en vervolgens deze vrede, deze schim, verduisterde ook geen oogenblik
het oneindig oog voor 't welk de worm, die van de eene grasspriet op
de andere kruipt, even belangrijk is als de arend die van torenspits
tot torenspits naar de Notre-Dame vliegt.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
HET SLAGVELD DES NACHTS.
Wij moeten nog eenmaal naar het noodlottig slagveld terugkeeren.
't Was den 18 Juni 1815 volle maan. Deze helderheid begunstigde de
wreede vervolging van Blücher, verried het spoor der vluchtenden,
leverde deze rampzalige massa aan de verwoede Pruisische cavalerie
over, en was in 't moorden behulpzaam. Bij dergelijke rampspoeden
toont de nacht zich dikwijls zoo welwillend.
Na het laatste kanonschot, bleef de vlakte van Mont-Saint-Jean
verlaten.
De Engelschen betrokken het kamp der Franschen; in het bed van den
overwonneling te slapen is de gewone bekrachtiging der overwinning. Zij
richtten hun bivouakken op aan gene zijde van Rossomme. De Pruisen
stormden voorwaarts om de vluchtelingen te vervolgen. Wellington
ging naar het dorp Waterloo, om zijn rapport aan lord Bathurst op
te stellen.
Zoo ooit het sic vos non vobis van toepassing was, is 't onbetwistbaar
op dat dorp Waterloo. Waterloo heeft niets gedaan en bleef een half
uur van 't slagveld. Mont-Saint-Jean werd gebombardeerd, Hougomont
werd verbrand, Papelotte werd verbrand, Plancenoit werd verbrand,
la Haie-Sainte werd stormenderhand ingenomen, la Belle-Alliance zag
de omhelzing der twee overwinnaars; men kent nauwelijks deze namen,
en Waterloo, dat niets tot den slag heeft toegebracht, heeft er al
de eer van.
Wij behooren niet tot dezulken die den oorlog vleien; wanneer de
gelegenheid zich voordoet, zeggen wij hem de waarheid. De oorlog
heeft afgrijselijke schoonheden, welke wij niet verheeld hebben;
hij heeft ook, wij erkennen het gaarne, zijn afzichtelijkheden. Een
der treffendste is de spoedige ontkleeding en berooving der dooden na
de overwinning. De morgenstond, die op een veldslag volgt, beschijnt
steeds naakte lijken.
Wie doet dat? Wie bezoedelt aldus de overwinning? Wie is die
afschuwelijke, vlugge hand, die in den zak der overwinning sluipt? Wie
zijn de gauwdieven, die achter den roem hun slag waarnemen? Eenige
philosofen, Voltaire onder anderen, beweren, dat het juist dezulken
zijn, die den roem verworven hebben. 't Zijn dezelfden, zeggen zij,
geen anderen; zij die staan, plunderen degenen die liggen. De held van
den dag is de vampier van den nacht. Men heeft toch in allen geval wel
het recht, om het lijk dat ons werk is, een weinig te plunderen. Wij
gelooven dit echter niet. 't Komt ons onmogelijk voor, dat dezelfde
hand die lauweren heeft geplukt, de schoenen van een doode kan stelen.
Zeker is het, dat na de overwinnaars gewoonlijk de dieven komen. Maar
beschuldigen wij den soldaat, vooral den soldaat van den tegenwoordigen
tijd niet.
