Korten tijd nu, na het aan 't openbaar ministerie geschenen had, dat

de ontslagen galeislaaf Jean Valjean, gedurende zijn korte vlucht van

weinige dagen, om Montfermeil had gezworven, merkte men in dit dorp op,

dat een zekere oude wegwerker, Boulatruelle geheeten, druk het bosch

bezocht. Men meende in het oord te weten, dat Boulatruelle in het

bagno was geweest; hij was eenigerwijs onder toezicht der politie, en

wijl hij nergens werk vond, gebruikte het bestuur hem tegen verminderd

loon als wegwerker aan den binnenweg van Gagny naar Lagny.

Deze Boulatruelle was een man, die door de lieden van het dorp schuins

werd aangezien; hij was al te onderdanig, te deemoedig, te gereed

om voor ieder de pet af te nemen, bevende en glimlachende tegen de

gendarmes, en stond, meende men, waarschijnlijk met dievenbenden in

betrekking, en in verdenking van zich 's avonds in 't kreupelhout in

hinderlaag te leggen.

Men meende 't volgende te hebben opgemerkt:

Sedert eenigen tijd verliet Boulatruelle vroegtijdig zijn arbeid bij

't bepuinen en in orde houden van den weg, om met zijn spade naar het

bosch te gaan. Men ontmoette hem tegen den avond op de eenzaamste

plaatsen, in het dichtste houtgewas, met het voorkomen alsof hij

iets zocht, en soms bezig kuilen te graven. De oude vrouwen die

voorbijgingen hielden hem aanvankelijk voor Beëlzebub, doch spoedig

herkenden zij Boulatruelle en waren hier weinig geruster om. Deze

ontmoetingen schenen Boulatruelle schrikkelijk te hinderen. 't Was

duidelijk, dat hij zich trachtte te verbergen en iets geheimzinnigs

uitvoerde.

Men zeide in het dorp:--Zekerlijk heeft de duivel zich

vertoond. Boulatruelle heeft hem gezien en zoekt. Hij is er wel

toe in staat om Lucifer zijn schat te ontkapen.--De Voltairianen

voegden er bij: Zal Boulatruelle den duivel beet hebben of de duivel

Boulatruelle?--De oude vrouwen kruisten zich ijverig.

Intusschen hielden de bezoeken van Boulatruelle in het bosch op, en hij

was weer geregeld aan zijn wegarbeid. Men sprak weer van iets anders.

Er waren echter eenige nieuwsgierigen gebleven, die meenden dat niet

de fabelachtige schatten der legende hierin betrokken waren, maar

een goede, degelijker en tastbaarder vond dan de bankbriefjes van den

duivel, en waarvan de wegwerker waarschijnlijk half en half het geheim

had ontdekt. De meest belangstellenden waren de schoolmeester en de

kroeghouder Thénardier, die gaarne de vriend van ieder wilde zijn en

't niet versmaad had met Boulatruelle te verkeeren.--Hij is wel op

de galeien geweest, zeide Thénardier, maar mijn hemel, men weet niet

wie daar is, of wie er nog komen zal!

Op zekeren avond betuigde de schoolmeester, dat de justitie vroeger

wel onderzocht zou hebben wat Boulatruelle in het bosch ging doen,

dat hij wel had moeten spreken, dat men hem desnoods op de pijnbank

zou hebben gebracht, en dat Boulatruelle bij voorbeeld de waterproef

niet zou hebben doorstaan.--Laten wij hem aan de wijnproef onderwerpen,

zei Thénardier.

