--Gij hebt wederom regt, Feizi!--sprak de Keizer, zich oprigtend

in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend

als met nieuwen levenslust bezield;--het is zoo, ons betaamt te

werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is,

onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog

overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij

ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar

tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld!

Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit ééne vindt wis

genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel;

daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel

te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin

wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar

zooals ik behoor te zijn. Dát toch is de roeping van den vorst,

zoolang nog de beweging niet vóór alles uitgaat van de volken

zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en

bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of

verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan,

Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder

op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht

gesproken hebt!...

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De ontdekking

Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger

uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich

reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar

evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk

vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo

hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan

Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond

naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet

geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den

laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins

raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij

haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo

mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering

gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen

avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn.

Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne

verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de

sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was

gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het

gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur

voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden

voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe

reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man

naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar

in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten

verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana

herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste

gejaagdheid uitriep:

--Wij zijn verraden, schandelijk verraden!--De Keizer--ging hij

voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,--is van al

onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik

heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd

in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds

bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook

in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er

in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen,

van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen,

zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar

zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De

onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij

eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt

naar Kaçmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om,

en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij

ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen

zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te

verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt

uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles

weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet

op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste

maatregelen te beproeven.

--En waarin zouden die kunnen bestaan?--vroeg Goelbadan.

--Gorakh en de zijnen--antwoordde Salhana,--moeten te hulp komen,

en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te

bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn....

Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden,

en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts

doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds.

--Selim behoeft daar niets van te weten,--ging Salhana voort,--en

we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal

zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't

niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik

naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de

teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding

kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt

gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen

vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij

tegenwoordig met hem?

--Ik zag hem in lange niet hier,--antwoordde Goelbadan,--maar de

reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik

maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij

wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne

Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer

is, niet vóór dien tijd.

--Inmiddels--zei Salhana,--houdt gij u bezig met dien neef van

mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk

geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden.

--Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen;

en wél bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft

onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van

pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem

dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben

gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij

wel eens in den weg kon zijn....

--Wat is dat?--vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde

van de veranda keerend,--mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan

hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek

zijn?

--Onmogelijk!--antwoordde Goelbadan,--het poortje aan den tuinmuur

is immers goed gesloten?--Salhana herinnerde zich ook niet dat hij

't inderhaast had opengelaten;--en van de andere zijde is geen 't

minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is

vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan

langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den

tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten.

--Alles--hernam Salhana,--is dan goed afgesproken, niet waar? Gij

zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij

met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij

spoedig van hem en al zijn volk bevrijd.

Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen

langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij

verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het

beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het

nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te

verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden;

en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan

te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn,

behield de overhand, en met één enkelen sprong was hij naar binnen

en stond hij vóór haar.

--Gevloekte slang!--riep hij uit,--gij, die een schandelijk

verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige

voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn

bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u

tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik

zal ze verhinderen.

--Ha! gij hebt daar geluisterd!--sprak Goelbadan, en eene

uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in

die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou

hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar

op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;--en nu denkt gij

ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren!

En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op

hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half

werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling

als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene

gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan

verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren

vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders

door niets belemmerden stoot....

Haastig keerde Goelbadan zich om, en... stortte met een kreet van

ontzetting ter aarde.... Achter haar stond Feizi, en achter hem

vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel

in de hand.

--Genade!--kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha

wezenloos het tooneel stond aan te zien,--genade, mijn gebieder

en Heer!--En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere

lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieën naar den

beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate

zij digter hem zocht te naderen.

--Terug!--riep Feizi,--terug! spaar mij uwe onreine aanraking!--

Bindt die vrouw,--sprak hij tot zijne onderhoorigen,--en voert

haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng

bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering

ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in

verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken,

waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van

haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar

schuldig hoofd!

Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu

niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne

voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf

te verligten.

--Hoop--sprak hij,--doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier

naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien

nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de

bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of

eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal

staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die

verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij

uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij,

dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht!

Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij

toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een

gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen vóór

zich uitgestrekt.

--Doet uw pligt!--zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig

droegen zij de bewustelooze weg....

--En nu gij!--zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij

zijn sabel uit de scheede toog....

--Mijn leven heb ik verbeurd,--sprak Siddha, zijn kleed

openscheurend,--stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik

wensch den dood als eene genade van uwe hand!

--Dat begrijp ik!--antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam

liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,--dat begrijp ik

zeer goed. Maar ik ben, wél bezien, niet voornemens aan uw

verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er

misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de

voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot

een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik

verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd

van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen

gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman

noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die

herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al

overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang;

en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen

blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf

eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt.

Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek!

Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende

handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel

gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele

schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij

deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en

vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten

poort.

Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan

de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige

sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er

eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu

eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden

krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid.

Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een

drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts

onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne

opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen

mee te drinken en mee te spelen.... Daar was het hem op eens als

werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag

hij het gansche tooneel weer vóór zich, waarin hij daar straks

eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde

oogenblik verdrong weer ééne gedachte tijdelijk al het andere: de

herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had

Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar

te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk

ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook?

Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou

eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg,

nog vóór zijn.

Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans

ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem

teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan

een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en

gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,--dien vos van Feizi,

dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia

evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het

belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen.

--Maak u gereed mij te volgen naar het leger,--zeide hij tot

Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,--maar van

verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een

uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't

noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik

u volkomen kan vertrouwen...--En hier deelde hij hem zooveel als

vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem

bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij

zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong

hij in den zadel en reed spoorslags voort.

Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend

paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen

betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra

weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp

gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen

alléén in zijne tent ontving.

--Wat komt gij hier uitrigten?--vroeg Akbar op strengen toon.--

Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een

vergrijp, dat u duur te staan kan komen.

--Sire!--antwoordde Siddha,--indien geen ander vergrijp door mij

gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken.

Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste

misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van

verraad!

--Ik vermoedde zoo iets,--sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet

een stap terugtrad,--en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op

te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw

ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder!

In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde

Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend

had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten

verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder

gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er

in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij vóór

hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik:

--Uw misdrijf eischt den dood!

--Dat weet ik, Sire!--was het antwoord;--en ik kom mijne geregte

straf van Uwe Majesteit verzoeken.

--Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het

verraad ontdekt zou worden?

--De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven

rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en

voor ieder die mij herkennen mogt.

--Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit

zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij

hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw

verhaal.

--Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet

zeggen vóór mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik

verder gaan.... De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog,

in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling

verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde

ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke

straf ik had verdiend....

En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de

beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan

en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan.

Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak

gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en

weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het

verhaal was geëindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch

sprak ten laatste:

--Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste

mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had

uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst

bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds

een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op

zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem

die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u

is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe

verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben,

en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt

zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens

mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij

waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het

zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet

gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let

wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw

schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die

onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij

onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij

door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de

herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan

misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste

overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige

trouweloosheid zult schuldíg maken en voortaan beter de

waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den

tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en--

uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb

bedrogen!

Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk;

maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom

van zijn gewaad.

--Ik dank u, Sire!--sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt

had op te staan,--niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde

meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een

deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo

't mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik

vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn

aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de

rooverbenden wordt gevoerd.

--Ook die gunst wil ik u verleenen,--antwoordde de Keizer,--maar

vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de

getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen.

Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester

zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste

geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven,

er niets van bemerkt.

Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en

aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was

Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer

op weg.

Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede

veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen.

In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en,

schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was

toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld

op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten

jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem

een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop

medegevoerd naar het kamp.

In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den

sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen.

--Uw verraad, Salhana!--sprak de Keizer,--en ook uw nieuwste plan

is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u

gereed te sterven. De beul wacht u!

Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen

voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond

aanrakend.

--Spaar mijn leven!--bad hij.--Straf mij, genadige Vorst! maar...

laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik

weet.

--Salhana!--antwoordde de Keizer met de diepste minachting,--ik

wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog

niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt

al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner

te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat,

ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u.

Slechts één ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te

vinden?

--Ik zal het u zeggen!--riep Salhana uit, met onverholen vreugde

dien straal van hoop begroetend;--ik zal het nauwkeurig aanwijzen.

En dan?...

--Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen

valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard.

Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men

den Yogi in zijne vermomming kon herkennen.

--Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,--beval de

Keizer aan Siddha,--en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten,

zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen

aan den eersten boom den beste.

Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen

van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester

weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat.

--Ha, mijn jonge vriend!--zei de priester, Siddha herkennend, met

zijn hatelijksten lach,--vergeldt gij zóó de belangstelling die ik

u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch ééne beleefdheid;

die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij

verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar?

--Zoo is het!--antwoordde Siddha.--En nu gij,--vervolgde hij tot

de wachten,--voert dien man buiten het kamp en dat ginds het

vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts!

--En wat is dat vonnis?--vroeg nog de ander.

--De strop!--was het antwoord.

--Goed!--zei Gorakh,--dat blijft in mijn vak!

Akbar: een oosterse roman · 第 18 / 21 段