Montfermeil ligt tusschen Livry en Chelles op den zuidelijken zoom van

het hooge bergplat, dat de Ourque van de Marne scheidt. Tegenwoordig

is het een tamelijk groot dorp, dat het geheele jaar door met witte

villa's, en des Zondags met uitgedoste burgers versierd is. In

1823 zag men te Montfermeil noch zoovele witte huizen, noch zooveel

vergenoegde burgers: 't was niets dan een dorp in een bosch. Men vond

er wel hier en daar eenige lusthuizen der vorige eeuw, herkenbaar

aan hun grootsch voorkomen, hun ijzeren balkons en hooge vensters,

wier kleine glasruiten op de witte gesloten blinden allerlei soort

van groene kleur vertoonen. Montfermeil was evenwel een dorp. De

rentenierende ex-winkeliers en de minnaars van het landleven hadden

het nog niet ontdekt. 't Was een vreedzaam, bekoorlijk oord, waar

geen enkele weg langs liep; men leefde er goedkoop op landelijke

wijs, onbekrompen en gemakkelijk. Alleen het water was er schaarsch,

uithoofde der hooge ligging.

Het moest tamelijk ver gehaald worden. Het einde van het dorp aan de

zijde van Gagny putte zijn water uit de heerlijke vijvers, die daar

in het bosch zijn; het andere einde, dat de kerk omgeeft, en aan de

zijde van Chelles ligt, vond geen drinkbaar water dan aan een kleine

bron, halfweg Chelles, bijna een kwartier van Montfermeil.

't Was voor ieder gezin dus een moeielijk werk zich van 't benoodigde

water te voorzien. De groote huizen, de aristocratie, de kroeg

van Thénardier behoorde hier ook onder, betaalden een oordje voor

iederen emmer aan een ouden man, die hieruit een bestaan maakte,

en die met dit waterbedrijf ongeveer acht stuivers daags verdiende;

maar deze man werkte des zomers slechts tot zeven ure 's avonds,

en des winters tot vijf ure; zoodra het donker was geworden en de

vensterluiken gesloten waren, moest ieder die water wilde hebben het

zelf zien te krijgen of het zonder doen.

Dit was de schrik van het arme wezen, 't welk de lezer wel niet

vergeten zal hebben, de kleine Cosette.

Men herinnert zich, dat Cosette den Thénardier's op tweeërlei

wijze nuttig was: zij lieten zich door de moeder betalen en door

het kind bedienen. Toen de moeder geheel ophield te betalen--men

heeft de reden ervan in de vorige hoofdstukken gelezen--behielden de

Thénardier's evenwel Cosette. Zij verving voor hen een dienstbode. In

deze hoedanigheid nu, ging zij water halen wanneer men 't moest

hebben. Maar het kind, dat zeer bang was 's avonds naar de bron te

gaan, zorgde dat er steeds water in huis was.

Het Kerstfeest van 1823 was te Montfermeil bijzonder schitterend. Het

begin van den winter was zacht geweest, het had nog niet gevrozen of

gesneeuwd. Potsenmakers van Parijs hadden van den maire verlof gekregen

hun tenten in de groote straat van het dorp op te slaan, en een troep

reizende kooplieden had, met gelijke vergunning, hun kramen op het

kerkplein geplaatst, tot in de Bakkersteeg, waar, zooals men zich

misschien zal herinneren, de kroeg van Thénardier stond. Dit vulde

de herbergen en logementen, en gaf aan dit stille oord een woelig,

vroolijk leven. Wij moeten zelfs als trouw geschiedschrijver zeggen,

dat onder de merkwaardigheden die op het plein te zien waren, zich een

menagerie bevond, waarin leelijke, bonte hansworsten, wier herkomst

men niet kon gissen, in 1823 aan de boeren van Montfermeil een dier

ontzaggelijke Braziliaansche gieren vertoonden, welke ons koninklijk

museum eerst sedert 1845 bezit, en wier oogen een driekleurige

kokarde is. De natuurkundigen noemen, meen ik, dezen vogel Caracara

Polyborus, hij behoort tot de orde der apiciden en tot de familie

der gieren. Eenige oud-gedienden van Bonaparte, die nu hier leefden,

gingen dit dier met allen eerbied kijken. De vertooners van den vogel

verzekerden dat de driekleurige kokarde een éénig verschijnsel was,

en opzettelijk door den goeden God voor hun menagerie geschapen.