Men maakte alles gereed en deed den ouden wegwerker

drinken. Boulatruelle dronk ontzaggelijk veel en sprak weinig. Hij

vereenigde, met wonderbare knapheid en in een meesterlijke

verhouding, den dorst van een zwelger met de stilzwijgendheid van

een rechter. Evenwel, door herhaalde aanvallen, en door de weinige

onduidelijke woorden welke hem ontsnapten samen te voegen en te

verbinden, meenden Thénardier en de schoolmeester het volgende begrepen

te hebben:

Boulatruelle zou op zekeren ochtend, dat hij zich bij het krieken

van den dag naar zijn werk begaf, verrast zijn geworden door in een

hoek van het bosch onder 't kreupelhout een schop en een houweel

te vinden, die daar zoo 't scheen verborgen waren. Hij had evenwel

gemeend, dat het waarschijnlijk de schop en het houweel van den ouden

Six-Fours, den waterdrager, waren, en hij had er niet verder over

gedacht. Maar des avonds van denzelfden dag zou hij, zelf onbemerkt,

daar hij achter een dikken boom verscholen stond, een man hebben

gezien, die zich van den weg naar het dichtst van het bosch begaf,

"en welke man volstrekt niet uit de omstreken was, maar dien hij,

Boulatruelle, zeer goed kende." Thénardier's vertaling hiervan was:

"Een makker uit het bagno." Boulatruelle had hardnekkig geweigerd den

naam te zeggen. Deze vreemde droeg een pakje, een vierkant voorwerp,

als een groote doos of klein kistje. Boulatruelle was verwonderd. 't

Was echter eerst na zeven of acht minuten, dat de gedachte bij hem

opkwam den man te volgen. Maar 't was te laat, de man was reeds in

het dichte houtgewas; het was donker geworden, en Boulatruelle had

hem niet kunnen vinden. Toen had hij besloten aan den kant van 't

bosch te wachten. 't Was lichte maan. Twee of drie uren later had

Boulatruelle zijn man uit het kreupelhout zien komen, die nu geen

kistje, maar een spade en een houweel droeg. Boulatruelle had den

man laten voorbijgaan, maar durfde hem niet aanspreken, omdat hij

bij zich zelven zeide, dat de andere driemaal sterker was dan hij, en

met een schop gewapend, zoodat hij hem waarschijnlijk zou doodslaan,

wanneer hij hem herkende en zich herkend zag. Een teedere opwelling

van twee oude makkers, die elkander wedervinden! Maar de spade en het

houweel waren voor Boulatruelle een lichtstraal geweest; hij was naar

het struikgewas van des ochtends geijld, doch had er noch spade noch

houweel meer gevonden. Daaruit had hij besloten, dat zijn man in het

bosch was gegaan om met het houweel een gat te graven, het koffertje

er in verborgen, en het gat met de spade dicht gemaakt had. Nu was

het koffertje te klein om een lijk te bevatten, het moest dus geld

bevatten. Tengevolge daarvan zijn navorschingen. Boulatruelle had

het geheele bosch onderzocht, doorsnuffeld, en overal waar de aarde

hem versch omgewoeld scheen, ze opgegraven. Vruchteloos.

Hij had niets gevonden. Niemand dacht er meer aan in

Montfermeil. Slechts eenige oude vrouwen zeiden: Wees verzekerd, dat

de wegwerker van Gagny al die moeite niet voor niets heeft gedaan;

de duivel is er bij in 't spel.

DERDE HOOFDSTUK.

ER MOET AAN DE KETEN VOORAF IETS GESCHIED ZIJN, OM MET ÉÉN HAMERSLAG

TE SPRINGEN.

Tegen het einde van October van hetzelfde jaar 1823 zagen de inwoners

van Toulon, tengevolge van hevig stormweder, en om eenige averij te

herstellen, het schip de Orion hun haven binnenloopen, welk schip

later te Brest tot exercitie-schip diende, maar toen tot het eskader

der Middellandsche zee behoorde.

