijn God! mijn God!"
Op 't zelfde oogenblik voelde zij eensklaps dat de emmer geen zwaarte
meer had. Een hand, die haar zeer groot scheen, had het hengsel
gegrepen en hief het forsch omhoog. Zij richtte het hoofd op. Een
groote donkere, rechte gestalte ging naast haar in de duisternis. 't
Was een man, die haar gevolgd was en dien zij niet gezien had. Deze
man had, zonder iets te zeggen, den emmer, dien zij droeg, gevat.
Er is een instinct bij elke ontmoeting in het leven.
Het kind was niet bevreesd.
ZESDE HOOFDSTUK.
DAT MISSCHIEN BOULATRUELLES SCHRANDERHEID BEWIJST.
Tegen den avond van dienzelfden Kerstdag van 1823 wandelde een man
tamelijk lang op het eenzaamst gedeelte van den boulevard de l'Hôpital
te Parijs. Hij scheen een woning te zoeken en bij voorkeur voor de
armoedigste huizen van dien bouwvalligen zoom der voorstad St. Marceau
te blijven stilstaan.
Men zal later zien, dat deze man inderdaad een kamer in deze
afgezonderde wijk had gehuurd.
Hij verwezenlijkte in zijn kleeding en geheelen persoon het type van
wat men den fatsoenlijken bedelaar kan noemen, groote behoefte gepaard
aan groote zindelijkheid. Een zeer zeldzame vereeniging, welke aan
verstandige lieden dien dubbelen eerbied inboezemt, welken men voor den
arme en verdienstelijke gevoelt. Hij had een zeer ouden en kalen hoed
op 't hoofd, een bruine grof lakensche jas, tot op den draad versleten,
welke kleur destijds geen opzien baarde, een groot vest met zakken
van verouderden vorm, een zwarte broek, aan de knieën grijs geworden,
zwart wollen kousen en lompe schoenen met koperen gespen. Men zou hem
voor een ouden huisonderwijzer gehouden hebben, die uit de emigratie
was teruggekeerd. Wegens zijn wit haar, zijn gerimpeld voorhoofd,
zijn gezicht, dat neerslachtigheid en levenszatheid teekende, zou men
hem voor ouder dan zestig jaar gehouden; doch naar zijn vasten, schoon
langzamen tred, naar de zeldzame kracht, die uit al zijn bewegingen
sprak, zou men hem nauwelijks vijftig jaren gegeven hebben. Zijn
fraai gerimpeld voorhoofd zou iemand, die hem met oplettendheid
beschouwde, gunstig voor hem hebben ingenomen. Zijn lip had een
zonderlingen trek van strengheid en ootmoed. In zijn blik lag iets
als een treurige kalmte. In de linkerhand droeg hij een klein, in een
zakdoek geknoopt pakje; in de rechterhand hield hij een van ruw hout
gesneden stok! Deze stok was met eenige zorg bewerkt en zag er aardig
uit; van de naden was partij getrokken en de knop met lak rood gemaakt;
't was een knuppel, in de gedaante van een wandelstok.
Men ziet weinig voorbijgangers op dien boulevard, vooral des
winters. Deze man scheen ze, hoewel zonder dat dit in 't oog liep,
eerder te vermijden dan te zoeken.
In dien tijd ging koning Lodewijk XVIII schier dagelijks naar
Choisy-le-Roi. 't Was een zijner begunstigde wandelingen. Tegen twee
uur zag men bijna dagelijks het rijtuig en den koninklijken stoet in
vollen galop den boulevard de l'Hôpital passeeren.
Dit was voor de arme vrouwen dier wijk horloge en klok; zij zeiden:
"'t is twee uur, hij keert naar de Tuilerieën terug."
Eenigen liepen toe, anderen gingen aan den weg staan; want een
voorbijgaand koning veroorzaakt altijd opschudding. De verschijning
en verdwijning van Lodewijk XVIII maakte overigens een zekeren
indruk in de straten van Parijs. 't Was snel maar majestueus. Deze
jichtige koning had smaak in hard rijden; daar hij niet kon gaan,
wilde hij vliegen; deze voetelooze liet zich gaarne door den
bliksem trekken. Kalm en statig ging hij voorbij, omgeven door
blanke sabels. Zijn zware, vergulde berline, op wier paneelen groote
lelietakken waren geschilderd, rolde daverend voorbij en nauwelijks
had men den tijd er het oog op te slaan. Men zag in den achtersten
hoek ter rechterzijde, op wit satijnen kussens een breed, krachtig en
blozend gezicht, een frisch gepoederd hoofd, een fieren, strengen,
fijnen blik, den glimlach van een letterkundige, twee zware gouden
epauletten met losse tressen op een burgerrok, het gulden vlies,
het kruis van den H. Lodewijk, het kruis van het legioen van eer, de
zilveren ster van den H. Geest, een dikken buik, en een breed blauw
lint; dit was de koning. Buiten Parijs hield hij zijn hoed met witte
pluimen op zijn in hooge Engelsche slobkousen gebakerde knieën, zoodra
hij in de stad terugkeerde zette hij den hoed op en groette weinig. Hij
zag koel naar het volk, dat hem met dezelfde munt betaalde. Toen hij
den eersten keer in de wijk Saint-Marceau verscheen, was al de vrucht,
die hij er van getrokken had, dit woord van een voorstadsbewoner tot
zijn kameraad: "Deze dikke is het gouvernement."
