Eensklaps voelden de aanvallende kurassiers zich aangevallen. De

Engelsche cavalerie was hun in den rug. Vóór hen stonden de carré's,

achter hen Somerset; Somerset, dat wil zeggen de veertienhonderd

dragonders der garde. Somerset had aan zijn rechterzijde Dornberg

met de Duitsche lichte ruiterij en aan zijn linkerzijde Trip met de

Belgische karabiniers; de kurassiers, in den flank en in het front

van voren en van achteren aangevallen door de infanterie en cavalerie,

moesten aan alle zijden het hoofd bieden. Wat kon 't hun schelen--zij

waren een wervelwind. De dapperheid was onbeschrijfelijk.

Buitendien hadden zij achter zich de immer donderende batterij. Alleen

op deze wijze was 't mogelijk, dat deze mannen in den rug gekwetst

werden. Een hunner kurassen, bij 't linker schouderblad door een kogel

doorboord, bevindt zich bij de verzameling in 't museum van Waterloo.

Voor zulke Franschen werden niets minder dan zulke Engelschen

vereischt.

't Was geen gevecht meer, 't was een schaduw, een razernij,

een duizelende dwarreling van zielen en moed, een orkaan

van bliksemende zwaarden. In een oogenblik waren van de

veertienhonderd garde-dragonders slechts achthonderd over; Fuller,

hun luitenant-kononel, sneuvelde. Ney ijlde met de lanciers en de

jagers van Lefèbvre Desnouettes toe. De vlakte van Mont-Saint-Jean

werd genomen, hernomen, en weder genomen. De kurassiers verlieten de

cavalerie, om naar de infanterie terug te keeren, of liever, deze

gansche ontzaglijke massa's grepen en hielden elkander zonder dat

de een den ander losliet. De carré's stonden immer pal. Zij werden

twaalf keeren bestormd. Vier paarden werden onder Ney gedood. De

helft der kurassiers bleef op de vlakte. Deze strijd duurde twee uren.

Het Engelsche leger was er geweldig door geschokt. Er is geen twijfel,

of de kurassiers, zoo zij niet bij den eersten aanval door de ramp in

den hollen weg verzwakt waren geworden, zouden het centrum over hoop

geworpen en de overwinning beslist hebben. Deze buitengewone cavalerie

verstomde Clinton, die Talavera en Badajoz had gezien. Wellington,

die voor drie vierde gedeelte overwonnen was, bewonderde als een held,

en zeide halfluid: splendid! (prachtig).

De kurassiers vernietigden zeven carré's van de dertien, namen

of vernagelden zestig kanonstukken, en veroverden op de Engelsche

regimenten zes vaandels, welke drie kurassiers en drie jagers der

garde den keizer bij de hoeve van la Belle Alliance brachten.

Wellingtons toestand was verergerd. Deze buitengewone veldslag was als

een tweegevecht tusschen twee verwoede gekwetsten, die wederzijds,

steeds strijdend en weerstand biedend, al hun bloed verliezen. Wie

van beiden zal het eerst vallen?

De worsteling op het bergplat werd voortgezet.

Tot hoe ver de kurassiers zijn geweest, weet niemand te zeggen. Zeker

is het, dat den dag na het gevecht een kurassier en zijn paard,

beiden dood, tusschen het houtwerk der weegbrug voor de voertuigen

te Mont-Saint-Jean werden gevonden, dat is ter plaatse waar de

vier straatwegen van Nivelles, Genappe, la Hulpe en Brussel elkander

kruisen. Deze ruiter was door de Engelsche gelederen heen gebroken. Een

der mannen, die dit lijk wegvoerden, woont nog te Mont-Saint-Jean. Hij

heet Dehaze, en was destijds achttien jaar oud.

Wellington voelde zich wankelen. De krisis was nabij.

De kurassiers waren niet geslaagd, in zooverre 't hun niet gelukt was

het centrum te breken. Nu beide partijen het bergvlak bezet hadden,

was niemand er uitsluitend meester van, terwijl het grootste gedeelte

in allen geval in 't bezit der Engelschen was gebleven. Wellington

had het dorp en het hoogste deel der vlakte; Ney had slechts den top

en de glooiing. Van weerszijden scheen men in dien noodlottigen bodem

vastgeworteld te zijn.