Dit vaartuig, hoe ontredderd het was, want de zee had het deerlijk

geteisterd, verwekte opzien toen het ter reede kwam. Ik weet niet

meer welke vlag het voerde, die het een voorgeschreven saluut van elf

schoten bezorgde, welke door het schip schot voor schot beantwoord

werden: in 't geheel dus twee en twintig schoten. Men heeft berekend,

dat voor salvo's, koninklijke en militaire eerbewijzen, wisseling van

beleefd rumoer, etiquette-seinen, reede- en vestingsformaliteiten,

de dagelijksche begroeting van het op- en ondergaan der zon door de

vestingen en de oorlogsschepen, het openen en sluiten der havens

enz. enz. door de beschaafde wereld over de geheele aarde elke

vier-en-twintig uren honderd vijftig duizend nuttelooze kanonschoten

met los kruit worden gedaan. Tegen zes francs het schot berekend,

komt dit op negenhonderd duizend francs daags, driehonderd millioen 's

jaars, die in rook vergaan. Dit is slechts een staaltje. In denzelfden

tijd sterven er, wie weet hoeveel armen van honger.

Het jaar 1823 was, wat de restauratie het tijdvak van den "Spaanschen

oorlog" heeft genoemd.

Deze oorlog bevatte vele gebeurtenissen in één enkele, en een

menigte zonderlingheden. Een gewichtige familiezaak voor het huis

van Bourbon; de Fransche tak hielp en beschermde den Madridschen

tak, dat wil zeggen, hij deed zich als de oudere gelden; 't was een

schijnbare terugkeer tot onze nationale overleveringen, gepaard aan

de dienstbaarheid en onderwerping der noordsche kabinetten; de hertog

van Angoulême, door de liberale bladen "de held van Andujar genoemd,"

met een zegevierende houding, die eenigszins met zijn vreedzaam

voorkomen in tegenspraak was, het oude wezenlijke schrikbewind van het

heilige officie bedwingend, dat met het hersenschimmig schrikbewind

der liberalen handgemeen was; de sansculottes tot grooten schrik

der douairières onder den naam van descamisados herrijzend; het

koningschap zich tegen den vooruitgang, met den naam van anarchie

bestempeld, verzettend; de theorieën van 89 plotseling tot onder den

grond afgebroken; een Europeesche stilstand aan de Fransche idee,

die de wereld rondgaat, toegeroepen; aan de zijde van den zoon van

Frankrijk, als generalissimus, de prins van Carignan, later Karel

Albert, die in dezen kruistocht der koningen tegen de volken als

vrijwilliger met roode wollen grenadiers epauletten dienst neemt; de

soldaten van het Keizerrijk weder te veld gaande, maar na acht jaren

rust, verouderd, somber en met de witte kokarde; de driekleurige vlag

in den vreemde door een heldhaftig hoopje Franschen opgestoken, zooals

dertig jaren vroeger de witte vlag te Coblentz werd gedaan; de monniken

onder onze soldaten gemengd; de geest van vrijheid en nieuwheid door de

bajonetten tot rede gebracht; de beginselen met kanonschoten vastgezet;

Frankrijk door zijn wapenen vernietigende, wat het door zijn geest

had opgericht; overigens, de vijandelijke opperhoofden omgekocht, de

soldaten aarzelend, de steden belegerd door millioenen; geen militaire

gevaren en toch ontploffingen mogelijk, evenals in elke mijn, die

verrast en genomen wordt; weinig bloed vergoten, weinig eer verworven,

schande voor eenigen, glorie voor niemand; zoodanig was deze oorlog,

begonnen door vorsten, die afstamden van Lodewijk XIV, en geleid door

generaals, die afkwamen van Napoleon. Zij had het treurige lot, noch

den grooten oorlog, noch de groote politiek in herinnering te brengen.

