Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op

dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden

wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal

van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het

klooster verlaten had.

Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan,

en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en

bleef in gedachten vóór zich staren. Eindelijk nam hij weer het

woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide

hij:

--Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd.

Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat

gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te

verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe

betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had

wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de

vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke

ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling;

maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te

blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins

zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets

harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was,

toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u.

Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn

dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe

omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der

menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en

dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger

zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo

verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de

boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den

werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen

in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te

doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook

zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet

benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan

anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer

goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt

kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen

gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam

te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in

zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die

afzondering dienen, óf voor uzelf óf voor een ander? En dan

Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen

wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u

te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf,

maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of

deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet

enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou

zijn.... Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk

geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande

trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt

wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij

waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe

zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij

zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid

niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij

zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van

uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een

ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u

bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht

gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't

alles niet weder laakbare zwakheid?

--Maar de laatste woorden van Feizi!--sprak Siddha, toen de

kluizenaar op een antwoord bleef wachten.

--Ik had de tegenwerping voorzien,--hervatte Gaurapada,--en ik

wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten

wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij

deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden

misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer

ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig

oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man

behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven

vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige

daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner

medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij

tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht

door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te

doen.... En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u

volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige

uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd

bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar

dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de

laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg.

Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor

soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij

zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en

driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover

anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die

wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg

niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer

gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en

de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de

verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van

uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u

harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid

waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen

oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde

trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is

ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar

Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar

gescheiden te houden, en in Kaçmir of elders kunt gij even goed als te

Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en

meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!--Neen, antwoord

mij thans niet terstond,--sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij

Siddha gereed zag het woord op te vatten;--neem thans de rust, die, ik

zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles

hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't

geen ik gemeend heb u te moeten aanraden!

En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en

liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen.

Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen,

en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de

beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te

paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer

de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:--

Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij

tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en

ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat

ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt

mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer

toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de

ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt

verspild!...

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Bij het praalgraf

In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft

zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en

door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend

van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de

vóórlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette

ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer

ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke

boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van

aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw

zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner

lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de

muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom

door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen

omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen

en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die

grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden,

maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen

doode, van Akbar.

Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar

in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man

in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van

zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone,

bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den

sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha

Rama met zijne thans overgelukkige Iravati.... Bewonderend zagen

beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van

wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den

hoogsten eerbied gesproken hadden.

Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders

geworden.

Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van

zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat

hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde

nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar

niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand

dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht

kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne

opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden,

onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het

bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen

vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te

spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim

overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als

Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een

dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het

nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij

geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij

geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal

bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens

Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig

ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn

huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een

veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem

verkreeg.

Dat Kaçmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te

voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering

kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het

ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De

zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden

verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning

benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te

volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl

Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef

staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode

had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het

nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame

beambten rust en welvaart verzekerend bestuur.

De kluizenaar van den Bhadrinâth beleefde niet meer de volkomen

onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een

bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te

bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op

eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij

gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had

geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de

zijde van Kaçmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en

begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te

lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en

het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na

enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend.

De dienaar begroef hem nevens dezen.

Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met

Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker

berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des

schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield

hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en

diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door

velen diepbetreurden oom.

Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe

langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het

ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en

ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin

hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel

Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan.

De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er

later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag

evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de

bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche

dweepers behooren.

Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika

huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter

bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van

meester en gebiedster zullen gevolgd hebben.

Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer.

Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in

Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich

daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed

voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar

bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde,

wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef,

had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms

nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem

den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun

huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast

niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst

volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen

had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar

wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in

levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare

handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in

gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan.

Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten

verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken

werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware

steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts,

toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel

terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier

gekomen was....

--Feizi!...--klonk het uit zijn mond....

Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de

beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En

ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd

die hem eenmaal zoo diep beleedigd had .... Maar hij scheen zich

te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha

een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij:

--Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die

altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te

haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal

reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn

hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar

ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde

plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik

eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne

plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha!

Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar vóór zijn

edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man,

die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had.

--Zie op!--sprak Feizi weder,--en ontvlugt den blik van uw

vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn

tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van

uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te

harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u

hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans

hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat

gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet

geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt

heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor

niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan

haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden,

vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele

echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn

tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel

vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig

gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen!

Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne

ontroering scheen bekomen.

--Heer!--sprak zij,--ik zeg u dank, innigen dank voor uwe

grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die

nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt

is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft

gebukt gegaan!

--Ik zoek naar woorden,--sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl

hij thans ook de hand van Feizi aannam,--naar woorden om uit te

drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet

te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt

achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot

een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben

dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de

hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te

zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste

wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig

teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog

geworden kon.

--Toch zal--hernam Feizi,--onze tegenwoordige toevallige

zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting

waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij

heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met

een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo

min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel

't mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder

behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te

Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzië, mij uitgenoodigd

om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke

werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor

geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar

behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier

gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn

vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats.

Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en

huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven

bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had.

Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al

waart gij nooit in de gelegenheid hem zóó te waardeeren en zóó

lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen én in zijne

buitengewone grootheid én ook in zijne kleine maar doorgaans nog

altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend.

--Ik heb--merkte Siddha aan,--inderdaad hem zóó nooit leeren

kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet

anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te

herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden

had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en

dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de

vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik

in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige

wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan,

toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te

midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van

karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die

de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad,

zoo één, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend!

--Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,--sprak

Feizi,--in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote"

pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden

toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien

groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht

dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe

te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens

gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten

geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de

wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren

er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten

deel valt dan hem; maar zéér zelden toch zal er een magthebber in

de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne

grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de

schoonste en edelste beteekenis van het woord ...--En nu:--besloot

Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,--

vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik vér van hier zal

zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven

ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen

heeft! ...

Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de

breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park

vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij

een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de

nagedachtenis van den grooten Keizer.

--Zoo gaan zij dan allen,--sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts

keeren,--allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien

wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch

sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de

dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de

herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte

bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen

na dezen. Of dàt niet de onsterfelijkheid zou zijn?...

End of Project Gutenberg's Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer

Akbar: een oosterse roman · 第 21 / 21 段