Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste

poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden

voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en

de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de

legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig

nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met

zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij

in de linker hield en dat hij óf onderweg moest hebben opgeraapt

óf uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later

hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer

was.

--Komaan!--riep Siddha ongeduldig,--laat dat geknoei met uw

goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat

blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten!

Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en

als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad

in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en

men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van

den priester aan den tak van een alleenstaanden boom.

Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen

dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming

tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar

gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd,

die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep

voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen

zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het

was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en

met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig,

een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg

een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar

het kamp terug.

Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den

Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar

tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te

blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien,

wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene

of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang

Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds

verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan

zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen....

Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak

niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of

ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op

geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen

gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een

opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime

mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om

hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?...

"Salhana!"--dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven

briefje,--"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat

zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden

hebt."

Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij

't blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die

weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis

onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga-

priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er

honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd

laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer

was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra,

en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die

anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier

in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en

deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig

gedeelte.... Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch

goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door

sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij

hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht

hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar

men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid.

Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht

hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te

zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden.

Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind

zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En

dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij

had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en

hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het

minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar

bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij

plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te

voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich

verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef

zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en

telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen

dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand

naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden.

Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan

zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn

marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den

dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook,

dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in

Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd

langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den

Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten

voorttrekken....

De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf

niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst.... Eens

in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de

tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Beterschap

In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van

den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van

Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den

terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus

misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden

Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval

de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest,

den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap

van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was

onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan

Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel

gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de

zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den

Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend,

hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van

eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden.

Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te

geven aan het plan.

Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk

paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer.

Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en

krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en

ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken

sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke,

anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven.

De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden

bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte

strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend,

een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins

nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing

en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de

welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In

schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de

zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort

meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven.

En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen

berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch

scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren

geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen

hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er

geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te

laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen

Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij

overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer,

toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten

onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar

hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond.

Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen

bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was

teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim

was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en

dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne

schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens

gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was.

Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats

voor verwondering, toen hij, alléén bij den Keizer toegelaten,

dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt,

terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed

hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de

schuldige, daar binnentrad.

--Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!--begon Akbar ten

laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep

beschaamden, in gebogen houding vóór hem staanden zoon;--ik zag op

tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt

hebben!

Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege

oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een

bittere en hartstogtelijke klagt:

--Mijn zoon! mijn zoon!--riep hij uit,--dat ik dit van u beleven

moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en

verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb

lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te

voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet

ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord,

hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd

verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen

eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart,

die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks

heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog

gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten

stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn

verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan

onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te

behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw

voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet

meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat

ééne ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd

heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel

ondervonden hebt?

Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een

oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst,

die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke

schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet

slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem

rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het

despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij

bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de

plaats leert stellen van regt en van pligt.

--Maar neen!--ging de Keizer weer voort,--gij hebt het niet

gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in

staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit ééne? Een

tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij

opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de

beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen,

gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog

maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar

wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg

gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid

en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer

toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als

die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk

moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al

gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees.

Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied

verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat

ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe

gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op

raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad

zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste

verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar

genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en

de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig

in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren,

dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen

Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig

blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen

heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij

diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft.

Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en

door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn

eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien

genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand!

En wél zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet

blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns

vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom,

Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou

in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen

zou verslaan!... Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk

bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't

eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche

raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans

als niets buitengewoons en iets wél verschoonbaars voorgesteld. En

door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen

verbergend, zich op de knieën voor zijn vader neer.

--Sta op!--sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend

zijn zoon te hebben aangezien,--en luister! Dat ik het volle regt

bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt

goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen

betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die

welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden

zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd

zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering.

Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor

goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere

broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil,

dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te

verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles

afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit

oogenblik wel zult willen, opregt:--Verlangt gij nog met mij mede

te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen

lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene

eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt

gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik

u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen

als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de

keus.

--Mijn vader!--antwoordde thans eindelijk Selim,--ik gevoel het

volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even

grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien

ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging

vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene

onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp

terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren

en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed

ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met

gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn

tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl

gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut

van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die

geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet

geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan

verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer

roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de

magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al

is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid

vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef!

--Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,--hernam Akbar,--en de regte

zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik

gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van

schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle

grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot

dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke

en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog

wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze

landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering

invoeren ook dáár! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het

bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning

zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede

ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken,

de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan!

Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen,

en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij

heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen

vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar

gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen

hen beiden worden verstoord.

Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van

althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen

en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor

ééne ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze

vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars

vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de

verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang

haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had

gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij

daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren

gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren

liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting

toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve

vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam

ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar

gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren

Siddha vernomen had, reeds gestemd.

Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was,

kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn

ééne getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden

hem vergezeld.

--Edele jonkvrouw!--sprak hij, bij Iravati toegelaten,--ik

belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over

te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat

u wel bekend zal zijn....

En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen

sluijer vóór haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij

voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien.

--Ik begrijp alles!--riep zij verbleekend uit, terwijl zij

opsprong;--hij is niet meer!...

--Zóóver--antwoordde Koelloeka,--was het nog niet gekomen toen ik

hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen,

hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn

voormaligen leerling weer zal zien.

--Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?--vroeg Iravati.--Zie!

ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij

alles mededeelt.

En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's

laatste ontmoetingen wist.

Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd,

met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden

op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij

een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren

telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven,

en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de

dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter

met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl

hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en

hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te

omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone

onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen

voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van

den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten

laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl

de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen

uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en

hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan

een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk

van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook

hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt

aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong

Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst

meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn

blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw

aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan

wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast

zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de

nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg

hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven.

Akbar: een oosterse roman · 第 19 / 21 段