Eenige wapenfeiten waren van beteekenis; de inneming van het Trocadero

o. a. was een schoone militaire daad; maar over 't algemeen geven

de trompetten van dien oorlog een gebarsten geluid, het geheel

was verdacht, de geschiedenis erkent Frankrijk's moeilijkheid in

de aanneming van den valschen triomf. Het bleek klaar, dat sommige

Spaansche officieren met den weerstand belast, te gemakkelijk toegaven,

het idée van omkooping plaatste zich naast de overwinning; het scheen,

dat men eerder de generaals dan de veldslagen had gewonnen, en de

overwinnende keerde beschaamd terug. Een treurige oorlog waarlijk,

waarin men Bank van Frankrijk lezen kon in de plooien der vlag!

Soldaten uit den oorlog van 1808, op wie Saragossa geweldig inéén was

gestort, fronsten de wenkbrauwen in 1823 bij de gemakkelijke opening

der citadellen, en begonnen Palafox te betreuren.

En nog een gezichtspunt is er, dat zeer in 't oog moet worden gevat:

deze oorlog, die den militairen geest neerdrukte, verontwaardigde

dien der democratie. Het was een poging tot onderwerping, tot

dienstbaarmaking. In dien veldtocht was het doel van den Franschen

soldaat, zoon der democratie, de overwinning van een juk voor

anderen. Afschuwelijke tegenstrijdigheid.

Frankrijk is er voor aangewezen, om den geest der volkeren op

te wekken, niet om dien te verstikken. Sedert 1792 zijn alle

revoluties van Europa de Fransche Revolutie; de vrijheid straalt

uit van Frankrijk. De vrijheid is daar de zon. Wie het niet ziet,

is blind! Napoleon heeft het gezegd.

De oorlog van 1823, aanslag op de edelmoedige Spaansche natie, was

dus tevens een aanslag op de Fransche Revolutie. En deze weg van

monsterachtig geweld werd door Frankrijk ingeslagen; door geweld;

want, buiten en behalve de bevrijdingsoorlogen, geschiedt alles

wat de legers doen door geweld. Het woord lijdelijke gehoorzaamheid

duidt het aan. Een leger is een vreemd meesterstuk van samenstel,

waarin de kracht en de macht het gevolg is eener enorm groote som

van onmachtige grootheden. Zoo laat zich de oorlog verklaren, door

de menschheid tegen de menschheid gevoerd, ondanks de menschelijkheid.

Wat de Bourbons betreft, hun was de oorlog van 1823 noodlottig. Zij

hielden hem voor een succes. Zij zagen niet, welk gevaar er in is

gelegen, een idée te laten dooden door een wachtwoord. Zij vergisten

zich in die mate, dat ze, onnoozel genoeg, in hun staatsinstelling als

krachtselement opnamen de onberekenbare verzwakking van een misdaad. De

geest van misleiding en verraad kwam in hun politiek. De kiem van 1830

ligt in 1823. De veldtocht van Spanje werd in hun raadsvergaderingen

een argument voor de Coup's de force en voor de avonturen van het

goddelijk recht. Frankrijk, dat el rey neto hersteld had in Spanje,

kon daar ook den absoluten koning herstellen. Zij vervielen in die

jammerlijke dwaling, dat ze de gehoorzaamheid van den soldaat voor

de toestemming der natie hielden. Dat vertrouwen is de ondergang der

tronen. Men mag evenmin inslapen in de schaduw van een leger als in

die van een giftappelboom.

Maar laten we tot de Orion terugkeeren.

Gedurende de operaties van het leger, aangevoerd door den

prins-generalissimus, kruiste een escader in de Middellandsche

Zee. We zeiden reeds dat de Orion bij dat escader hoorde en dat

het door verschillende zee-omstandigheden in de haven van Toulon

was teruggevoerd.

De aanwezigheid van een oorlogsschip in een haven heeft steeds zeker

iets, dat de menigte lokt en bezig houdt.

Het komt omdat het iets grootsch is, en de menigte het grootsche

bemint.

Een linieschip is een der heerlijkste samenwerkingen van het

menschelijk genie met de macht der natuur.