Dienzelfden Kerstavond zaten verscheidene mannen, voerlieden en

marskramers, in de gelagkamer der herberg van Thénardier om een

tafel met vier of vijf kaarsen te drinken. Deze kamer geleek op alle

herbergkamers; tafels, tinnen kannen, flesschen, drinkers en rookers;

weinig licht, veel leven. De datum van het jaar 1823 was er aangeduid

door de twee destijds bij de burgerklasse in de mode zijnde voorwerpen,

die op de tafel waren, namelijk een kaleidoskoop en een Engelsche lamp

van gewaterd blik. Vrouw Thénardier hield het oog op het avondeten,

dat voor een goed helder vuur brandde; Thénardier dronk met zijn

gasten en sprak over politiek.

Behalve de politieke gesprekken, welke den oorlog van Spanje en

den hertog van Angoulême tot hoofdonderwerp hadden, hoorde men

tusschenbeide onder het leven geheel plaatselijke zaken vermengd,

als b. v.:

--Naar den kant van Nanterre en Suresne is de wijnoogst zeer goed

geweest. Waar men op tien stukken rekende, heeft men er twaalf. 't

Heeft onder de pers veel nat geleverd.--Maar de druif kon niet rijp

zijn?--In die oorden behoeft de druif niet rijp te zijn: zoodra 't

lente is wordt de wijn zwaar.--'t Is dus een lichte wijn?--De wijn

is er nog lichter dan hier, men moet er onrijp oogsten.

Enz.--

Of 't was een molenaar die riep:

--Zijn wij verantwoordelijk voor 't geen in de zakken is? Wij

vinden er een handvol kleine korrels in, die wij den tijd niet

hebben er uit te zoeken en men wel onder den steen moet laten gaan;

't is onkruid; klaverzaad, korenbrand, wikke, hennepzaad, en een

menigte ander tuig, zonder het zand te rekenen dat in sommig koren,

vooral in het Bretonsche, overvloedig is. Ik houd er evenmin van,

Bretonsch koren te malen, als de houtzagers van balken met spijkers

er in te zagen. Ge kunt begrijpen hoeveel slecht stof dit alles

bij de opbrengst geeft. En dan klaagt men over het meel. Men heeft

ongelijk. Wij hebben geen schuld aan 't meel.

Tusschen twee vensters zat aan een tafel een maaier met een

landeigenaar over den prijs te knibbelen voor het maaien van een

weide in 't voorjaar, en zeide:

--'t Kan geen kwaad, dat het gras vochtig is. Des te beter snijdt

het. Om 't even; dat gras, uw gras is jong en nog moeielijk; 't is

te teer en buigt voor de zeis.

Enz.--

Cosette zat op het dwarshout der keukentafel, haar gewone plaats, bij

den schoorsteen; zij was in lompen, met de bloote voeten in klompen,

en breide bij het schijnsel van het vuur wollen kousen voor de kleine

Thénardiers. Een zeer jong katje speelde onder de stoelen. Men hoorde

twee frissche kinderstemmen in een belendend vertrek lachen en praten;

't waren Eponine en Azelma.

In den hoek van den haard hing een karwats aan een spijker.

Bij tusschenpoozen klonk het geschreeuw van een zeer jong kind,

dat ergens in huis was, boven het geraas in de herberg uit. 't Was

een jongentje, dat vrouw Thénardier in een der vorige winters had

gekregen--"zonder te weten waarom," zeide zij: "een gevolg van de

koude,"--en dat iets ouder dan drie jaar was. De moeder had dit

gezoogd, maar beminde het niet. Wanneer het aanhoudend geschreeuw

van den kleine te lastig werd, zeide Thénardier: Uw kleine schreit,

ga toch zien wat hij wil. --Och! antwoordde de moeder, het verveelt

mij.--En de kleine verlatene schreide verder in het donker.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VOLTOOIING VAN TWEE PORTRETTEN.

