voetstuk aan den toekomstigen leeuw te geven, dit antwoord toegeworpen
aan den nachtregen, den verraderlijken muur van Hougomont, den hollen
weg van Ohain, de vertraging van Grouchy, de komst van Blücher;
in het graf ironisch te zijn, zoo te handelen dat men zal staande
blijven, na gevallen te zijn, in twee lettergrepen de Europeesche
coalitie te beschimpen, den koningen dit door de Cesars reeds gekende
present aan te bieden, van het laagste woord het verhevenste te
maken, Waterloo met een vastenavond-scherts te besluiten, Leonidas
met Rabelais aan te vullen, deze overwinning in een uiterste woord,
dat niet genoemd mag worden, samen te vatten, terrein te verliezen
en de geschiedenis te behouden, na zulk een bloedbad de lachers aan
zijn zijde te hebben--dit is verheven--ontzaggelijk.
't Is den bliksem hoonen. 't Bereikt de verhevenheid van Eschylus.
Het woord van Cambronne heeft de uitwerking van een breuk: het breekt
de verachting; het breekt den trots. Wie heeft overwonnen? is
't Wellington? Neen. Zonder Blücher was hij verloren. Is 't
Blücher? Neen. Zoo Wellington niet was begonnen, had Blücher niet
kunnen eindigen. Deze Cambronne, die eerst in het laatste uur
verschijnt, deze onbekende soldaat, dit oneindig kleine van den
oorlog, gevoelt dat er een logen in een rampspoed is--dubbel grievend;
en op 't oogenblik dat hij er door in woede is, biedt men hem deze
bespotting--het leven! Waarom zou hij zich inhouden? Zij zijn dáár,
al de koningen van Europa, de gelukkige veldheeren, de donderende
Jupiters; zij hebben honderd duizend zegevierende soldaten; en achter
de honderd duizend een millioen; hun kanonnen gapen, hun lonten
vlammen; zij hebben de keizerlijke garde en de groote armee onder den
voet; zij hebben Napoleon verpletterd, alleen Cambronne blijft over;
niemand is er om te protesteeren dan deze nietige aardworm. Hij
zal protesteeren. En hij zoekt een woord, evenals men een wapen
zoekt. Gal komt bij hem op, en die gal is het woord. Tegenover
deze ontzaggelijke en toch middelmatige zegepraal, tegenover deze
overwinning zonder overwinnaars, richt zich deze wanhopige op; hij
lijdt er het verschrikkelijke, maar betuigt er het nietige van; hij
doet meer dan ze te bespuwen; en onder de bezwijking van getal, kracht
en stof, vindt hij in de ziel een uitdrukking: verwerping. Wij herhalen
't, dit te zeggen, dit te doen, dit te vinden is overwinnaar zijn.
De geest der groote dagen kwam in dien onbekenden man op dit noodlottig
oogenblik. Cambronne vindt het woord voor Waterloo gelijk Rouget de
l'Isle de Marseillaise vindt, door ingeving van boven. Een straal van
den hemelstorm schiet door deze mannen; zij huiveren, en de een zingt
den zwanenzang, de ander spreekt het verheven woord. Dit woord van
reusachtige verachting werpt Cambronne, niet enkel in naam van het
keizerrijk, Europa toe, 't zou weinig zijn; hij werpt het, in naam
der revolutie, het verleden toe. Men hoort hem en herkent in Cambronne
de ziel der oude reuzen. 't Is alsof Danton spreekt, of Kleber brult.
Op het woord van Cambronne antwoordt de Engelsche stem: vuur! de
batterijen vlamden, de heuvel beefde, al deze metalen monden braakten
een laatste vreeselijk vuur; een geweldige rookwolk, flauw door de
opgaande maan beschenen, golfde daarheen, en toen de damp verdween
was er niets meer. Het vreeselijk overschot was vernietigd; de garde
was dood. De vier muren van de levende schans lagen ter aarde; met
moeite onderscheidde men hier en daar een trilling onder de lijken;
alzoo sneefden de Fransche legioenen, grooter dan de Romeinsche,
te Mont-Saint-Jean op de met regen en bloed gedrenkte aarde, in het
donkere koren, ter plaatse waar thans Jozef, de postiljon van Nivelles,
te vier uren des morgens, fluitend en vroolijk zijn paard zweepende,
voorbij rijdt.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
QUOT LIBRAS IN DUCE?