Een linieschip is samengesteld uit het zwaarste en het lichtste tevens,

wijl het tegelijkertijd met de drie vormen der stof te doen heeft,

met den vasten, vloeibaren en luchtvormigen, en met alle drie moet

worstelen. Het heeft elf ijzeren klauwen om het graniet op den bodem

der zee te grijpen, en meer vleugels en vliezen dan eenig insect,

om den wind in de wolken te vatten. Zijn adem komt uit zijn honderd

twintig kanonnen als uit groote klaroenen, en komt met den donder

overeen. De oceaan tracht het te doen verdwalen in de vreeselijke

gelijkheid zijner golven, maar het schip heeft zijn ziel, zijn kompas,

die het raad geeft en immer het noorden wijst. In donkere nachten

vervangen zijn lantaarns de sterren. Het heeft dus touw en doek tegen

den wind, hout tegen het water, ijzer, koper en lood tegen de rots,

licht tegen de duisternis, een wijzer tegen de onmetelijkheid.

Om zich een denkbeeld te maken van al de reusachtige verhoudingen, wier

geheel het linieschip vormt, behoeft men slechts een der overdekte

hellingen van zes verdiepingen van Brest of van Toulon binnen te

gaan. De daar in aanbouw zijnde schepen staan om zoo te zeggen onder

een stolp. Die reusachtige balk is een ra; deze groote, op den grond

liggende, schier onafzienbare kolom is de groote mast. Van zijn wortel

in de kiel tot aan zijn top in de wolken is hij zestig vademen lang,

en aan zijn basis drie voet in middellijn. De groote Engelsche mast

verheft zich tweehonderd zeventien voet boven de waterlinie. In

vroegeren tijd gebruikte de marine kabels, thans kettingen. De enkele

stapel kettingen op een schip van honderd stukken is vier voet hoog,

twintig voet lang, acht voet breed. En hoeveel hout is er noodig om

zulk een schip te maken? Drie duizend wissen, (vierkante ellen). 't

Is een drijvend woud.

En, men bedenke wel, wij spreken hier slechts van het oorlogsschip

van voor veertig jaren, van het gewone zeilschip; de stoom, toen in

haar geboorte, heeft sedert nieuwe mirakelen gevoegd bij dat wonder,

't welk een oorlogsschip heet. Op dit oogenblik, bij voorbeeld, is

het zeil- en stoomschip een wonderbare machine, voortgestuwd door

een zeilwerk van drie duizend vierkante ellen oppervlakte en een

stoomvermogen van twee duizend vijfhonderd paardekrachten.

Zonder van deze nieuwe wonderen te spreken, is zelfs het oude schip van

Christophorus Columbus en de Ruyter een der grootste kunstgewrochten

van den mensch. Zijn kracht is onuitsprekelijk als het oneindige,

het bewaart den wind in zijn zeilen, het beweegt zich met juistheid

in de ontzaggelijke verwarring der golven; het drijft en heerscht.

Evenwel komt een oogenblik, dat de rukwind deze zestig voet lange ra

als een stroohalm breekt, dat de storm dezen vierhonderd voet hoogen

mast als een riet buigt; dat dit anker 't welk tien duizend pond weegt,

in den muil der baren gekromd wordt als de vischangel in de kieuwen

van een snoek; dat deze monsterachtige kanonnen een jammerend maar

vruchteloos gebrul slaken, 't welk de orkaan in de lucht en den nacht

wegvoert; dat al deze macht, al deze majesteit in een hoogere macht

en majesteit verdwijnen.

Wanneer een ontzaggelijke kracht zich ontwikkelt om in een

ontzaggelijke zwakheid onder te gaan, trekt dit de aandacht des

menschen. Daardoor worden in de zeehavens de nieuwsgierigen, zonder

dat zij er zich zelven rekenschap van geven, tot deze wonderbare

werktuigen van den oorlog en de zeevaart gelokt.

Alzoo waren dagelijks van 's morgens tot 's avonds de kaden en de

havenhoofden van Toulon bedekt met een aantal nieuwsgierigen en

straatslijpers, om naar de Orion te kijken.