Men heeft de Thénardier's in ons verhaal tot hiertoe van ter zijde

gezien; het oogenblik is gekomen om dit paar van alle kanten te

beschouwen.

Thénardier was over de vijftig jaren; zijne vrouw had bijna haar

veertigste bereikt, dat het vijftigste der vrouw is, zoodat man en

vrouw in ouderdom tegen elkander opwogen.

Misschien hebben de lezers, sedert haar eerste verschijning, nog eenige

herinnering van deze groote, blonde, roode, vette, vleezige, vierkante,

zware en vlugge vrouw Thénardier behouden; zij had iets, wij hebben

't reeds gezegd, van het ras der wilde, kolossale vrouwmenschen,

die op de kermissen het hoofd krommen onder het gewicht der aan

heur haarvlechten gehangen keisteenen. Zij deed alles in het huis,

bedden opmaken, kamers schoonmaken, de wasch, de keuken, zij maakte

regen en zonneschijn en speelde bij gelegenheid voor den duivel. Zij

had geen andere dienstmeid dan Cosette; een muis in den dienst van

een olifant. Alles beefde voor den klank harer stem, vensterruiten,

huisraad en menschen. Haar breed met sproeten bedekt gezicht had het

aanzien van een schuimspaan. Zij had een baard. Zij was het ideaal

van een lastdrager in vrouwenkleeding. Zij vloekte als een matroos

en beroemde er zich op, een noot met een vuistslag te kunnen stuk

slaan. Zoo zij geen romans had gelezen, die soms op zonderlinge

wijze het nufje onder dit manwijf deden te voorschijn komen, zou

't niemand ooit in de gedachte zijn gekomen, haar voor een vrouw te

houden. Deze vrouw Thénardier was als het voortbrengsel der enting

van een juffertje op een vischwijf. Wanneer men haar hoorde spreken

zeide men: 't Is een gendarm; wanneer men haar zag drinken, zeide men:

't Is een voerman; wanneer men haar Cosette zag mishandelen, zeide men:

't Is de beul. Als zij sliep stak een tand uit haar mond.

Thénardier was een klein, mager, bleek, hoekig, knokig, tenger man,

met een ziekelijk gezicht, maar die volkomen gezond was; hiermede

begon zijn bedriegerij. Hij glimlachte gewoonlijk uit voorzorg,

en was schier jegens iedereen beleefd, zelfs jegens den bedelaar,

wien hij een aalmoes weigerde. Hij had het gezicht van een bunsing

en het voorkomen van een geletterde. Hij leek veel op de portretten

van den abt Delille. Hij stelde er een eer in, tegen voerlieden

te drinken. Niemand had hem dronken kunnen maken. Hij rookte uit

een groote pijp. Hij droeg een kiel, en onder zijn kiel een ouden

zwarten rok. Hij gaf zich gaarne den schijn van letterkundige en

materialist. Hij gebruikte gaarne eenige namen, om, wat hij ook zeide,

te staven; Voltaire, Raynal, Parny en, zonderling, St. Augustinus. Hij

verklaarde een "stelsel" te hebben. Overigens was hij een groote

afzetter. Een "filousophe." Zulke samenvoegingen bestaan. Men weet,

dat hij beweerde gediend te hebben; hij verhaalde met eenigen bluf,

dat toen hij bij Waterloo als sergeant bij 't 6e of 9e--'t doet er niet

toe--lichte infanterie stond, hij alleen tegen een escadron zwarte

huzaren "een gevaarlijk gewonden generaal" met zijn lichaam bedekt

en door het schrootvuur heen gered had. Vandaar voor zijn deur zijn

schitterend uithangbord, en de naam van zijn herberg "de sergeant

van Waterloo." Hij was liberaal, classiek en bonapartist. Hij had

voor het Champ d'asile ingeteekend. In het dorp zeide men, dat hij

voor priester had gestudeerd.