Ieder leger heeft een tros, en dezen moet men
beschuldigen. Vleermuisachtige wezens, half roovers, half knechts, alle
soort van gespuis, 't welk uit de duisternis geboren wordt, die men
oorlog noemt; uniform dragenden, die niet vechten; geveinsde zieken;
verminkten; cantine-houders, die soms met hun vrouwen op karretjes
sluikswijze medetrekken en stelen wat zij verkoopen; bedelaars, die
zich als gidsen bij de officieren aanbieden; trosboeven; stroopers--dit
alles sleepten eertijds--wij spreken niet van den tegenwoordigen
tijd--de marcheerende legers mede, en dit werd op eigenaardige wijze
de "nakomers" (traînards) genoemd. Geen leger, geen natie was voor
deze wezens verantwoordelijk; zij spraken Italiaansch en volgden de
Duitschers; zij spraken Fransch en volgden de Engelschen. Door een
dezer ellendelingen, een Spaansch "nakomer" die Fransch sprak, werd de
markies Fervacques, die, door zijn Picardisch koeterwaalsch misleid,
hem voor een der onzen hield, verraderlijk vermoord en uitgeplunderd,
op het slagveld zelf in den nacht, die op de overwinning van Cérisolles
volgde. Uit het stroopen ontstond de strooper. De verfoeielijke
grondstelling: "Van den vijand leven" bracht dezen kanker voort, die
slechts een strenge krijgstucht genezen kon. Er zijn bedriegelijke
beroemdheden; men weet niet altijd, waarom zekere, schoon overigens
groote, generaals zoo populair zijn geweest. Turenne werd door zijn
soldaten aangebeden, wijl hij de plundering veroorloofde; het vergunde
kwaad maakt een deel der goedheid uit; Turenne was zoo goed, dat hij
den Palz te vuur en te zwaard liet verwoesten. In het gevolg des legers
vond men meer of minder stroopers, naar gelang de bevelhebber min of
meer streng was. Hoche en Marcheau hadden geen "nakomers;" Wellington,
wij laten hem gaarne deze gerechtigheid wedervaren, had er weinig.
Men plunderde evenwel in den nacht van den 18 op den 19 Juni de
dooden. Wellington was streng; hij beval ieder die op heeter daad
betrapt werd dood te schieten; maar de roof is hardnekkig. De stroopers
dreven in den eenen hoek van het slagveld hun spel, terwijl men hen
in den anderen doodschoot.
De maan scheen akelig op de vlakte.
Tegen middernacht sloop of liever kroop een man nabij den hollen
weg van Ohain. 't Was, naar alle waarschijnlijkheid, een derzulken,
welke wij zooeven geschetst hebben, noch Engelschman, noch Franschman,
noch boer, noch soldaat, veeleer een vampier dan een mensch, door
den reuk der lijken gelokt, voor wien diefstal overwinning was, en
gekomen om Waterloo te berooven. Hij was in een kiel gekleed, die iets
van een kapotjas had; onrustig en stoutmoedig ging hij voort, echter
telkens omziende. Wie was deze man? De nacht kende hem waarschijnlijk
beter dan de dag. Hij had geen ransel, maar blijkbaar groote zakken
onder zijn kapotjas. Van tijd tot tijd bleef hij staan, keek rondom
zich over de vlakte, als om te zien of hij ook werd opgemerkt, bukte
schielijk, verschoof iets zwijgends en onbewegelijks op den grond,
richtte zich weer op en ging verder. Zijn sluipende tred, zijn houding,
zijn haastige geheimzinnige beweging deden hem een dier avondspoken
gelijken, welke de bouwvallen bewonen, en waarvan de Normandische
legenden spreken.
Sommige vogels vertoonen des nachts dergelijke gedaanten in de
moerassen.
Een scherpe blik zou in die geheele schemering op eenigen
afstand, achter een vervallen huis, ter plaatse waar de weg van
Nivelles dien van Mont-Saint-Jean naar Braine-l'Alleud kruist,
een marketenterskarretje hebben bespeurd, met een kap van geteerd
twijgwerk, en bespannen met een hongerigen knol, die tusschen het
gebit brandnetels knabbelde, en in het karretje een soort van vrouw,
op kisten en pakken gezeten. Misschien bestond er wel betrekking
tusschen dit karretje en dien strooper.
't Was een heldere duisternis. Geen wolk was aan den hemel. Schoon
de aarde ook rood zij, de maan blijft wit. Zoo onverschillig is de
hemel in vele opzichten voor de aarde. Op de weiden wiegelden zich
in den avondwind de boomtakken, die de kogels gebroken, maar niet
afgeschoten hadden. Een koeltje, schier een ademtocht, bewoog de
struweelen. Het gras rilde, alsof er zielen uit opstegen.