De slag bij Waterloo is een raadsel. Hij is even duister voor hen die
hem gewonnen, als voor hen die hem verloren hebben. Voor Napoleon is
't een paniek [2]; Blücher ziet er niets dan vuur; Wellington begrijpt
er niets van. Zie de rapporten. De berichten zijn onduidelijk, de
verklaringen zijn verward. Dezen stamelen, genen stotteren. Jomini
verdeelt den slag bij Waterloo in vier momenten; Muffling in drie
tooneelen; Charras, schoon hij eenige punten anders opvat dan wij,
heeft alleen met zijn fieren blik de karakteristieke omtrekken van
deze worsteling van 't menschelijk genie met de beschikking des
Hemels begrepen. Al de overige geschiedschrijvers zijn in zekere
verbijstering en zij tasten in deze verbijstering rond. Inderdaad een
bedwelmende gebeurtenis, de instorting der militaire monarchie, die,
tot ontzetting der koningen, alle koninkrijken heeft medegesleept,
de val van het geweld, de nederlaag van den oorlog.
De menschen hebben tot deze gebeurtenis, welke het merk der
bovenmenschelijke noodzakelijkheid draagt, niets toegebracht.
Wellington en Blücher Waterloo te ontnemen, is dit Engeland en
Duitschland iets ontnemen? Neen. Noch het roemrijk Engeland, noch
het doorluchtig Duitschland zijn in het probleem van Waterloo
betrokken. Den hemel zij dank, de volken zijn groot buiten de
sombere toevallen des degens. Noch Duitschland, noch Engeland, noch
Frankrijk worden door een scheede besloten. In dit tijdperk, waarin
Waterloo slechts een wapengekletter is, heeft Duitschland Goethe boven
Blücher, Engeland Byron boven Wellington. Onze eeuw verheft zich op
de ontwikkeling van den geest, en Engeland en Duitschland prijken in
heerlijken glans op dit veld. Zij zijn majestueus, wijl zij denken. De
vooruitgang der beschaving is mede hun werk, deze ontstaat uit hen en
niet door het toeval. De grootheid welke zij in de negentiende eeuw
hebben, heeft Waterloo niet tot oorsprong. Slechts barbaarsche volken
breiden zich plotseling na een overwinning uit. 't Is de vluchtige
zwelling der rivier na een stortvloed. De beschaafde volken, vooral
in den tijd dien wij beleven, stijgen of dalen niet door het geluk of
het ongeluk van een veldheer. Hun soortelijk gewicht in 't menschelijk
geslacht ontstaat uit iets meer dan uit een veldslag. Hun eer, hun
waardigheid, hun verlichting, hun genie zijn, Goddank, geen nummers,
welke de helden en veroveraars, deze hazardspelers, in de loterij
der veldslagen kunnen nemen. Vaak is een verloren veldslag, gewonnen
vooruitgang. Hoe minder roem, hoe meer vrijheid. De trom zwijgt,
de rede neemt het woord. 't Is het spel "die wint verliest." Laat
ons dus van weerszijden met kalmte over Waterloo spreken. Geven wij
het toeval wat het toeval toekomt, en aan God wat God toekomt. Wat
is Waterloo? Een overwinning? Neen. Een lot uit de loterij.
Een lot door Europa gewonnen; door Frankrijk betaald.