Wij gelooven, dat hij eenvoudig in Holland voor herbergier had

gestudeerd. Deze schurk der samengestelde orde was volgens alle

waarschijnlijkheid een Vlaming uit Rijssel in Vlaanderen, een

Franschman te Parijs, een Belg te Brussel, die met gemak schrijlings

op twee grenzen zat. Men kent zijn heldendaad te Waterloo. Men ziet,

dat hij ze een weinig overdreef. Vloed en ebbe, draaien en wenden,

avonturen waren de elementen van zijn leven; een gescheurd geweten

maakt een los leven; en Thénardier behoorde waarschijnlijk, in het

stormachtig tijdstip van 18 Juni 1815, aan die verscheidenheid van

stroopende marketenters, van welke wij gesproken hebben, die door

het land zwerven, aan dezen verkoopende, genen bestelende, en met

een geheel gezin, man, vrouw en kinderen, in een kreupel karretje de

marcheerende troepen volgende, met het instinct zich steeds bij het

overwinnend leger te houden. Na, dezen veldtocht had hij, zooals hij

zeide, iets overgespaard, en was te Montfermeil een herberg begonnen.

Zijn besparingen, die uit beurzen en horloges, gouden ringen en

zilveren kruisen bestonden en in de met lijken bezaaide voren waren

geoogst, maakten geen groot kapitaal uit en hadden den kroeghouder

geworden marketenter niet ver gebracht.

Thénardier had iets onbeschrijfelijk houterigs in zijn gebaar,

dat, bij een vloek, aan de kazerne, en, bij een kruis, aan het

seminarie herinnert. Hij sprak mooi en gaf zich gaarne den schijn van

geleerdheid. De schoolmeester had echter opgemerkt dat hij vaak "groote

bokken" schoot.--Hij wist uitmuntend de rekening der reizigers op te

maken, maar geoefende oogen vonden er veel spelfouten in. Thénardier

was een gluiper, een zwelger, een straatslijper en sluw. Hij verachtte

zijn dienstmeiden niet, waarom zijn vrouw er geen meer hield. Deze

reuzin was jaloersch, zij meende dat deze kleine magere, gele man

het voorwerp der algemeene begeerlijkheid moest zijn.

Thénardier, met zijn listig, berekenend karakter, was een schurk van

de gematigde soort. Deze soort is de ergste; daarmede vermengt zich

de huichelarij.

Thénardier was bij gelegenheid niet minder tot toorn in staat dan

zijne vrouw; maar deze aanvallen waren bij hem zeer zelden, en wijl

hij in zulke oogenblikken het geheele menschelijke geslacht te lijf

wilde, wijl in hem een diepe gloed van haat lag, wijl hij een dier

lieden was, die zich altijd willen wreken, die alles beschuldigen wat

hun voorbijgaat en wat op hen neerkomt, en steeds gereed zijn op den

eerste den beste, als een wettige grieve, het gezamenlijk bedrag hunner

teleurstellingen, bankroeten en rampen des levens te werpen,--wanneer

al deze zuurdeesem in hem gistte en in zijn mond en oogen brandde,

was hij vreeselijk. Wee hem, die dan onder zijne woede kwam!

Buiten zijn overige hoedanigheden was Thénardier oplettend en

scherpzinnig, naar gelegenheid stil of praatachtig, doch altijd met

groote schranderheid. Hij had iets in zijn blik van de zeelieden,

die gewoon zijn in den verrekijker te knipoogen. Thénardier was

een staatsman.