De verzwakking der Engelschen scheen echter onherstelbaar. Het

verlies van dat leger was ontzettend. Aan den linkervleugel vroeg

Kempt versterking.--"Ik heb ze niet," antwoordde Wellington; "dat

hij bezwijke!"--Schier in dezelfde minuut vroeg Ney--een zonderlinge

samenloop, die de uitputting der beide legers schetst--infanterie

aan Napoleon, en Napoleon riep: "Infanterie! Van waar zou ik ze

halen? Meent hij dat ik ze kan maken?"

Het Engelsche leger had evenwel het meest geleden. De verwoede

aanvallen dezer geweldige escadrons met ijzeren kurassen en stalen

harnassen hadden de infanterie vermorzeld. Eenige mannen om een

vaandel duidden de plaats van een regiment aan; sommige bataljons

werden nog slechts door een kapitein of luitenant gecommandeerd;

de divisie-Alten, die reeds bij la Haie-Sainte zoo geducht geleden

had, was schier geheel vernietigd; de moedige Belgen der brigade Van

Kluze lagen in het koren langs den weg van Nivelles gezaaid; er was

schier niets over van de Hollandsche grenadiers, die in 1811 in onze

gelederen Wellington in Spanje bevochten, en in 1815 weder met de

Engelschen vereenigd Napoleon bestreden. Het verlies aan officieren

was aanzienlijk. Lord Uxbridge, die den volgenden dag zijn been

liet begraven, had de knie verbrijzeld. Waren in dezen strijd der

kurassiers aan de zijde der Franschen Delord, l'Héritier, Colbert,

Dnop, Travers en Blancard buiten gevecht gesteld, aan de zijde der

Engelschen waren Alten en Barne gekwetst, Delancey, Van Meeren,

Ompteda gesneuveld, de staf van Wellington gedecimeerd, en Engeland

had het slechtste deel in deze bloedige schaal. Het 2e regiment der

garde te voet had vijf luitenant-kolonels, vier kapiteins en drie

vaandrigs verloren; het eerste bataljon van het 30e regiment infanterie

had vier-en-twintig officieren en honderd twaalf soldaten verloren,

van het 79e Bergschotten waren vier-en-twintig officieren gekwetst,

achttien officieren en vierhonderd vijftig soldaten gesneuveld. Het

geheel Hanoversche huzarenregiment van Cumberland, met zijn kolonel

Hacke aan 't hoofd, had vóór het gevecht den teugel gewend en

vluchtte door het bosch van Soignes, het bericht der nederlaag tot

Brussel verspreidende. De kolonel werd later gevonnist en afgezet. De

artillerietrein, de voortreinen, de bagagewagens, de ziekenwagens vol

gekwetsten namen, toen zij de Franschen zagen veld winnen en het bosch

naderen, daarin de vlucht. Van Vert-Coucou tot Groenendaal, langs

een uitgestrektheid van bijna twee uren in de richting van Brussel,

was er een ongelooflijk gedrang van vluchtelingen, zooals nog levende

getuigen heugt. De schrik was zoo groot, dat hij den prins van Condé

te Mechelen en Lodewijk XVIII te Gend bereikte. Uitgezonderd de zwakke

reserve, die achter de ambulance, in de hoeve van Mont-Saint-Jean,

was geëchelonneerd, en de brigaden Vivian en Vandeleur, die aan den

linkervleugel stonden, had Wellington geen cavalerie meer. Een

aantal batterijen waren gedemonteerd. Deze feiten zijn door

Siborne erkend; en Pringle, die de ramp overdrijft, zegt zelfs,

dat het Engelsch-Hollandsch leger tot vier-en-dertig duizend man

was ingekrompen. De "ijzeren hertog" bleef kalm, maar zijn lippen

waren verbleekt. De Oostenrijksche commissaris Vincent, de Spaansche

commissaris Alava, die bij den Engelschen staf den veldslag bijwoonden,

hielden den hertog voor verloren. Te vijf uren zag Wellington op zijn

horloge, en men hoorde hem deze sombere woorden mompelen: "Blücher,

of de nacht!"

't Was omstreeks dit oogenblik, dat een verwijderde lijn van bajonetten

op de hoogten, in de richting van Frischemont schitterde.

Hier begint het keerpunt van dit reusachtige drama.

ELFDE HOOFDSTUK.

EEN SLECHTE GIDS VOOR NAPOLEON, EEN GOEDE GIDS VOOR BULOW.

Men kent de grievende teleurstelling van Napoleon; hij verwachtte

Grouchy, en Blücher kwam; de dood in plaats van het leven.