Sinds lang was de Orion een uitgediend schip. Op zijn vorige tochten

hadden zich dikke schelplagen aan zijn kiel gehecht, zoodat het

de helft van zijn snelheid had verloren; ten vorigen jare was

het op het droog gehaald om de schelpen er af te krabben, en toen

was het weder in zee gelaten. Maar deze afkrabbing had de bouten

der kiel beschadigd. Op de hoogte der Balearische eilanden had de

sluitrand sterk gewerkt en zich geopend, en dewijl destijds nog geen

ijzeren bekleedingen bestonden, was het schip lek geworden. Een dier

hevige evennachtsstormen had aan bakboordszijde het galjoen en een

geschutpoort ingeslagen, en de fokkemast beschadigd. Tengevolge dezer

averij was de Orion naar Toulon teruggekeerd.

Het schip lag bij het Arsenaal vertuid. Het was nog gewapend en men

was bezig het te herstellen. De romp was aan stuurboordzijde niet

beschadigd, maar, naar gewoonte, was de buitenhuid hier en daar

geopend om lucht in 't hol te laten.

Op zekeren ochtend waren de toeschouwers getuigen van een ontzettend

ongeluk.

De equipage was bezig met de zeilen te reven. De matroos, wien gelast

was het groote marszeil aan stuurboordzijde te vatten, verloor het

evenwicht. Men zag hem waggelen: de menigte op de kade van het arsenaal

verzameld slaakte een kreet, het hoofd sleepte het lichaam mede, de

man draaide om de ra met de handen naar den afgrond gekeerd; hij greep

in zijn val eerst met de eene, toen met de andere hand de ralijn en

bleef er aan hangen. De zee was tot een duizelingwekkende diepte onder

hem. De schok van zijn val had aan de ralijn een geweldig schommelende

beweging gegeven. De man slingerde aan dat touw heen en weder.

't Was ontzettend gevaarlijk hem te hulp te komen. Geen der matrozen,

allen kustvisschers, die eerst onlangs in dienst waren gekomen, durfde

het wagen. Intusschen werd de ongelukkige matroos vermoeid; men kon

zijn doodsangst wel niet op zijn gezicht zien, doch aan al zijn leden

bespeurde men uitputting. Zijn armen rekten zich vreeselijk. Iedere

poging, welke hij deed om zich op te werken, diende slechts om de

ralijn te meer te doen slingeren. Hij schreeuwde niet, ten einde geen

kracht te verliezen. Men verwachtte elk oogenblik niets anders dan

hem het touw te zien loslaten, en telkens draaiden zich de hoofden

om, ten einde hem niet te zien vallen. Er zijn oogenblikken, dat

een eind touw, een staak, een boomtak het leven zelf is, en 't is

vreeselijk om te zien, dat een levend wezen het loslaat en als een

rijpe vrucht neervalt.

Eensklaps zag men een man met de vlugheid van een kat in het want

klimmen. Deze man was in 't rood gekleed; hij was dus een galeislaaf;

hij had een groene muts op, dus een levenslang veroordeelde. Ter

hoogte der mars gekomen, wierp een windvlaag hem de muts af en deed

een geheel wit hoofd zien; hij was dus niet jong.

Inderdaad, een tuchteling, die met anderen uit het bagno op het schip

voor eenigen arbeid werd gebruikt, was dadelijk naar den officier van

de wacht geijld, en onder de verwarring en ontsteltenis der geheele

equipage, terwijl alle matrozen huiverden en terugtraden, had hij

den officier verlof gevraagd zijn leven te mogen wagen om den man te

redden. Op een toestemmend gebaar van den officier had hij met éénen

hamerslag de keten, waaraan zijn been was geboeid, stuk geslagen;

daarna greep hij een touw en had zich in 't want geslingerd. Niemand

had opgemerkt hoe gemakkelijk de keten stuk geslagen was. Eerst later

herinnerde men zich dit.