't Was nauwelijks der moeite waard, hiervoor een leeuw te
plaatsen. Waterloo is overigens de vreemdste ontmoeting, die in de
geschiedenis voorkomt. Napoleon en Wellington. 't Zijn geen vijanden,
't zijn tegenstrijdigheden. God, die tegenstellingen bemint,
heeft nooit opmerkelijker contrast en buitengewoner samentreffing
geschapen. Aan de eene zijde nauwkeurigheid, bedachtzaamheid,
wiskundige berekening, voorzichtigheid, verzekerde aftocht, bespaarde
reserven, een volhardende koelbloedigheid, een onwrikbare methode,
een krijgskunst die zich het terrein ten nutte maakt, een tactiek die
de bataljons in evenwicht houdt, een bloedbad met de lijn afgemeten,
de oorlog met het horloge in de hand, geregeld, niets aan het toeval
overgelaten, de oude klassieke moed, de volstrekte juistheid; aan
de andere zijde onwillekeurige ingeving en voorgevoel, de militaire
zonderlingheid, het bovenmenschelijk instinct, de vlammende blik,
iets onbekends, dat als de arend nederschiet en als de bliksem treft;
een wonderbaarlijke kunst bij een verachtende onstuimigheid, al de
verborgenheden eener diepe ziel, het verbond met het noodlot; de
stroom, de vlakte, het bosch, de heuvel, opgeroepen en eenigerwijs
gedwongen tot gehoorzaamheid, de despoot, zelfs zoover gaande van
het slagveld te tyranniseeren; het geloof aan een goed gesternte
gepaard aan de krijgswetenschap, haar uitbreidende, maar zonder
regel. Wellington was de Barême van den oorlog, Napoleon de Michel
Angelo, en ditmaal werd het genie door de berekening verwonnen.
Aan beide zijden wachtte men iemand. De nauwkeurige rekenaar
slaagde. Napoleon verwachtte Grouchy; deze kwam niet. Wellington
verwachtte Blücher: deze kwam.
Wellington is de klassieke oorlog, die revanche neemt. Bonaparte
had, bij zijn opkomst, dien oorlog in Italië gevonden en trotsch
geslagen. De oude uil was voor den jongen gier gevlucht. De oude
krijgskunst was niet alleen verpletterd, maar te schande gemaakt. Wie
was deze zesentwintigjarige korsikaan, wat beteekende deze schitterende
onbekende, die alles tegen, niets vóór zich had, zonder levensmiddelen,
zonder ammunitie, zonder geschut, zonder schoenen, schier zonder
wapens, zich met een handvol soldaten tegenover legerdrommen op
het verbonden Europa wierp en ongerijmd, tegen alle regels, schier
onmogelijke overwinningen behaalde? Wat was deze nieuweling in den
oorlog, die de stoutheid van een bovenaardsch wezen had? De militaire
hoogeschool deed hem in den ban, daar hij haar ontvluchtte. Hierdoor
ontstond een onverzoenlijke vijandschap van het oude Cesarisme tegen
het nieuwe, van de nauwkeurige sabel tegen het vlammende zwaard, en
van het schaakspel tegen het genie. Den 18 Juni had deze vijandschap
het laatste woord, en schreef, onder Lodi, Montebello, Montenotte,
Mantua, Marengo, Arcola: "Waterloo." Zege der middelmatigheid, die
de meerderheid behaagt. Het noodlot nam genoegen met deze ironie. Bij
zijn ondergang vond Napoleon een jongen Suwarow voor zich.
Om Suwarow te hebben was er inderdaad niet meer noodig dan Wellington's
haar grijs te maken.
Waterloo is een veldslag van den eersten rang, door een veldheer van
den tweeden rang gewonnen.
Wat men in den veldslag bij Waterloo moet bewonderen is Engeland,
de Engelsche standvastigheid, de Engelsche vastberadenheid, het
Engelsch bloed; wat Engeland er het heerlijkst heeft gehad, is, als
ik 't zeggen mag, zich zelf. 't Is niet zijn veldheer, 't is zijn
leger. Zonderling ondankbaar, verklaart Wellington, in een brief aan
lord Bathurst, dat zijn leger, 't welk den 18 Juni 1815 gestreden
heeft, een "afschuwelijk leger" was. Wat zegt hiervan de donkere
ontzaggelijke hoop beenderen onder de voren van Waterloo begraven?
