--Ikzelf,--vervolgde Koelloeka,--ik bevond mij juist op dat

oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar

gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg

verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die

zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou

worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te

behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij

aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten

laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht

om te spreken.--Vriend!--zeide hij,--ik ga u verlaten; Ik gevoel

dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog één dienst!--

Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd.

Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter

wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet

aan het verbod.--Ik moet spreken!--zeide hij;--Koelloeka! neem

den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden,

breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar

nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat

ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven

ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit

uwe handen ontvangt!--Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak

niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek

te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de

Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg.

--Ik dank u--sprak Iravati,--voor de dienst, welke gij ons beiden

hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog

niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te

doen staat.

--Te doen?--vroeg de Brahmaan.--Wat zoudt gij kunnen?

--Ik ga met u op weg naar Siddha!--antwoordde Iravati bedaard.

--Wat! Gij?--riep Koelloeka in verbazing uit,--gij, een zwakke

weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde

bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij

anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een

reis! Waar denkt gij aan?

--Zoo goed--was het antwoord,--als gij, mijn vriend! u ter wille

van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem

doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak

niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel

gewend.--Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe

tegenwerpingen wilde maken,--tracht mij niet af te brengen van

mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen,

dan ga ik alléén met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn

besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug

zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een

dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet.

Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe

gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende

vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds

mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij

de hare? Alléén en van alles beroofd, van alle zijden door nog

gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis

om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als

gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van

beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen,

zal ik wel weten te volgen!

--En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te

beschermen!--riep thans Koelloeka uit;--en is die arm al wat

stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren.

Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het

bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij

gereed om dien met u te ondernemen.

Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met

haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij

haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet

weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad,

ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar

onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar

van de onderneming terug te houden.

--Laat mij dan met u gaan!--bad de dienares.

--Neen!--antwoordde Iravati,--dat kan niet. ééne vrouw te

beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf

u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim

altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven

ben en dat aan mijne betrekkingen in Kaçmir kan melden.

--Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om

behoorlijk geleide te verzoeken?

--Ook dàt zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg

juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur

ons niet meegeven. Met ons drieën hebben wij dus veel meer kans de

reis met goed geluk te volbrengen.

Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's

paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan.

Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die

werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er

ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te

mijmeren over dat ééne enkele, dat met uitsluiting van alle andere

gedachten haar bezig hield.

Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij

eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later

stond een man vóór haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't

minst van allen zou hebben gedacht--Selim.

--Gij hier?--riep zij uit.

--Ik kwam hier--antwoordde de Prins,--op mijne doorreis naar

Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed

oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te

dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe

dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken

geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te

beletten. Ik heb haar dat beloofd.

--Bemoei u, Heer!--sprak Iravati,--wat ik u verzoeken mag, niet

met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet

wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor

mij te waken.

--Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook... welnu!

waarom het niet ronduit gezegd?... en ook, omdat ik u niet naar

dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw

werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij

hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl

gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne

magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil!

--Gij kunt het, Selim!--antwoordde Iravati,--maar gij zult het

niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel

verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt

gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door

verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten,

ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk

eene handelwijze enkel dit ééne verzekeren: mijne diepste

minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker

niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als

een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel

toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen

als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij

waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik

vraag u geen gunst!

Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd

er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door

eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos

gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten

medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt.

Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen

verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij

op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem

levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en

verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching,

zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst!

Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne

ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te

vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati

met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?...

--Iravati!--sprak hij ten laatste,--ik onderwerp mij, nu als

vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen;

maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom

heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij

gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles

anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke.

Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag

toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel

besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet

onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik

begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het

woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst

zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens

hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen

worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en

dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn

eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha

Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk

woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eéne gunst alleen vraag

ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij,

al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en

denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig

misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te

hartstogtelijk beminde!...

Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.--Mijn vader!--

sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en

zonder om te zien zich verwijderde,--zoudt gij thans, voor éénmaal

ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?...

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Feizi's vloek

In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne

legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde

was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar

gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde,

zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn

behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem

toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou

ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend?

Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er

ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde

Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij

den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten

Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling

te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook

den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de

geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met

belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van

den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van

het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel

der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal

voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvâna, de

hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd.

Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij

zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben

tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch

een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige

bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte

dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor

't oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg.

Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits

toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur

soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het

woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in

ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden

verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond

bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun

vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen

die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst,

van kaste of van nationaliteit.

Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha

gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg,

toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich

heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want

zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik

weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden

zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld

van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te

gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer

aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in

staat.

Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik,

ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen,

even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich

overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven

voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en

alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer

doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn

ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld

en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat

gevoelde.

Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster

rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken

woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,--zij wist

zelve later niet meer wat,--een herinnering bij hem opwekte.

Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek

zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde

hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde

oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht,

dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag.... Eene doodelijke

bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij

Iravati aan .... Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle

kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien

nog gelukkiger geweest?...

--Van hier!--riep hij ten laatste uit,--van hier! Wat wilt gij

ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat

ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen

met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen

kon!...

Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij

niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde

spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder

aan zijne voeten.

--De vloek,--herhaalde Siddha wild,--de vloek van Feizi: "Leef met

de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman

noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij

de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En

dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die

ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver

van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!... Het is Feizi,

innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,... maar nu weer

dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis

sprak!...

En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken

met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk

vond zij tot spreken weer de kracht.

--Kom mede--zeide zij,--en ga weer met mij naar binnen! Gij

overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is

u niet goed. Zoo kom dan!

--Droombeelden!--sprak Siddha bitter,--mogt dat waar zijn! Maar

neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht

is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke

herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den

waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren

begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs

voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen

moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een

eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te

verduren...--Iravati!--ging hij voort,--gij weet niet met wien

gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet.

--Ik ken het,--antwoordde Iravati,--en al weet ik niet bepaald wat

er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch

genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken.

--En toch spreekt gij nog met mij?--riep Siddha uit,--en wendt u

niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen

of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken!

--Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet

gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij

niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij

hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk

moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen

heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van

eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd.

--Welnu!--hernam Siddha,--ik ontsla u dan van die pligten en van

uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en

met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de

noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt

mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen

kunt gij mij niet meer.

--Ik bemin u als voorheen!--antwoordde Iravati.

--Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het

kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te

hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan

bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar

steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de

zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene

echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering

niet meer waardig.

--Gij verstoot mij dus?

--Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u

te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u

gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen

beweging mij verlaten hadt.

--Luister naar mijne bede, Siddha!--sprak nu Iravati vleijend,

terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;--ik wil

niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik

wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u

smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne

hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij

niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben!

Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u

de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten

tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans

onmogelijk!

--Neen, en nogmaals neen!--antwoordde Siddha, thans bijkans met

hardheid,--geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging

er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij

gaan!

En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog

met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de

eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien.

--Het is wel!--sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd

gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem

dan Siddha die nog ooit had gehoord,--het is wel! Gij hebt, geloof

ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij

ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het

vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene

verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu

verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u

misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe

eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen

verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij!

Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag

geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man

dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens

een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog ééne

bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt

liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw

zelfzuchtige hoovaardij!...

Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij

dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch

bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo

aanstonds nog voornemens was.

--Wie zal beslissen?--vroeg hij, de hand aan het voorhoofd

slaande;--er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer

strijd met wat ik als regt beschouw...--Doch--vervolgde hij,--zou

een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog

weten te rigten tusschen ons?

--Gij bedoelt Koelloeka?

--Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik

hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn

geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u

eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer

in zijn oordeel. Een ander,--maar vraag mij nu niet nader!--zou de

eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen,

en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati!

naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier

vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra

weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven

voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor

u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden

ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij,

gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!...

En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had

gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds

naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken

tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In

allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast

mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling

besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen

inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in

dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen

krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen

in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te

troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te

lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf,

na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij

tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met

Vatsa reeds spoedig op weg....

Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den

Himâlaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn

dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada

lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem

spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast

ging melden.

Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met

bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering

opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en

vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere

uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet

veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de

jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en

met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en

wel--de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,--onder dat

leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar

oorsprong heeft in grievend zelfverwijt.

--Eerwaarde!--begon Siddha, na de eerste begroeting,--of laat mij

liever zeggen, mijn genadige Vorst!...

--Neen,--viel de kluizenaar hem in de rede,--blijf mij Gaurapada

noemen! Ik ben niets anders meer.

--Welnu dan,--hernam Siddha,--ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik

dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de

woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe

gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt.

--Ik liet u beloven--antwoordde Gaurapada,--mij nogmaals op te

zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad

van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander

niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans

hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet,

dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard.

--Dat is zij,--sprak Siddha,--en als ik u alles heb meegedeeld,

zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet

duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat.

--Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,--zei Gaurapada;--

wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken.

Akbar: een oosterse roman · 第 20 / 21 段