In de verte hoorde men flauw het komen en gaan der patrouilles en
rondes van het Engelsche legerkamp.
Hougomont en la Haie Sainte brandden nog en vormden, het een in 't
westen, het ander in 't oosten, twee groote vlammen, waaraan zich,
als een snoer van losse robijnen, met twee karbonkels aan beide einden,
de rij der Engelsche wachtvuren sloot, die in een wijden halven kring
op de heuvelen in de verte verspreid waren.
Wij hebben den rampspoed in den hollen weg van Ohain verhaald. Het
hart beeft als men aan dezen gruwzamen dood van zoovele dapperen denkt.
Zoo er iets vreeselijks is, zoo er een werkelijkheid boven de
voorstelling gaat, is het dit: te leven, de zon te zien, in het
volle bezit van mannelijke kracht, gezond en vroolijk te zijn,
hartelijk te lachen, naar een roem te ijlen, dien men voor zich
ziet schitteren, zijn borst te voelen ademen, zijn hart te kloppen,
een redelijken wil te hebben, te spreken, te denken, te hopen, te
beminnen, een moeder, een gade, kinderen te hebben, het licht te zien,
en eensklaps, in den tijd van een kreet, in minder dan een minuut
in een afgrond te verzinken, te vallen, te rollen, te verpletteren,
verpletterd te worden, koornaren, bloemen, bladeren, takken te zien,
zonder zich aan iets te kunnen vasthouden, zijn sabel nutteloos,
mannen onder zich, paarden boven zich, vruchteloos worstelen, de
beenderen door 't spartelen van een paard in de duisternis gebroken,
de oogen uitgetrapt, te stikken, te wringen, te krijten, en te moeten
zeggen: zooeven leefde ik nog.
Waar dit vreeselijk ongeluk had plaats gehad, was alles nu stil. De
holle weg was tot aan den kant der glooiingen met paarden en menschen
gevuld. Een ijselijke toestand. Er waren geen glooiingen meer,
de lijken maakten de vlakte gelijk met den hollen weg, die als
een korenmaat tot aan den rand vol was. Een hoop dooden van boven,
een stroom bloeds beneden, aldus was deze weg in den avond van 18
Juni 1815. Het bloed stroomde tot op den straatweg van Nivelles en
vormde er een grooten plas vóór den hoop boomen, die den straatweg
versperde, op een plek welke men nog aanduidt. Men herinnere zich,
dat op het tegenovergestelde punt, naar den kant van Genappe, de ramp
der kurassiers had plaats gehad. De dikte van den hoop lijken was
geëvenredigd aan de diepte van den hollen weg. Omstreeks het midden,
ter plaatse waar hij vlakker werd en de divisie Delord was overgegaan,
was de hoop lijken dunner.
De nachtelijke zwerver, dien wij den lezer hebben aangewezen, ging
naar die zijde. Hij doorsnuffelde dit groote graf. Hij hield een
afgrijselijke revue over deze dooden. Hij waadde door het bloed.
Eensklaps stond hij stil.
Eenige schreden voor hem, in den hollen weg, op het punt waar de hoop
dooden eindigde, kwam uit dien stapel menschen en paarden een open
hand te voorschijn, die door de maan beschenen werd.
Aan een vinger van die hand zat iets dat glinsterde, een gouden ring.
De man bukte, bleef een oogenblik gebogen, en toen hij zich oprichtte
was aan de hand geen ring meer.
Hij richtte zich eigenlijk niet op, maar bleef in een schuwe, woeste
houding, met den rug naar de dooden gekeerd; hij boog het bovenlijf
omlaag en liet het op de vingers rusten, die op den grond steunden,
terwijl hij loerend het hoofd over den kant van den hollen weg stak. De
vier pooten van den jakhals passen voor sommige handelingen.