Ieder nieuweling die de kroeg binnentrad en vrouw Thénardier zag,

zeide: zij is de meester in huis. Vergissing. Zij was zelfs de

meesteres niet. De meester en de meesteres was de man. Zij handelde,

hij schiep. Hij bestierde alles met een soort van onzichtbare,

voortdurende magnetische werking. Een woord, soms een wenk was voor

hem voldoende, en de mastodonte gehoorzaamde. Thénardier was voor

vrouw Thénardier, zonder dat zij er zich van bewust was, een soort van

bijzonder en oppermachtig wezen. Zij bezat de deugden van haar soort;

wanneer ze over eenige zaak met "mijnheer Thénardier" in tegenspraak

was geweest--een overigens schier onmogelijke veronderstelling--zou

zij haar man nooit openlijk ongelijk geven, waarin 't ook wezen

mocht. Nooit zou zij, tegenover vreemden, de bij vrouwen zoo gewone

fout gepleegd hebben, den man, zooals men 't noemt, de kroon van 't

hoofd te nemen. Hoewel hun eensgezindheid slechts kwaad ten doel had,

was er toch eerbied in de onderwerping van vrouw Thénardier aan haar

man. Deze berg van gerucht en vleesch bewoog zich onder den pink van

dezen tengeren despoot. 't Was, van haar dwergachtige en bespottelijke

zijde beschouwd, deze groote algemeene zaak: de beheersching der stof

door den geest; want het leelijke heeft soms zijn reden van bestaan,

zelfs in de diepten van het eeuwig schoone. Er was in Thénardier

iets onbekends; vanhier het volstrekte gezag van dezen man op deze

vrouw. In sommige oogenblikken zag zij in hem een brandende kaars;

in andere voelde zij hem als een klauw.

Deze vrouw was een geducht schepsel, dat alleen haar kinderen beminde

en slechts haar man vreesde. Zij was moeder, wijl zij zoogdier

was. Haar moederschap bepaalde zich overigens slechts tot haar

dochters, en strekte, zooals men zien zal, zich niet tot de jongens

uit. Hij, de man, had slechts één gedachte--zich te verrijken.

't Gelukte hem niet. Aan dit groote talent ontbrak een geschikt

tooneel. Thénardier werd te Montfermeil arm, zoo 't mogelijk is

met niets arm te worden; in Zwitserland of in de Pyreneeën zou hij

millionair zijn geworden. Maar waar het lot den herbergier bindt,

moet hij grazen.

Men begrijpt dat het woord "herbergier" hier in beperkten zin is

gebezigd en zich niet over een geheele klasse uitstrekt.

In ditzelfde jaar 1823 had Thénardier ongeveer vijftienhonderd francs

dringende schulden, 't geen hem zeer bezorgd maakte.

Hoe halsstarrig de onrechtvaardigheid van het lot jegens hem was,

Thénardier behoorde tot die menschen, welke het best, het innigst

en op de nieuwste wijze datgene begrijpen, wat bij de barbaarsche

volken een deugd en bij de beschaafde volken een koopwaar is,

de gastvrijheid. Overigens was hij een uitmuntend jachtstrooper en

vermaard wegen de juistheid van zijn schot. Zijn koude kalme glimlach

was bijzonder gevaarlijk.

Zijn herbergiers-theorieën schoten soms als weerlichten uit hem. Hij

had grondregels van zijn beroep, welke hij in den geest zijner vrouw

prentte.--"De plicht van den herbergier," zeide hij haar eenmaal met

nadruk en zachte stem, "is aan ieder die komt gekookte spijs, rust,

licht, vuur, vuile bedlakens, vlooien en beleefdheid te verkoopen;

de reizigers op te houden, de schrale beurzen te ledigen en de

goedgevulde fatsoenlijk te verlichten, de reizende gezinnen huisvesting

te verleenen, den man te snijden, de vrouw te plukken en het kind af

te zetten; in rekening te brengen voor het open venster, het gesloten

venster, den hoek van den haard, den armstoel, den stoel, de bank,

het voetbankje, het veerebed, de matras en den bos stroo; te weten

hoeveel de schaduw den spiegel verslijt en hiervoor te rekenen, en,

bij de vijfmaalhonderd duizend duivels, den reiziger alles te doen

betalen, zelfs de vliegen die zijn hond eet!"