Engeland is tegenover Wellington te nederig geweest. Wellington zoo
groot te maken is Engeland verkleinen. Wellington is slechts een gewoon
held. De grijze Schotten, de horseguards, de regimenten van Maitland
en Mitchell, de infanterie van Pack en van Kempt, de cavalerie van
Ponsonby en van Somerset, de Hooglanders die onder het schroot op
de pibroch spelen, de bataljons van Rylandt, de jonge recruten,
die nauwelijks het geweer wisten te hanteeren, en de oude benden
van Esslingen en van Rivoli het hoofd boden,--ziedaar wat grootsch
is. Wellington was volhardend, en dit was zijn eenige verdienste;
wij willen er niets op afdingen, maar de minste zijner voetknechten
en ruiters was even standvastig als hij. De iron-soldier (ijzeren
soldaat) is evenveel waard als de iron-duke (ijzeren hertog). Onze
geheele vereering is voor den Engelschen soldaat, het Engelsche leger,
het Engelsche volk. Zoo er een zegeteeken moet zijn, komt het Engeland
toe. De kolom van Waterloo zou juister zijn, zoo zij in plaats van
de gestalte eens mans, het beeld eens volks in de wolken verhief.
Maar het groote Engeland zal zich vertoornen over hetgeen wij
hier zeggen. Het heeft nog, na zijn 1688 en ons 1789, zijn feodale
hersenschim. Het gelooft aan de erfelijkheid en de hierarchie. Dit
volk, dat door geen ander in macht en roem wordt overtroffen, acht
zich als natie, niet als volk. Als volk onderwerpt het zich gewillig
en neemt een lord tot hoofd aan. Als workman (arbeider) laat het
zich verachten; als soldaat laat het zich stokslagen geven. Men weet,
dat een sergeant, die naar 't schijnt, in den slag van Inkermann het
leger gered heeft, door lord Raglan niet kon vermeld worden, wijl
de Engelsche militaire hierarchie niet veroorlooft in een rapport
melding te maken van een held beneden den rang van officier.
Wat ons bovenal treft in een ontmoeting als die van Waterloo, is
de wonderbare behendigheid van het toeval. De nachtregen, de muur
van Hougomont, de holle weg van Ohain, Grouchy doof voor het kanon,
Napoleon door den gids bedrogen, Bulow door den gids terechtgewezen,
al deze omstandigheden zijn wonderbaar bestuurd.
In 't algemeen moet gezegd worden, dat Waterloo veeleer een bloedbad
dan een veldslag was. Waterloo heeft van alle geregelde veldslagen
het kleinste front bij een zoo groot getal strijders. Napoleon drie
kwartier; Wellington een half uur; twee en zeventig duizend strijders
aan elke zijde. Uit deze gedrongenheid ontstond het bloedbad. Men heeft
deze berekening en deze verhouding gevonden: Verlies aan troepen:
te Austerlitz, Franschen, veertien percent; Russen, dertig percent;
Oostenrijkers, vierenveertig percent. Te Wagram, Franschen, dertien
percent, Oostenrijkers veertien percent. Aan de Moskowa, Franschen,
zevenendertig, Russen vierenveertig percent. Te Bautzen, Franschen,
dertien percent, Russen en Pruisen, veertien. Te Waterloo, Franschen,
zesenvijftig percent, Gealliëerden eenendertig. Gezamenlijk voor
Waterloo eenenveertig percent. Honderd vierenveertig duizend strijders;
zestigduizend dooden.
Het veld van Waterloo heeft thans de kalmte, welke aan de aarde,
als de rustige voedster van den mensch, behoort, en het gelijkt op
alle vlakten.