Toen hij een besluit had genomen, richtte hij zich overeind. Op
't zelfde oogenblik maakte hij schier een buiteling. Hij voelde,
dat men hem van achter vasthield.
Hij keerde zich om; 't was de open hand, die zich gesloten en den
slip van zijn kapotjas gegrepen had.
Een eerlijk man zou ontsteld zijn geweest. Deze lachte.
"O," zeide hij, "'t is slechts de doode. Ik heb liever met een spook
dan met een gendarm te doen."
Maar de hand verzwakte en liet los. Een inspanning duurt slechts kort
in het graf.
"Ha," hernam de strooper, "is deze doode levend? Laat ons zien."
Opnieuw bukte hij, woelde in den hoop, verwijderde wat hem hinderde,
greep de hand, omklemde den arm, maakte het hoofd vrij, trok aan
het lichaam, en eenige oogenblikken later sleepte hij in de schaduw
van den hollen weg een zielloos, althans bewusteloos, mensch. 't
Was een kurassier, een officier, zelfs een officier van voornamen
rang; een dikke gouden epaulet kwam uit zijn kuras te voorschijn;
de officier had geen helm meer. Een geweldige sabelhouw had zijn
gezicht gewond, waarop men enkel bloed zag. Overigens scheen geen
zijner leden gebroken te zijn; en door een gelukkig toeval, als wij
't zoo mogen noemen, hadden de dooden een boog boven hem gevormd,
die hem voor verplettering behoed had. Zijn oogen waren dicht.
Hij droeg op zijn kuras het zilveren kruis van het legioen van eer.
De strooper rukte dit kruis af, 't welk in een der holen verdween,
die hij onder zijn kapotjas had.
Daarna betastte hij 't horlogezakje van den officier, voelde een
horloge en nam het. Voorts onderzocht hij het vest, vond er een beurs
en stak ze in zijn zak.
Toen hij zoo ver was gekomen met de hulp, welke hij den stervende
bracht, opende de officier de oogen.
"Ik dank u," zeide hij flauw.
De levendigheid der bewegingen van den man, die hem hanteerde, de
frischheid van den nacht, de vrijelijk ingeademde lucht hadden hem
uit zijn verdooving gewekt.
De strooper antwoordde niet. Hij hief het hoofd op. Op de vlakte
hoorde men het gerucht van voetstappen, waarschijnlijk een naderende
patrouille.
De officier stamelde, met de stem eens zieltogenden:
"Wie heeft den slag gewonnen?"
"De Engelschen," antwoordde de strooper.
De officier hernam:
"Zoek in mijn zakken. Ge zult er een beurs en een horloge vinden. Neem
ze."
Dit was reeds geschied.
De strooper deed alsof hij ze zocht en zeide:
"Er is niets."
"Dan heeft men mij bestolen." hernam de officier, "'t spijt mij. 't
Zou voor u zijn geweest."
De voetstappen der patrouille werden steeds duidelijker.
"Men nadert," zei de strooper, de beweging makende van zich te
verwijderen.
De officier lichtte met moeite den arm op en hield hem tegen.
"Gij hebt mij 't leven gered. Wie zijt ge?"
De strooper antwoordde haastig en zacht:
"Ik behoorde evenals gij tot het Fransche leger. Ik moet u
verlaten. Zoo men mij vatte, zou men mij dood schieten. Ik heb u het
leven gered. Help nu u zelven."
"Welken rang hebt ge?"
"Sergeant."
"Hoe heet ge?"
"Thénardier."
"Ik zal dien naam niet vergeten," zei de officier. "En onthoud gij
den mijnen. Ik heet Pont-mercy."
BOEK II.
HET SCHIP DE ORION.
EERSTE HOOFDSTUK.
NOMMER 24601 WORDT NOMMER 9430.
Jean Valjean was weder gevat.
Men zal ons ten goede houden, dat wij haastig over smartelijke
bijzonderheden heenstappen. Wij zullen alleen twee berichtjes
overschrijven, die door de dagbladen werden gepubliceerd eenige
maanden na de verwonderlijke gebeurtenissen te M. sur M.