Deze man en vrouw waren de in den echt getreden list en de woede,

een leelijk en vreeselijk span.

Terwijl de man overlegde en berekende, dacht de vrouw niet aan de

afwezende schuldeischers, noch bekommerde zich om het gisteren of

morgen, maar leefde in haar toorn slechts voor 't oogenblik.

Zoodanig waren deze twee wezens. Cosette, die tusschen hen stond,

ondervond hun dubbele werking, als een schepsel, dat onder een

molensteen verpletterd en door een knijptang geknepen wordt. De

man en de vrouw hadden ieder een verschillende handelwijze; Cosette

werd met slagen gebeukt, dat kwam van de vrouw; zij ging blootvoets,

dat kwam van den man.

Cosette was nu boven, dan beneden, waschte, schuurde, boende, veegde,

liep, werkte, sloofde, droeg zware lasten en, hoe klein zij was,

deed het grove werk. Geen medelijden; een wreede meesteres, een

kwaadaardig meester. De kroeg van Thénardier was als een spinneweb,

waarin Cosette gevangen was en beefde. Het ideaal der verdrukking

was in deze treurige dienstbaarheid verwezenlijkt. 't Had iets van

een vlieg, in dienst van spinnen.

Lijdelijk zweeg het arme kind.

Wat heeft in zulke zielen plaats, die reeds van jongs af klein en

naakt onder vreemden zijn gekomen, wanneer zij God verlaten?

DERDE HOOFDSTUK.

DE MENSCHEN MOETEN WIJN, DE PAARDEN WATER HEBBEN.

Er waren vier nieuwe reizigers aangekomen.

Cosette was in treurige gedachten; want, hoewel eerst acht jaren oud,

had zij bereids zooveel geleden, dat zij even sombere mijmeringen

had als eene oude vrouw.

Haar ooglid was blond, tengevolge van een vuistslag, dien Thénardier

haar had gegeven, hetgeen vrouw Thénardier herhaaldelijk deed zeggen:

Hoe leelijk is zij met haar blauwe oog!

Cosette dacht er aan, dat het avond was, laat in den avond; dat zij

onverwacht de kannen en karaffen in de kamers der aangekomen reizigers

had moeten vullen en er geen water meer in 't vat was.

Het stelde haar toch eenigszins gerust, dat men ten huize van

Thénardier weinig water dronk. 't Ontbrak niet aan lieden, die dorst

hadden; maar 't was een dorst die zich liever met wijn dan met water

lescht. Wie een glas water tusschen al die glazen wijn had gevraagd,

zou al deze mannen een wilde hebben toegeschenen. Er was evenwel een

oogenblik, dat het kind beefde; vrouw Thénardier lichtte het deksel op

van een pot die op 't vuur stond, nam een glas en naderde haastig het

watervat. Zij draaide de kraan om; het kind had het hoofd opgericht

en volgde al haar bewegingen. Een dunne waterstraal vloeide uit de

kraan en vulde ten halve het glas.--Zie, er is geen water meer! zeide

zij en zweeg toen een oogenblik. Het kind hield haar adem in.

"Nu," hernam vrouw Thénardier, het halfvolle glas beziende, "'t zal

wel genoeg zijn."

Cosette hervatte haar arbeid, maar langer dan een kwartieruurs voelde

zij haar hart als een hamer in haar borst kloppen.

Zij telde de minuten, die aldus verliepen, en had wel gewenscht,

dat reeds de volgende morgen daar was.

Nu en dan zag een der drinkers naar de straat en riep:--'t Is zoo

donker als in een oven!--of:--Men moet een kat zijn om in dit uur

zonder lantaarn uit te gaan!--En Cosette rilde.

Eensklaps trad een der in de herberg logeerende kramers binnen,

en zeide met ruwe stem:

"Men heeft mijn paard geen water gegeven."

"O, zeker," zei vrouw Thénardier.

"Ik zeg u van neen, vrouw," hernam de koopman.

Cosette was van onder de tafel gekomen.