Dit onfeilbare voorbijrijden des konings op hetzelfde uur was dus de
dagelijksche verschijning op den boulevard de l'Hôpital.
De wandelaar in de bruine jas behoorde blijkbaar niet in deze wijk
te huis, en waarschijnlijk niet te Parijs, want deze bijzonderheid
was hem onbekend. Toen het koninklijk rijtuig, door een escadron
gardes-du-corps met zilveren galon omgeven, te twee uren van den
hoek van la Salpêtrière den boulevard opreed, scheen hij verrast en
schier verschrikt. Hij alleen was in de zijlaan, hij trad haastig
achter een hoek van den ringmuur, 't geen den hertog d'Havré echter
niet belette hem te zien. De heer hertog d'Havré zat als dienstdoende
kapitein der gardes dien dag in het rijtuig tegenover den koning. Hij
zeide tot zijne majesteit: Ziedaar een man met een zeer slecht
uitzicht! Politie-beambten, die den weg des konings verkenden,
merkten hem ook op; een hunner ontving bevel hem te volgen. Maar de
man verdween in de nauwe eenzame straten van de voorstad, en daar
de avond begon te vallen, verloor de agent zijn spoor, zooals wordt
bevestigd in een rapport aan den graaf Anglès, minister van staat en
prefect van politie, van dienzelfden avond.
Toen de man in de bruine jas de vervolging van den agent ontkomen
was, versnelde hij zijn schreden, echter niet zonder telkens om te
zien of hij ook werd gevolgd. Om kwartier over vier toen het reeds
donker was, ging hij voorbij den schouwburg van de poort St. Martin,
waar dien avond les deux Forçats werd gespeeld. Het aanplakbiljet,
dat door de lantaarns van den schouwburg verlicht werd, trof hem,
want hoewel hij haastig ging, hield hij stil om het te lezen. Een
oogenblik later was hij in het slop la Planchette en trad de herberg le
Plat d'étain binnen, waar destijds het bureau van den wagen op Lagny
was. Die wagen vertrok te half vijf. De paarden waren voorgespannen
en de reizigers, door den voerman opgeroepen, beklommen haastig de
hooge ijzeren trede van 't rijtuig.
De man vroeg:
"Is er nog plaats?"
"Nog eene, naast mij op den bok," zei de koetsier.
"Ik neem ze."
"Stap op dan."
Maar voor hij wegreed sloeg de koetsier een blik op de sobere kleeding
van den reiziger en zijn klein pakje, en liet zich terstond betalen.
"Gaat ge tot Lagny?" vroeg de koetsier.
"Ja," zei de man.
De reiziger betaalde tot Lagny.
Men vertrok. Toen men buiten de barrière was, wilde de koetsier een
gesprek beginnen; maar de reiziger antwoordde slechts kortaf. Toen
ging de koetsier aan 't fluiten en op zijn paarden vloeken.
De koetsier wikkelde zich in zijn mantel. 't Was koud. De man scheen
er niet aan te denken. Dus reed men door Gournay en Neuilly-sur-Marne.
Tegen zes uur was men te Chelles. De koetsier hield stil om zijn
paarden te laten drinken, vóór de voermansherberg, opgericht in de
oude gebouwen van de koninklijke abdij.
"Hier ga ik af," zei de man.
Hij nam zijn pakje en stok, en sprong van het rijtuig.
Een oogenblik later was hij uit het oog verdwenen.
Hij was de herberg niet binnengegaan.
Toen, na eenige minuten, het rijtuig naar Lagny voortreed, ontmoette
't hem niet in de groote straat van Chelles.
De koetsier zeide tot de reizigers in 't rijtuig:
"Deze man is niet van hier, want ik ken hem niet. Hij schijnt behoeftig
te zijn, en echter hecht hij niet aan geld, want hij betaalt tot Lagny
en gaat slechts tot Chelles. 't Is donker, al de huizen zijn gesloten,
hij is de herberg niet binnengegaan, en is nergens te zien. Zou hij
in den grond zijn gezonken?"