Deze berichten zijn vrij beknopt. Men herinnere zich, dat op dat
tijdstip nog geen Gazette des Tribunaux bestond.
Het eerste ontleenen wij aan de Drapeau blanc. Het draagt de
dagteekening van 25 Juli 1823.
"--Een arrondissement van Pas-de-Calais is het tooneel eener
ongewone gebeurtenis geweest. Een vreemdeling in het departement,
Madeleine genoemd, had sedert eenige jaren, door een nieuwe wijze
van bewerking, een oude plaatselijke industrie, de fabricage van git
en zwart glaswerk, uit het verval opgeheven. Hij had er zijn fortuin
door gemaakt, en, men mag zeggen, ook dat van het arrondissement. Uit
dankbaarheid voor zijn diensten had men hem tot maire benoemd. Nu heeft
de politie ontdekt, dat Madeleine niemand anders was dan een voormalige
galeislaaf, die zijn ban heeft verbroken, in 1796 wegens diefstal
veroordeeld was en Jean Valjean heette. Jean Valjean is opnieuw naar
het bagno gezonden. Het schijnt, dat hij vóór zijn inhechtenisneming
bij den heer Laffitte een som van meer dan een half millioen, welke
hij er geplaatst had, heeft teruggenomen, welke som hij overigens,
zoo men zegt, eerlijk met zijn handel verdiend heeft. Men heeft
niet kunnen ontdekken waar Jean Valjean deze som heeft verborgen,
toen hij in het bagno van Toulon terugkwam."
Het tweede meer uitvoerig bericht is ontleend aan het Journal de
Paris van dezelfde dagteekening:
"--Een voormalig ontslagen galeislaaf, met name Jean Valjean, is
onder zeer opmerkelijke omstandigheden voor het hof van assises van
Var verschenen. Dezen booswicht was 't gelukt, aan de waakzaamheid
der politie te ontsnappen; hij had zijn naam veranderd en was er in
geslaagd, zich in een onzer kleine steden in het noorden tot maire te
doen benoemen. Hij had in die stad een vrij aanzienlijk handelshuis
gevestigd. Maar ten laatste is hij ontmaskerd en in hechtenis genomen,
dank zij den onvermoeiden ijver van het openbaar ministerie. Hij
had tot bijzit een publieke vrouw, die op het oogenblik zijner
gevangenneming van schrik overleden is. Deze ellendeling, die de
kracht van een reus bezit, had middel gevonden te ontvluchten, maar
drie of vier dagen na zijn vlucht vatte de politie hem opnieuw te
Parijs, juist toen hij in een der kleine rijtuigen steeg, die van
de hoofdstad naar het dorp Montfermeil (Seine-et-Oise) rijden. Men
zegt, dat hij zich dezen tijd van drie of vier dagen vrijheid ten
nutte had gemaakt om een aanzienlijke som, welke hij bij een onzer
voornaamste bankiers had geplaatst, terug te nemen. Men schat deze som
op zes- of zevenhonderd duizend francs. Hij zou ze, volgens de akte
van beschuldiging, begraven hebben op eene hem alleen bekende plek,
en men heeft ze niet kunnen ontdekken, hoe het zij, de genoemde Jean
Valjean is voor het hof van assises van het departement du Var gevoerd,
als beschuldigd van diefstal op den openbaren weg, gewapenderhand
gepleegd, nu omstreeks acht jaar geleden, op een dier eerlijke knapen,
die, gelijk de patriarch van Ferney in onsterfelijke dichtregelen zegt:
"--de Savoie arrivent tous les ans
"Et dont la main légèrement essuie
"Ces longs canaux engorgés par la suie. [3]
"Deze bandiet heeft geweigerd zich te verdedigen. 't Is door het
bekwaam en welsprekend orgaan van het openbaar ministerie bewezen,
dat de dief medeplichtigen had en Jean Valjean tot een bende dieven
van 't zuiden behoorde. Bijgevolg is Jean Valjean schuldig verklaard
en tot de straffe des doods veroordeeld. De misdadiger had geweigerd
zich in cassatie te voorzien. De koning heeft, in zijn onuitputtelijke
goedertierenheid, zich verwaardigd zijn straf te verzachten en ze in
eeuwigdurenden dwangarbeid te veranderen. Jean Valjean is terstond
naar het bagno van Toulon overgebracht."