"Ja, gewis, mijnheer," zeide zij, "het paard heeft gedronken, het

heeft uit den emmer, den emmer leeg gedronken; ik zelve heb het te

drinken gegeven en er meê gepraat."

't Was niet waar, Cosette loog.

"Zie, zoo'n klein ding eens brutaal liegen," riep de koopman uit. "Ik

zeg u, dat het paard niet gedronken heeft, kleine deugniet. Het

snuift op bijzondere wijze als het niet gedronken heeft, ik weet het

heel juist."

Cosette hield vol en voegde er met een van angst bevende stem bij,

die men nauwelijks kon verstaan:

"En 't heeft zelfs zeer veel gedronken."

"Nu," hernam de koopman vergramd, "'t doet er niet toe; laat men mijn

paard te drinken geven en daarmede uit."

Cosette keerde onder de tafel terug.

"Ge hebt gelijk," zei vrouw Thénardier, "zoo het dier niet gedronken

heeft, moet het drinken."

En een blik om zich slaande:

"Nu, waar is ze?"

Zij bukte en ontdekte Cosette stijf aan 't andere einde der tafel,

schier onder de voeten der drinkers.

"Wilt ge komen?" riep vrouw Thénardier.

Cosette kwam uit den hoek, waarin zij zich verborgen had. Vrouw

Thénardier hernam:

"Welaan, ondeugend nest, geef het paard water."

"Maar er is geen water meer, madame," zei Cosette bedeesd.

Vrouw Thénardier deed de voordeur wagenwijd open en hernam:

"Nu, ga 't dan halen!"

Cosette boog het hoofd en nam een ledigen emmer, die in den hoek van

den schoorsteen stond.

Deze emmer was grooter dan zij zelve, en 't kind had er gemakkelijk

in kunnen zitten.

Vrouw Thénardier keerde naar het vuur terug en proefde met een houten

lepel 't geen in den pot was, daarbij brommende:

"Er is rijkelijk water in. Nu, daarom is 't niet slechter. Ik geloof

dat ik de uien wel had kunnen sparen."

Toen zocht zij in een lade, waarin klein geld, peper en sjalotten

waren, en zeide:

"Daar, juffer pad, breng als ge terugkomt een grof brood van den

bakker mede; hier hebt ge een vijftien-stuiversstuk."

Cosette had een zakje in haar voorschoot; zonder te spreken nam zij

het geld en stak het in dat zakje.

Toen bleef zij stijf staan, met den emmer in de hand, voor de open

deur. Zij scheen te wachten, tot men haar te hulp kwam.

"Ga toch!" riep vrouw Thénardier.

Cosette ging. De deur sloot zich achter haar.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN POP KOMT OP HET TOONEEL.

De rij kramen strekte zich, zooals men zich herinnert, van de kerk tot

aan de herberg van Thénardier uit. Al deze kramen waren, in afwachting

der inwoners die naar de middernachtmis zouden gaan, met kaarsen in

papieren lantaarns verlicht, 't geen, zooals de schoolmeester van

Montfermeil zeide, die op dit oogenblik in de herberg van Thénardier

zat, een "tooverachtige uitwerking" deed. Daarentegen zag men geen

enkele ster aan den hemel.

De laatste dezer kramen, die juist tegenover Thénardier's deur stond,

was vol blinkende, rinkelende goederen, glaswaren en prachtige blikken

voorwerpen. Vooraan in de kraam had de koopman tegen een achtergrond

van witte servetten, een groote twee voet hooge pop geplaatst, in

rose krip gekleed, met gouden koornaren op 't hoofd, met echt haar

en porseleinen oogen. Den geheelen dag was dit wonder van verbazing

voor de jeugd uitgestald geweest, zonder dat te Montfermeil een

moeder was gevonden, rijk of scheutig genoeg om ze voor haar kind te

koopen. Eponine en Azelma hadden uren in haar beschouwing doorbracht,

en zelfs Cosette had, hoewel steelsgewijze, ze durven begluren.

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 7 / 24 段