Des nachts evenwel stijgt er als een tooverachtige nevel op, en zoo
een reiziger er wandelt, er rondziet, er luistert, zoo hij mijmert
als Virgilius op de noodlottige vlakte van Philippes, verschijnt
het vreeselijke schouwspel voor zijn geest. De ontzettende 18 Juni
herleeft; het valsche heuvel-monument wijkt, de leeuw, hoe dan ook,
verdwijnt, het wezenlijke slagveld is er weder, infanterie-gelederen
golven over de vlakte; in woesten galop vliegt de ruiterij langs
den horizon; de verschrikte mijmeraar ziet het flikkeren der sabels,
het schitteren der bajonetten, het vlammen der bommen, en verneemt
het vreeselijke gebulder der elkander kruisende donders; hij hoort
als een gereutel in de diepte van een graf, het flauw gerucht van
het spookbeeld des veldslags; deze schimmen zijn de grenadiers;
deze flikkeringen zijn de kurassiers; dit geraamte is Napoleon;
dit geraamte is Wellington; dat alles is niet meer, en dringt en
strijdt nog; de holle wegen worden purper, en de boomen rillen; er is
zelfs woede in de wolken, en in de duisternis verschijnen op al deze
woeste hoogten, Mont-Saint-Jean, Hougomont, Frischemont, Papelotte,
Plancenoit, onduidelijk zwermen van schimmen, die elkander verdelgen.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
MOET MEN WATERLOO GOEDVINDEN?
Er bestaat een zeer achtenswaardige vrijzinnige school, die Waterloo
niet haat. Wij behooren er niet toe. Voor ons is Waterloo slechts
de vervalschte dagteekening der vrijheid. Dat een arend als dien wij
kennen uit zulk een ei voortkomt, is stellig onverwacht.
Waterloo is, zoo men zich op het hoogste gezichtspunt der kwestie
plaatst, een bedeelde anti-revolutionnaire overwinning. 't Is Europa
tegen Frankrijk, 't is Petersburg, Berlijn en Weenen tegen Parijs,
't is het status-quo tegen het initiatief, 't is de 14 Juli 1789 door
den 20 Maart 1815 aangevallen: 't is de wapenkreet der monarchieën
tegen het onbedwingbaar Fransch oproer. Dit groote volk te dempen,
dat sinds 26 jaar vuur en vlam verspreidde, was de bedoeling. Vandaar
het verbond der Brunswijkers, Nassauers, Romanoffs, Hohenzollerns,
Habsburgen met de Bourbons. Waterloo draagt het "bij de gratie Gods"
aan 't hoofd. Het is waar, dat, wijl het Keizerrijk despotiek was
geweest, het koningschap, tengevolge der natuurlijke terugwerking,
gedwongen was liberaal te wezen, en dat een constitutioneele
orde zeer tegen den zin en tot grooten spijt der overwinnaars uit
Waterloo is voortgekomen. 't Is omdat de revolutie werkelijk niet
verwonnen kan worden en als een noodwendig gevolg der omstandigheden
steeds weder verschijnt, vóór Waterloo, in Bonaparte als hij de oude
tronen omverwerpt, na Waterloo, in Lodewijk XVIII als hij het Charter
verleent en er zich aan onderwerpt. Bonaparte plaatst een postiljon
op den troon van Napels en een sergeant op den troon van Zweden;
hij bezigt de ongelijkheid om de gelijkheid te bewijzen; Lodewijk
XVIII onderteekent te Saint-Ouen de verklaring der rechten van den
mensch. Wilt ge u rekenschap geven van wat revolutie is, noem haar
"vooruitgang"; wilt ge u rekenschap geven van wat vooruitgang is,
noem hem "morgen." "Morgen" verricht onweerstaanbaar zijn werk,
en begint reeds heden. Op zonderlinge wijze bereikt het altijd zijn
doel. Het gebruikt Wellington om van Foy, die slechts een soldaat
was, een redenaar te maken. Foy valt te Hougomont en herrijst op de
tribune. Zoo handelt de vooruitgang. Er zijn geen slechte werktuigen
voor dezen arbeider! Onbekommerd bezigt hij voor zijn goddelijk werk
den man die over de Alpen stapt, en den goeden zwakken grijsaard. Hij
bedient zich van den podagrist evenzeer als van den overwinnaar; van
den overwinnaar naar buiten, van den podagrist naar binnen. Waterloo
heeft een einde gemaakt aan het omstorten der tronen van Europa
door het zwaard, doch heeft geen ander gevolg gehad dan het werk der
revolutie aan de andere zijde te doen voortzetten. De heerschappij
van het zwaard was ten einde; de beurt was nu aan de denkers. De eeuw,
welke Waterloo wilde tegenhouden, is er over heengegaan en heeft haar
weg vervolgd. Deze treurige overwinning is door de vrijheid verworven.