Het lot heeft zulke wendingen; men verwacht de wereldheerschappij,

en vindt Sint-Helena. Indien de kleine herder, die Bulow, den

onderbevelhebber van Blücher, tot gids diende, hem had geraden

het bosch uit te trekken boven Frischemont in plaats van beneden

Plancenoit, de negentiende eeuw zou wellicht een geheel ander voorkomen

hebben, Napoleon had dan den slag van Waterloo gewonnen. Immers langs

iederen anderen weg dan dien beneden Plancenoit, zou het Pruisische

leger aan een laagte zijn gekomen, die voor de artillerie onbruikbaar

was, en Bulow zou niet zijn aangekomen. En langer dan een uur, de

Pruisische generaal Muffling verklaart dit, zou Wellington zich niet

meer hebben kunnen staande houden; "de slag ware verloren geweest."

Men ziet, 't was hoog tijd dat Bulow kwam. Hij had trouwens veel

oponthoud gehad. Met het krieken van den dag had hij Dion-le-Mont

verlaten, waar hij gebivouakkeerd had. Maar de wegen waren onbruikbaar

en zijn divisiën bleven in de modder steken. De kanonnen zonken er

tot aan de assen in. Bovendien had men de Dyle over de smalle brug

van Wavre moeten passeeren; de straat die naar de brug voerde was door

de Franschen in brand gestoken; de kruitwagens en de artillerietrein

konden niet tusschen twee rijen brandende huizen gaan en moesten

wachten tot de brand gebluscht was. Het was middag eer de voorhoede

van Bulow Chapelle-Saint-Lambert had kunnen bereiken.

Zoo het gevecht twee uren eerder was begonnen, was het te vier uren

geëindigd geweest, en Blücher zou in den door Napoleon gewonnen slag

zijn gevallen. Zoo onmetelijk zijn de toevalligheden, in betrekking

tot het oneindige, dat ons begrip te boven gaat.

Tegen den middag had de Keizer voor het eerst met zijn kijker iets

aan den verren horizont bespeurd, dat zijn aandacht trok. Hij had

gezegd:--Ik zie ginds een wolk, die mij troepen toeschijnt. Daarop

had hij aan den hertog van Dalmatie gevraagd: Soult, wat ziet gij

naar den kant van Chapelle-Saint-Lambert?--De maarschalk, na zijn

kijker te hebben gericht, had geantwoord:--Vier of vijf duizend man,

Sire. Zeker Grouchy.--Maar in den nevel bleef alles onduidelijk. Al de

kijkers van den generalen staf hadden de door den Keizer aangewezen

"wolk" bestudeerd. Sommigen hadden gezegd: 't Zijn colonnes, die

halt houden. De meesten hadden gezegd: 't Zijn boomen, 't Was waar,

dat de wolk zich niet bewoog. De Keizer had ter verkenning van dat

duistere punt de divisie lichte cavalerie van Domon afgezonden.

Inderdaad, Bulow had zich niet bewogen. Zijn voorhoede was zeer zwak

en kon niets uitrichten. Hij moest het hoofdleger wachten en had

bevel zich te vereenigen vóór in slagorde op te rukken; doch toen,

te vijf uren Blücher het gevaar van Wellington zag, gaf hij Bulow

bevel aan te vallen en sprak dit merkwaardig woord: "Wij moeten het

Engelsche leger lucht geven."

Weldra ontwikkelden zich de divisiën Losthin, Hiller, Hacke en Ryssel

tegenover het corps van Lobau, de cavalerie van prins Willem van

Pruisen rukte uit het bosch van Parijs; Plancenoit stond in vlammen

en de Pruisische kogels begonnen tot in de gelederen der garde te

regenen, die achter Napoleon in reserve stond.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

DE GARDE.

Men kent het overige, de vernielende aanval van een derde leger, de

veldslag verplaatst, zes en tachtig eensklaps donderende vuurmonden,

Pirch I met Bulow verschenen, de cavalerie van Zieten door Blücher

in persoon aangevoerd, de Franschen achteruitgedrongen, Marcognet

van de hoogte van Ohain gedreven, Durutte uit Papelotte verjaagd,

Lobau in den flank gegrepen, een nieuwe veldslag, waardoor bij

het aanbreken van den nacht onze verzwakte en uitgeputte regimenten

overvallen werden, de geheele Engelsche linie haar aanvallende houding

hernemende en vooruit gedrongen, de reusachtige opening in het Fransche

leger gemaakt, het Engelsche en Pruisische schroot elkander helpende,

verdelging in het front, onheil in den flank, de garde, die zich bij

deze vreeselijke verwoesting in slagorde schaart.