Men zal niet vergeten hebben, dat Jean Valjean te M. sur M. de
plichten van zijnen godsdienst trouw vervulde. Sommige dagbladen,
onder andere de Constitutionnel, stelden deze verzachting van straf
voor als het werk der priesterpartij.
Jean Valjean kreeg in het tuchthuis een ander nommer. Hij heette 9430.
Zeggen wij overigens, om er niet op terug te komen, dat met Madeleine
ook de bloei van M. sur M. verdween; al wat hij had voorzien in dien
bewusten radeloozen nacht verwezenlijkte zich; toen hij weg was,
was inderdaad de ziel weg. Na zijn val volgde te M. sur M. die
zelfzuchtige verdeeling van gevallen grootheid, die noodlottige
verbrokkeling van bloeiende zaken, welke dagelijks onopgemerkt in
de menschelijke maatschappij voorkomt, en waarvan de geschiedenis
alleen melding heeft gemaakt, toen zij na den dood van Alexander
plaats had. De onderbevelhebbers werpen zich tot koningen op; de
meesterknechts maken zich tot fabrikanten. Afgunstige mededinging
verhief zich. De groote werkplaatsen van Madeleine werden gesloten;
de gebouwen vervielen; de werklieden verstrooiden zich. Eenigen
verlieten het oord, anderen het beroep. Nu werd alles in 't klein,
in plaats van in 't groot, gedreven; voor 't eigen voordeel, in
plaats van voor 't algemeen welzijn. Er was geen middelpunt meer;
overal concurrentie en vijandigheid. De heer Madeleine had alles
beheerscht en bestierd. Nu hij was gevallen, haalde ieder wat hij
kon; de geest van strijd verving den geest van samenwerking; ruwheid
de hartelijkheid, onderlinge haat de welwillendheid des stichters
jegens een ieder; de door Madeleine geweven draden raakten verward en
braken; men vervalschte de fabrikaten, het fabrikaat werd slechter,
het vertrouwen hield op, het vertier nam af, het loon verminderde,
het werk werd gestaakt, de zaak ging op de flesch. Voor de armen
bleef niets meer. Alles verdween.
Zelfs de Staat bespeurde, dat ergens iets vernietigd moest zijn. Eer
vier jaren verloopen waren na het vonnis van het hof van assises,
dat de identiteit van Madeleine en van Jean Valjean uitsprak, waren
de vervolgingskosten ter inning der belastingen in het arrondissement
M. sur M. verdubbeld; in de maand Februari 1827 maakte de heer Villèle
deze opmerking in de Kamer.
TWEEDE HOOFDSTUK.
WAARIN MEN TWEE DICHTREGELS ZAL LEZEN, DIE MISSCHIEN VAN DEN DUIVEL
ZIJN.
Voor wij verder gaan is 't noodig, eenigszins omstandig een zonderling
feit te verhalen, 't welk te zelfder tijd te Montfermeil plaats had
en misschien niet zonder invloed was op zekere gissingen van het
openbaar ministerie.