Wat ten slotte en onwedersprekelijk te Waterloo zegevierde, wat achter
Wellington glimlachte, wat hem al de maarschalksstaven van Europa,
daarbij zoo men zegt den maarschalksstaf van Frankrijk bezorgde, wat
vroolijk den grond, nog vol beenderen, tot een heuvel deed opkruien
om er den leeuw op te richten, wat zegepralend op dat voetstuk den
datum "18 Juni 1815" heeft geschreven, wat Blücher aanmoedigde om de
vluchtelingen neer te sabelen, wat van den top van Mont-Saint-Jean zich
naar Frankrijk als naar een prooi boog, was de contra-revolutie. 't
Was de tegenomwenteling, die het schandelijk woord: "Verbrokkeling"
mompelde. Te Parijs gekomen, heeft zij den krater van nabij gezien,
en voelde dat deze asch haar de voeten verbrandde, en zij bedacht
zich. Zij vergenoegde zich met het stamelen van een charter.
Laat ons in Waterloo niets zien dan 't geen in Waterloo is. Van
vrijheid uit goeden wil, niets. De contra-revolutie was onwillekeurig
liberaal, evenals door een hiermede overeenkomend verschijnsel Napoleon
onwillekeurig revolutionnair was. Den 18 Juni 1815 werd de Robespierre
te paard uit den zadel gelicht.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
UITBREIDING VAN HET "GODDELIJK RECHT."
Einde van het dictatorschap. Het geheele stelsel van Europa stortte in.
Het Keizerrijk verzonk in een schaduw, welke die der stervende
Romeinsche wereld geleek. Men zag weder een afgrond als ten tijde der
barbaren. Maar de barbaarschheid van 1815, welke men bij haar korten
naam van contra-revolutie moet noemen, had weinig adem, was spoedig
uitgeput en bleef steken. Het Keizerrijk, wij moeten het zeggen, werd
beweend, en beweend door de oogen van helden. Zoo de roem bestaat
in het zwaard tot schepter gemaakt, was het Keizerrijk de roem zelf
geweest. Het had op aarde al het licht verspreid, dat de dwingelandij
geven kan; een somber licht. Wat meer is, een duister licht. Bij het
ware daglicht vergeleken is het nacht. Deze verdwijning van den nacht,
had de uitwerking eener eclips.
Lodewijk XVIII kwam te Parijs terug. De rondedansen van den 8
Juli wischten de geestdrift van den 20 Maart uit. De Korsikaan
werd de tegenstelling van den Béarner. De vlag van den koepel der
Tuilerieën werd wit. De verbanning zat op den troon. De withouten
tafel van Hartwell nam plaats vóór den gelelieden armstoel van
Lodewijk XIV. Men sprak van Bouvines en Fontenoy als van gisteren,
Austerlitz was verouderd. Het altaar en de troon waren in hartelijke
broederschap. Een der onbetwistbaarste vormen van geluk voor de
maatschappij in de negentiende eeuw vestigde zich in Frankrijk en
op het vasteland. Europa nam de witte kokarde aan. Trestaillon was
beroemd. Het devies non pluribus impar verscheen weder in de steenen
stralen, die op den voorgevel der kazerne van de kade Orsay een zon
vormden. Waar een Keizerlijke garde was geweest, was een rood huis. De
boog van het Carousel, overladen met kwalijk verdragen overwinningen,
als vreemd temidden dezer nieuwigheden, misschien eenigszins beschaamd
door Marengo en Arcola, trok zich uit de verlegenheid met het beeld
van den hertog van Angoulême. Het Magdalena kerkhof, een ontzettende
algemeene grafplaats van 93, werd met marmer en jaspis overdekt;
het gebeente van Lodewijk XVI en van Maria Antoinette bevond zich in
dit stof. In de slotgracht van Vincennes verrees een halve zuil, ter
herinnering dat de hertog van Enghien in dezelfde maand was gestorven
als Napoleon gekroond werd. Paus Pius VII, die deze kroning had
gewijd, zoo dicht bij dezen dood, zegende den val even bedaard als
hij de verheffing had gezegend. Te Schönbrunn was een kleine schim
van vier jaren, men was een oproerling zoo men hem koning van Rome
noemde. En al deze dingen zijn geschied, en deze koningen hebben hun
tronen hernomen, en de meester van Europa is in een kooi gezet, en
het oude regeeringstelsel is herleefd, en al de duisternis en al het
licht der aarde zijn van plaats veranderd, wijl op den achtermiddag
van een zomerdag een herder in een bosch tot een Pruis zeide: ga
hierheen en niet daarheen!