Dewijl zij gevoelde, dat zij moest sterven, riep zij: leve de

Keizer! De geschiedenis heeft niets treffender aan te wijzen dan

dezen in gejuich uitbarstenden doodssnik.

De lucht was den geheelen dag bewolkt geweest. Eensklaps, en op

ditzelfde oogenblik, 't was acht uren 's avonds, scheidden zich de

wolken aan den gezichteinder en het donker somber rood der ondergaande

zon scheen door de olmen van den weg van Nivelles. Te Austerlitz had

men haar zien opgaan.

Ieder bataljon der garde werd, bij deze laatste worsteling, door een

generaal gecommandeerd. Daar waren Friant, Michel, Roguet, Harlet,

Mallet, Poret de Morvan. Toen de hooge berenmutsen van de garde met

de adelaarsplaat, in stipte orde, in gelederen geschaard, bedaard in

den nevel van het gevecht verschenen, gevoelde de vijand eerbied voor

Frankrijk; men waande twintig overwinningen met uitgespreide vleugelen

het slagveld te zien betreden, en zij, die verwinnaars waren, achtten

zich verwonnen en deinsden achteruit; maar Wellington riep: "Staat,

garden, en mikt juist!" Het roode regiment der Engelsche garde,

dat achter de hagen lag, richtte zich op, een hageljacht van kogels

doorschoot het driekleurig vaandel, dat om onze arenden fladderde;

allen drongen voorwaarts, en het laatste bloedbad begon. De keizerlijke

garde voelde in de schaduw, dat het leger 't welk haar omgaf, week en

het uitgestrekte gedreun van den aftocht; zij hoorde het "vlucht! redt

u!" dat het "leve de Keizer!" vervangen had; en met de vlucht achter

zich, ging zij steeds voorwaarts, meer en meer vermorzeld en bij elke

schrede die zij deed meer stervende. Er waren geen weifelenden noch

versaagden. De soldaat van dezen troep was evenzeer een held als de

generaal. Geen man onttrok zich aan dezen verheven zelfmoord.

Ney, wanhopig, groot in al de verhevenheid van zijn wijding aan den

dood, stelde zich aan al de slagen van dien storm bloot. Zijn vijfde

paard werd onder hem gedood. Met zweet bedekt, met vlammende oogen,

met schuim op de lippen, met losgeknoopte uniform, een epaulet half

door de sabel van een horseguard doorgehouwen, zijn ordester van

den adelaar door een kogel geschonden, bloedig, beslijkt, heerlijk,

met den stomp van een degen in de hand, riep hij: "Ziet hoe een

maarschalk van Frankrijk op het slagveld sneuvelt!" Maar te vergeefs;

hij sneuvelde niet. Hij was wild en verontwaardigd. Hij beet Drouet

d'Erlon de vraag toe: "Zijt gij bang u te laten dooden?" Te midden van

al dat geschut, 't welk een handvol menschen verpletterde, riep hij:

"Is er dan niets voor mij! O, hoe wenschte ik, dat al die Engelsche

kogels mij doorboorden!" Ongelukkige, gij werdt behouden, om door

Fransche kogels te sterven!

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE CATASTROPHE.

De vlucht en de verwarring achter de garde was vreeselijk.

Het leger trok zich eensklaps van alle zijden terug van Hougomont, van

la Haie-Sainte, van Papelotte, van Plancenoit. De kreet: Verraad! werd

gevolgd door den kreet: Vlucht! redt u! Een zich oplossend leger

gelijkt aan een ijsgang. Alles buigt, berst, kraakt, drijft, zinkt,

stoot en verdringt zich. 't Is een reusachtige ontbinding. Ney leent

een paard, springt er op en plaatst zich, zonder hoed, zonder das,

zonder degen, dwars op den weg naar Brussel, Engelschen en Franschen

evenzeer tegenhoudende. Hij tracht het leger tot staan te brengen, hij

roept, scheldt, houdt de vluchtenden vast. Alles stormt hem voorbij. De

soldaten ontwijken hem, roepende: "leve de maarschalk Ney!" Twee

regimenten van Durutte ijlen verschrikt heen en weder, teruggejaagd

door de sabel der uhlanen en het geweervuur der brigades van Kempt,

van Best, van Pack en van Ryland; de ergste worsteling is de vlucht;

