--Dan--hernam Aquaviva,--blijft ons niets anders over dan te

bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene

wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet

tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal

in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig

gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem,

en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te

weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel

zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met

Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld!

--Dat is zijne zaak!--riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig

van zijn bedaardheid verliezend;--maar de mijne is, te waken voor

de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen

tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of

schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of

vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne

landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten

als de Mohammedanen in hunne moskeën en de Hindoe's in hunne

pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik

dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen

bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche

kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit

mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen

een voet meer op zijn grond.

Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en

beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef

hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet

tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst,

en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter

krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te

verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling,

dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van

zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten

brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste

beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien

nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig

uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn,

voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde

Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs

gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed!

Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den

teleurgestelden en zwijgend vóór hem staanden missionaris af.

--Eerwaarde Vader!--sprak hij nu weder op zijne gewone

vriendelijke wijze,--het is mij waarlijk leed, dat gij een

oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en,

met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag

te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch

u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde

van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was;

en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe

wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij

omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen

niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt

ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat

het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer

godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen

maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting

van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was!

Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt

van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt,

voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar,

de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook

slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets

vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van

vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens

oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en

wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der

alleenzaligmakende Kerk.

--Vergeef het ons, edele Vorst!--zoo sprak hij, bewogen in weerwil

van zichzelven,--als wij soms woorden uiten die u mishagen en u

ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk

ontvingen!--Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt

voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de

geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten

en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor

't geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al

geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven

vergezellen ook dan wanneer wij vér van hier zullen zijn!...

Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den

Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde

hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het

vertrek.

In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar

enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij

plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met

een half onderdrukten vloek beantwoordde.

--Verdoemde Christenhond!--bromde die man, terwijl hij zich verder

spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer

begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar

toegelaten.

--Gij ziet,--zeide deze,--ik ben steeds gaarne voor u te spreken;

en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij

dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige

omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel

wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan.

--Sire!--begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens

onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't

minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem

ontving,--ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van

hier te gaan.

--Hoe nu, mijn waarde vriend,--vroeg Akbar,--ook gij? En wat noopt

u ons zoo plotseling te verlaten?

--Onwil--luidde het antwoord,--om hier steeds te blijven aanzien,

wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot

in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan

het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en

waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog

langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u

gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien

reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het

ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze

en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt,

acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den

duur daaraan het hoofd te bieden.

Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime

kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten

te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en

bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij

toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst

gevaarlijk voor uwe regering is.--Maar, zeide ik,--dus ging hij

voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere

voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,--ik wil

ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en

sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de

uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet

hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei

goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij

ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken,

met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden,

Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag

verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet

niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf

ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din

Mohammed! gij doet wél eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie

des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal

bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo

smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog

niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en

overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien

verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi

den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die

ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd;

en juist dien éénen man toont gij openlijk te vereeren boven

allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld,

zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot

waarschuwing strekken vóór het te laat is! Men heeft u, ik

betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste

gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u

verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor

u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan

en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen

bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat

hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de

meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en

zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw,

als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis

die hem wachtte!...

--Dat is gelogen, schandelijk gelogen!--riep Akbar eensklaps

opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard

had laten uitrazen,--dat is schandelijke, gemeene laster, zooals

gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en

gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een

smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen!

Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat

weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van

iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus

uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik

heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij

waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord

met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in

mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt

misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden.

Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste

overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel!

ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn

verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn

regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die

laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet

meer in staat is zich te verdedigen!

--Neem mijn hoofd!--sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken

in 't aangezigt starend,--gij weet dat ik u mijn leven wenschte te

wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad.

Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter

voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij

waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn

pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien!

--Genoeg!--zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,--ik

begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar

waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen!

Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed

met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het

vertrek....

--Abdal Kadir!--sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den

voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de

hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,--

laat ons zóó niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang

gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik

weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en

belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het.

En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele

opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze

tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk

man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u

niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet

anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange

jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd,

en vergeet, al is 't ook maar voor één oogenblik, de oorzaken die

onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?...

Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het

gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had

verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand

begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk

gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt

wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den

altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding

zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze

met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand

een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen

dan zou Akbar nooit wederzien....

Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had

achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele

schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht,

dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken

tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette

hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte

zich het gelaat met de handen.

Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was

hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in

arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En

dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte

aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een

tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand

kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo

lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de

krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter

wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook

gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der

godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de

overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars

was geweest.

--Godsdienst!--sprak Akbar in zich zelven,--wat is het? Is het een

gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest,

dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het

verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een

heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel

vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben

en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een

noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en

overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne

overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid,

die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen

beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot

misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt?

Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal

ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol

van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen

gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen

godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den

mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zóóver zijn ze 't

allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd;

een ieder roept: de mijne, en de mijne alléén! en de zwaarden

vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan

beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er

ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt

voldoen, en alle menschen vereenigen in één eenigen liefdeband?

Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en

mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben?

Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog

het verlies van illusiën, die ons dierbaar werden!...

Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar

opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend,

ook onaangediend bij hem te verschijnen.

--Akbar!--sprak Feizi,--waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele

en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees

een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het

is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder

diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder

betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden

vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat

de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren,

die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te

zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer

onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt

voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet

onfeilbaar is.

--Mijn trouwe, mijn edele vriend!--antwoordde Akbar,--van harte

dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is

mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate

omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij

zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken

broeder komt daarin slechts voor een deel.

En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid

van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de

overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid.

--In dat alles--sprak Feizi, toen hij een oogenblik had

nagedacht,--herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en... mijn

idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat

mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik

hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen,

als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch

gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich

uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen

voorstellingen en leerbegrippen. En in zóóver hebben de menschen

volkomen gelijk, die mij een atheïst noemen. Maar daarom ben ik

nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar

mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring

zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield

ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel

op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en

het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie

ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere

hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds

aanstonds, maar lang nog vóór den tijd, zoudt wenschen gevonden te

hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij

reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog

brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige

duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat

daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren

zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden?

Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen

misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich

ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk

inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen?

En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook

niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog

onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven

opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn

om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het

tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen,

volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig

wezen ooit kan zijn weggelegd?

--Uw geest streeft hoog,--zei Akbar,--uw blik ziet ver. Mij te

hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die

late, late toekomst brengt mij weinig troost.

--Maar verlies ik dan--vroeg Feizi,--het tegenwoordige uit het

oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof,

of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch vóór alles

geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne

maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn

opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel,

wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk vóór handen

liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte,

juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze

zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van

den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen

ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets

anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij

tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't

ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en

meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de

onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets

anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield

hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de

vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval

voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door

volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het

volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien,

alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen

eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een

Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou

hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben

gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug,

mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu

eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de

verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met

ijver den aangevangen arbeid voort te zetten!

Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet,

toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de

Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De

ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn

woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een

spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de

voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan

onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde

stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook

gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te

voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen

dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het

onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond

ware bedorven geworden ....

Akbar: een oosterse roman · 第 17 / 21 段