Dat 1815 was een soort van treurigen April. De oude ongezonde en
giftige werkelijkheid nam een nieuw voorkomen aan. De logen vereenigde
zich met 1789, het "goddelijk recht" vermomde zich onder een charter,
fictiën werden constitutioneel, vooroordeelen, bijgeloovigheden
en nevengedachten, met art. 14 in het hart, vernisten zich met het
liberalisme. Verandering van vel bij de slang.
De mensch was door Napoleon tevens verheven en vernederd. Het ideaal
had, onder deze regeering van de schitterende stof, den zonderlingen
naam van ideologie ontvangen. Een groote onvoorzichtigheid van een
groot man, om met de toekomst te spotten. De volken evenwel, dat
kanonnenvleesch, 't welk den kanonnier zoo lief had, zochten hem
met de oogen. Waar is hij? Wat doet hij? Napoleon is dood, zeide
een voorbijganger tot een invalide van Marengo en Waterloo.--"Hij
dood!" riep de soldaat, "dan kent gij hem niet!" De geesten
mistrouwden dien neergevelden man. Na Waterloo was de achtergrond
van Europa duister. Eene ontzaggelijke plaats bleef lang ledig door
de verdwijning van Napoleon.
De koningen plaatsten zich in dat ledige. Het oude Europa
maakte zich dit ten nutte om zich te hervormen. Er was een
Heilig-Verbond. Belle-Alliance, had het noodlottig veld van Waterloo
reeds vooraf gezegd.
In de tegenwoordigheid en tegenover het oude herschapen Europa
werden de lijnen van een nieuw Frankrijk getrokken. De toekomst,
door den Keizer bespot, deed zijn intrede. Zij had op het voorhoofd
deze ster, "Vrijheid." De vurige oogen der jonge geslachten richtten
zich op haar. Zonderling, men was tegelijkertijd door deze toekomst,
Vrijheid, en dat verleden, Napoleon, bekoord. De nederlaag had
den verwonneling grooter gemaakt. De gevallen Bonaparte scheen
hooger dan de staande Napoleon. Zij, die gezegevierd hadden, waren
beangst. Engeland deed hem door Hudson Lowe bewaken, en Frankrijk hem
door Montchenu bespieden. Het kruisen zijner armen wekte de bekommering
der tronen. Alexander noemde hem: mijn slapeloosheid. Deze angst
ontstond door de hoeveelheid revolutie, die in hem was. Dit verklaart
en verschoont het Bonapartistische liberalisme. Dit spookbeeld deed de
oude wereld beven. De koningen zaten niet op hun gemak op hun tronen,
met de rots van St. Helena aan den horizon.
Terwijl Napoleon te Longwood zieltoogde, verteerden de op het veld van
Waterloo gevallen zestig duizend menschen rustig, en iets van hunne
rust breidde zich over de wereld uit. Het Weener Congres maakte er
de tractaten van 1815 van, en dit noemde Europa de restauratie.
Dit is nu Waterloo!