vrienden dooden elkander om te vlieden; escadrons en bataljons storten

tegen een en spatten wijd en zijd uit elkander, als schuim van den

veldslag. Lobau wordt aan het eene, Reille aan het andere eind door

den stroom medegesleept. Te vergeefs maakt Napoleon muren van hetgeen

hem van de garde overblijft, te vergeefs verspilt hij de escadrons

onder zijn bevel tot een laatste inspanning. Quiot wijkt voor Vivian,

Kellerman voor Vandeleur, Lobau voor Bulow, Morand voor Pirch, Domon

en Subervic voor prins Willem van Pruisen. Guyot, die de escadrons

des Keizers tot den aanval heeft gevoerd, valt onder de paarden

der Engelsche dragonders. Napoleon galoppeert langs de vluchtenden,

spreekt hun toe, spoort hen aan, dreigt, smeekt. Maar al de monden,

die des morgens, "Leve de Keizer" riepen, gapen hem aan; nauwelijks

kent men hem. De versch aangekomen Pruisische cavalerie stormt toe,

vliegt, sabelt, houwt, doodt, verdelgt. De voorspannen steigeren, de

kanonnen wijken, de treinsoldaten spannen de paarden van de kruitwagens

om er op te vluchten, omgeworpen legerwagens met de vier wielen in

de lucht versperren den weg en geven gelegenheid ter slachting. Men

verplettert, vertreedt, gaat over dooden en levenden. De armen zijn

als verlamd. Een ontzinde menigte vult de wegen, de paden, de bruggen,

de dalen, de heuvelen, de valleien, de bosschen, waar deze veertig

duizend menschen elkander verdringen en belemmeren. Geschreeuw,

wanhoop; ransels en geweren in 't koren geworpen; met den degen

zich een doortocht gebaand; geen krijgsmakkers, geen officieren,

geen generaals meer; een onbeschrijfelijke ontzetting. Zieten op zijn

gemak Frankrijk neersabelende. Leeuwen in herten herschapen. Zoodanig

was deze vlucht.

Te Genappe beproefde men te keeren, front te maken, zich te

verzamelen. Lobau vereenigde driehonderd man. Men barricadeerde

den ingang van het dorp; maar bij het eerste schot van het Pruisisch

schroot vluchtte alles weder, en Lobau werd krijgsgevangen gemaakt. Men

ziet nog heden de indruksels van dat eerste schot aan den gevel van een

oud vervallen baksteenen huis, ter rechterzijde van den weg, eenige

minuten vóór men Genappe binnenkomt. De Pruisen stormden in Genappe,

woedend gewis, zoo gemakkelijk overwonnen te hebben. De vervolging

was gruwelijk. Blücher beval alles neder te houwen. Roguet had het

afgrijselijk voorbeeld gegeven door ieder Fransch grenadier met den

dood te bedreigen die hem een Pruisisch krijgsgevangen bracht. Blücher

overtrof Roguet. De generaal der jonge garde, Duhesme, die tegen

de deur van een herberg te Genappe stond, gaf zijn degen aan een

zwarten huzaar, die den degen nam en zijn gevangene doodde. De

overwinning werd door de vermoording der verwonnenen voltooid. Laten

wij straffen, wijl wij de geschiedenis zijn: de oude Blücher bevlekte

zijn eer. Deze wreedheid bracht de ramp tot het uiterste. De wanhopige

vlucht ging door Genappe, door Quatre-Bras, door Sombreffe, door

Frasnes, door Thuin, door Charleroi, en kwam eerst aan de grenzen

tot staan. Helaas! en wie was 't, die zoo vluchtte? het groote leger.

Is deze verbijstering, deze schrik, deze instorting van de

grootste dapperheid die ooit de geschiedenis verbaasd heeft, zonder

oorzaak? Neen. De schaduw eener machtige hand ligt op Waterloo. 't Is

de dag van het noodlot. Eene bovenmenschelijke macht heeft dien dag

bereid. Vandaar de schrik op aller gelaat; vandaar dat zooveel groote

harten hun degens overgaven. Zij, die Europa overwonnen hadden, zonken

verpletterd neder, hadden niets meer te zeggen of te doen, en gevoelden

in de schaduw iets vreeselijks tegenwoordig. Hoc erat in fatis. Die dag

veranderde het uitzicht van het menschelijk geslacht. Waterloo is het

keerpunt der negentiende eeuw. De verdwijning van den grooten man was

noodzakelijk voor de verschijning der groote eeuw. Een oppermachtig

wezen heeft zich hiermede belast. De paniek der helden is hierdoor

verklaarbaar. In den slag van Waterloo vertoont zich meer dan een wolk,

er vertoont zich een hemelverschijnsel. God is daar geweest.