In een oogenblik was hij op de ra. Hij hield eenige seconden stil en

scheen ze met zijn blik te meten. Deze seconden, gedurende welke de

wind den matroos aan een draad schommelde, schenen eeuwen voor hen die

't aanschouwden. Eindelijk hief de tuchteling de oogen ten hemel en

deed een stap vooruit. De menigte ademde ruimer. Men zag hem over de ra

gaan. Toen hij aan 't eind was gekomen, bond hij een touw, dat hij had

medegebracht, er aan vast en liet het andere eind hangen; vervolgens

liet hij zich langs dit touw afglijden en in doodelijken angst zag

men nu, in plaats van één, twee menschen boven den afgrond hangen.

't Was als een spin, die zich op een vlieg werpt, maar hier bracht

de spin het leven en niet den dood. Duizenden oogen waren op deze

groep gericht. Geen kreet, geen woord, een gelijke siddering fronste

aller wenkbrauwen. Aller monden hielden den adem in, als vreesden zij

het minste tochtje te voegen bij den wind, die de beide rampzaligen

bengelde.

't Was intusschen den tuchteling gelukt tot den matroos te dalen,

't was ook tijd; een minuut langer en de uitgeputte, wanhopende man

zou zich in den afgrond hebben laten vallen; de tuchteling had hem

stevig aan het touw vastgebonden, waaraan hij zich met de eene hand

hield, terwijl hij met de andere zich opwerkte. Eindelijk zag men

hem weder op de ra klauteren en den matroos ophijschen; hij liet

hem hier een oogenblik rusten om hem zijn krachten te doen hernemen;

vervolgens nam hij hem in zijn armen en droeg hem over de ra tot aan

het ezelshoofd, en van daar in de mars, waar hij hem in de handen

zijner kameraden gaf. Op dit oogenblik brak een levendig gejuich uit,

oude galei-opzichters weenden, vrouwen vlogen elkander op de kade om

den hals; en men hoorde uit aller mond, met een soort van verteederde

woede den kreet: genade voor dien man!

Hij was intusschen terstond naar beneden geklommen, om zijn werk te

hervatten. Om er te spoediger te zijn, liet hij zich langs het want

glijden en liep over een benedenra. Aller oogen volgden hem. Een

oogenblik schrikte men; hetzij dat hij vermoeid was, hetzij dat hij

duizelde, men meende hem te zien aarzelen en waggelen. Eensklaps

slaakte de menigte een luiden kreet; de tuchteling was in zee gevallen.

Een gevaarlijke val. Het fregat de Algesiras lag naast de Orion

en de arme tuchteling was tusschen beide schepen gevallen. Het was

te vreezen, dat hij onder het eene of het andere zou drijven. Vier

mannen sprongen haastig in een sloep. De menigte moedigde hen aan;

opnieuw waren alle harten in angst. De man was niet weer boven

water gekomen. Hij was in de zee gevallen zonder een rimpel achter

te laten, als ware hij in een ton olie gevallen. Men peilde, men

dook. Vruchteloos. Men zocht tot den avond; men vond zelfs het

lichaam niet.

Den volgenden dag bevatte het dagblad van Toulon deze weinige

regelen:--"17 November 1823.--Gisteren is een tuchteling, die aan

boord van den Orion op corvée was, nadat hij een matroos uit een

doodsgevaar had gered, in zee gevallen en verdronken. Men heeft

zijn lijk niet kunnen wedervinden. Men vermoedt dat hij onder de

palen aan den kant van 't Arsenaal is geraakt. Deze man stond in

't gevangenisregister onder No. 9430 en heette Jean Valjean."

BOEK III.

VERVULLING VAN DE BELOFTE AAN DE STERVENDE GEDAAN.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE WATERTOESTAND TE MONTFERMEIL.

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 6 / 24 段