De man was niet in den grond gezonken, maar was haastig in 't donker de
groote straat van Chelles doorgegaan; vervolgens was hij links, vóór
hij aan de kerk kwam, den binnenweg ingeslagen, die naar Montfermeil
voert, als iemand die het oord kende en er vroeger geweest was.
Hij liep met spoed. Ter plaatse, waar zijn pad door den met boomen
beplanten weg van Gagny naar Lagny doorsneden wordt, hoorde hij
menschen naderen. Hij verborg zich schielijk aan den kant van een sloot
en wachtte tot de voorbijgangers verwijderd waren. Deze voorzorg was
trouwens schier overbodig, want, zooals wij gezegd hebben, 't was
een zeer donkere Decembernacht. Nauwelijks bespeurde men een paar
sterren aan den hemel.
Bij deze plek begint de glooiing van den heuvel. De man volgde den
weg van Montfermeil niet; hij ging rechts over het veld en liep met
haastigen tred naar het bosch.
In 't bosch gekomen, ging hij langzamer en begon oplettend al de boomen
te beschouwen, stap voor stap, als zocht en volgde hij een geheimen,
hem alleen bekenden weg. Een oogenblik scheen hij verdwaald en stond
besluiteloos stil. Eindelijk kwam hij zoekende en tastende op een
onbegroeide plek, waar een hoop groote witachtige steenen lag. Haastig
naderde hij deze steenen en in de nachtschemering onderzocht hij ze
nauwkeurig en met de grootste aandacht. Een dikke boom, bedekt met die
uitwassen, welke de wratten van 't plantenrijk zijn, stond op eenige
schreden van den hoop steenen. Hij ging naar dien boom en bevoelde
met zijn hand den stam, alsof hij de uitwassen poogde te herkennen
en te tellen.
Tegenover dezen boom, een els, stond een kastanjeboom, wiens
schors beschadigd was, en waarop men als verband een reep zink had
gespijkerd. Hij tilde zich op de teenen en betastte die reep.
Daarop ging hij een poos tusschen den boom en de steenen heen en weer,
als iemand die onderzocht of de grond kortelings is omgegraven.
Dit gedaan hebbende, nam hij zijn richting en zette zijn tocht door
het bosch voort.
't Was deze man, dien Cosette ontmoet had.
Toen hij het kreupelhout naar den kant van Montfermeil doorging,
had hij deze kleine schim gezien, welke zich zuchtend bewoog, die
een last nederzette, dien weder opnam en haar weg vervolgde. Hij
was nader gekomen en had gezien, dat 't een zeer jong kind was,
een grooten emmer water torsende. Toen was hij tot het kind gegaan
en had zwijgend het hengsel van den emmer gevat.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
COSETTE IN HET DONKER MET DEN ONBEKENDE.
Wij hebben gezegd, dat Cosette voor den man niet bevreesd was geweest.
Hij sprak haar aan en zeide met ernstige, zachte stem:
"De vracht die ge draagt, is te zwaar voor u, mijn kind!"
Cosette hief het hoofd op en antwoordde:
"Ja, mijnheer."
"Geef hem mij," hernam de man, "ik zal voor u dragen."
Cosette liet den emmer los. De man ging naast haar voort.
"'t Is inderdaad zwaar," zeide hij binnensmonds. En hij hernam:
"Hoe oud zijt ge, kleine?"
"Acht jaar, mijnheer."
"En zijt ge hiermede reeds ver gekomen?"
"Van de bron in het bosch."
"En moet ge nog ver?"
"Een goed kwartier van hier."
De man zweeg een oogenblik en hernam toen eensklaps:
"Hebt ge geen moeder?"
"Ik weet niet," antwoordde het kind.
Vóór de man den tijd had te spreken, hernam zij:
"Ik geloof 't niet. Anderen hebben er een. Ik niet."
Wederom na eenig zwijgen, zeide zij:
"Ik geloof, dat ik er nooit een gehad heb"
De man hield stil, zette den emmer neder, boog zich, legde zijn beide
handen op de schouders van 't kind, en deed een poging om haar in
't gezicht te zien.
Het mager kwijnend gezicht van Cosette was onduidelijk zichtbaar bij
het bleeke licht des hemels.
"Hoe heet ge?" vroeg de man.
"Cosette."
't Was of de man door een electrieken schok getroffen werd. Hij zag
haar nogmaals aan, nam zijn handen van Cosettes schouders, greep den
emmer en ging weder voort.
Na een poos, vroeg hij:
"Waar woont ge, kleine?"
"Te Montfermeil; zoo ge 't kent."
"Gaan wij daarheen?"
"Ja, mijnheer."
Wederom ontstond een pauze, toen hernam hij:
"Wie heeft u toch op dit uur water in 't bosch laten halen?"
"Vrouw Thénardier."