In 't vallen van den avond vatten Bernard en Bertrand op een veld bij

Genappe een somber peinzend man bij zijn overjas, die door den stroom

der vlucht medegesleept, van zijn paard was gestegen, den teugel in

zijn arm had genomen en met verwilderden blik alleen naar Waterloo

terugging. 't Was Napoleon, die nog beproefde voorwaarts te gaan--de

groote slaapwandelaar van dien verstoorden droom!

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

HET LAATSTE CARRÉ.

Eenige carré's der garde, onbewegelijk in de woelige vlucht als rotsen

in het bruisend water, hielden stand tot den nacht. De nacht kwam,

en met hem de dood; zij verwachtten die dubbele duisternis en lieten

zich er onverschrokken door omvangen. Ieder regiment, van de andere

gescheiden en niet meer aan 't leger verbonden, dat aan alle zijden

gebroken was, sneefde voor eigen rekening. Zij hadden voor deze

laatste heldendaad post gevat, eenige op de hoogten van Rossomme,

andere op de vlakte van Mont-Saint-Jean. Daar, verlaten, overwonnen,

hadden deze sombere carré's nog een vreeselijken doodsstrijd. Ulm,

Wagram, Jena, Friedland stierven in hen.

In de schemering, tegen negen uur 's avonds, bleef er op de vlakte

van Mont-Saint-Jean slechts één over. In deze heillooze vallei, aan

den voet dezer door de kurassiers bestegen helling, die thans door

Engelsche drommen was overstroomd, had dit carré het kruisvuur

der overwinnende vijandelijke artillerie, een vreeselijken,

dichten schroot- en kogelregen uit te staan. Het werd door een

weinig bekend officier, met name Cambronne, gecommandeerd. Bij elke

losbranding verminderde het carré en schoot terug. Het beantwoordde

het schrootvuur met geweervuur, terwijl het zijn vier muren steeds

dichter bijeentrok. In de verte bleven de vluchtenden, buiten adem,

even staan, om in de duisternis naar dit somber, steeds zwakker

wordend geknetter te hooren.

Toen dit legioen slechts een handvol meer was, toen hun vaandel was

weggeschoten, toen hun kogels verschoten en hun geweren slechts

knuppels meer waren, en de hoop lijken grooter was dan de groep

levenden, ontstond bij de overwinnaars die deze verhevene stervenden

omgaven een soort van heilige ontzetting, en de Engelsche artillerie

verpoosde en zweeg. 't Was een soort van rust. Deze strijders waren

omgeven door een gewemel van spookgedaanten, schimmen van mannen te

paard, donkere omtrekken van kanonnen, door wier wielen en affuiten

men den helderen hemel zag; het reusachtig doodshoofd, 't welk de

helden altijd door den kruitdamp op den achtergrond van den slag

zien, naderde en staarde hen aan. Zij konden in de schemering hooren,

dat men de stukken laadde; de brandende lonten, die als tijgeroogen

in den nacht glinsterden, vormden een kring om hun hoofden; al de

lontstokken der Engelsche batterijen naderden de kanonnen; toen riep

een Engelsch generaal--volgens sommigen Colville, volgens anderen

Maitland--in dit uiterste oogenblik, aangedaan: Dappere Franschen,

geeft u over!--Cambronne antwoordde: Merde!

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

CAMBRONNE.

Voor den overdreven kieschkeurigen Franschen lezer mag het schoonste

woord, 't welk een Franschman wellicht ooit gesproken heeft, niet

herhaald worden. 't Is verboden het verhevene in de geschiedenis

te vermelden.

Voor onze rekening en gevaar overtreden wij dit verbod.

Er was dus onder deze reuzen een titan, Cambronne.

Zulk een woord te zeggen en dan te sterven, wat is er grootscher! want

te willen sterven is sterven, en 't is de schuld van dezen man niet,

dat hij het schrootvuur overleefd heeft.

De man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is niet de vluchtende

Napoleon; 't is niet Wellington, die te vier uren terugtrekt, te

vijf uren wanhopend is; 't is niet Blücher, die niet gestreden heeft;

de man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is Cambronne.

Door zulk een woord den donder neer te slaan die u doodt, dit is

overwinnen.

De Ellendigen (Deel 2 van 5) · 第 3 / 24 段