In de omstreken van Montfermeil bestaat een zeer oud bijgeloof, te
vreemder en merkwaardiger, wijl een volksbijgeloof in de nabuurschap
van Parijs als een aloë in Siberië is. Wij behooren tot degenen die
achting voor zeldzame planten hebben. Het bijgeloof van Montfermeil
bestaat hierin: sinds onheugelijke tijden gelooft men, dat de duivel de
bosschen kiest om er zijn schatten te begraven. Oude vrouwen beweren
dat het niet zeldzaam is tegen den avond, in afgelegen hoeken van
het bosch, een zwarten man te ontmoeten, die het voorkomen van een
voerman of houthakker heeft, met klompen aan de voeten, gekleed in een
linnen broek en kiel, en herkenbaar aan twee groote hoorns, in plaats
van muts of hoed op het hoofd. Inderdaad, dit moet hem wel kenbaar
maken. Deze man is gewoonlijk bezig met een kuil te graven. Men kan
zich op drieërlei wijze bij zulk eene ontmoeting gedragen. Vooreerst,
door tot den man te gaan en hem aan te spreken. Dan ziet men dat de
man eenvoudig een boer is, dat hij zwart schijnt, omdat het avond is,
dat hij volstrekt geen kuil graaft, maar gras voor zijn koeien snijdt,
en dat zijn gewaande hoorns niets anders zijn dan een mestvork,
die hij op den rug draagt en wier tanden, op een afstand gezien,
uit zijn hoofd schijnen te komen. Men gaat naar huis en sterft binnen
een week. De tweede wijze is, hem gade te slaan, te wachten tot hij
zijn kuil gegraven, dien weder dicht gemaakt heeft en heen is gegaan:
dan haastig naar den kuil te loopen, dien te openen, en den "schat"
er uit te halen, dien de zwarte man er noodwendig heeft in gelegd. In
dat geval sterft men binnen een maand. Eindelijk de derde manier is,
den zwarten man niet toe te spreken, hem niet aan te zien en zoo snel
mogelijk weg te loopen. Men sterft dan binnen een jaar.
Aangezien alle drie manieren hare bezwaren hebben, wordt de tweede, die
ten minste eenige voordeelen biedt, onder anderen dat van--al is het
slechts gedurende een maand--een schat te bezitten, het meest gevolgd.
Naar men verzekert hebben stoutmoedige mannen zich dikwijls door de
kans laten verlokken, om de door den zwarten man gegraven kuilen weder
te openen en den duivel te bestelen. Het schijnt dat de uitkomst weinig
bevredigend is. Ten minste zoo men de overlevering mag gelooven,
en inzonderheid de beide raadselachtige versregels in barbaarsch
Latijn, omtrent deze zaak nagelaten door een Normandischen monnik,
die min of meer toovenaar was, Tryphon geheeten. Deze Tryphon is in
de abdij van St. Georges de Bocherville bij Rouaan begraven en op
zijn graf worden padden geboren.
Men doet dus groote inspanningen; deze kuilen zijn gewoonlijk zeer
diep; men zweet, delft, werkt den geheelen nacht, want dit geschiedt
's nachts; het hemd wordt nat, de kaars verbrandt, de spade wordt
bot, en wanneer men op den bodem van den kuil is gekomen, wanneer men
de hand op den "schat" legt, wat vindt men? wat is de schat van den
duivel? een stuiver, soms een kroonstuk; een steen, een geraamte, een
bloedend lijk, vaak een spook als een blad papier in een portefeuille
in vieren gevouwen, soms niets. Dit schijnen de versregels van Tryphon
den onbescheiden nieuwsgierigen aan te kondigen:
Fodit, et in fossa thesauros condit opaca,
As, nummos, lapides, cadaver, simulacra nihilque.
't Schijnt dat men er in onze dagen ook nu eens een kruithoorn met
kogels, dan weder een oud, smerig en gebrand spel speelkaarten vindt,
dat duidelijk den duivels heeft gediend. Tryphon spreekt van deze
beide dingen niet, wijl Tryphon in de twaalfde eeuw leefde en de
duivel niet zoo leep schijnt geweest te zijn het buskruit vóór Roger
Bacon en de speelkaarten vóór Karel VI uitgevonden te hebben.
Overigens is men zeker, dat, zoo men met deze kaarten speelt, men
alles verliest wat men bezit; en het buskruit in den hoorn heeft de
eigenschap, dat het u 't geweer in 't gezicht doet springen.