Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover.

Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken

terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna

begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten,

dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had

ter zijde gestaan.

--Zeg aan Akbar,--sprak hij,--dat mijne laatste gedachte aan hem

is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging

omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook

nog gisteravond, te zamen bespraken.... Den zonneglans zie ik

nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft,

maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd .... Doch ik beklaag

mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner

medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht.

En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat

gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!...--En nu vaarwel!--fluisterde

de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de

hand drukte ....

Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat

zijn arm niet meer steunde dan een lijk....

Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks

denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo

aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst

vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde.

In het gebergte van den Himâlaya, en voornamelijk in den omtrek

van den Bhadrinâth, had gedurende verscheidene dagen een drukkende

warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere

regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende

aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze

telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de

zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk

rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten

strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom

zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne

bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de

bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich

Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog

verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen

daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en

verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden

glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen

werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de

ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en

bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de

meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht,

bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht

flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid

brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar

de dalen vloeide.

Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met

welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde

lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend,

met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner

woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de

zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het

aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra-

dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't

eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer

sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen.

Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kaçmir en Agra

gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de

toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland.

--En zoo moet het--dus overlegde hij,--dan toch eindelijk tot

datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te

wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde

overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en

onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft

gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een

naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten,

en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan

moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan

wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?--Neen!--ging hij voort

in zijne gedachten,--dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug

wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het

bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat

deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk

redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud

geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar

jeugdige kracht vóór alles zou worden vereischt. Lang ook kan het

met mij niet meer duren.... Mijn hoofd is moede en verlangt zich

neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het

oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het

Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan

ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren ....

En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte

op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor

een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen,

wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik

hervatten.

--Ook is het misschien nog het beste,--zoo dacht hij wederom,--

dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn.

Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien

telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te

voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk

bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne

voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een

verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig

weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich

nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor

een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds

vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware

geweest dit te beleven van mijn eigen land!

Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten

laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der

beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust,

heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen.

Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een

insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving

hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof

hij niet alléén was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde

niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na

eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat

de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf

aan een nu onoverwinnelijken slaap.

Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem

daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij

vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord

vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds

ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken

ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij

met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog

krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem

door de vingers en scheen hem te ontsnappen .... Daar klonk

plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord

door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag

Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen

glinsteren.... Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem

terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen

klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak vóór hem lag

uitgestrekt.

Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld

met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij

het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht

hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat

er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te

worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger,

door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger

even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd

was.

--Terug, Hara!--riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in

den nek grijpend,--terug, zeg ik!

Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten

laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester,

trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand

nederleggen.

Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen,

door den tijger met één slag in den rug gevelden vijand van den

grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog

leefde, voorzigtig op het mos.

--Ik ken dien man,--zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;--ik

bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst.

Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval?

Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan

had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend,

fluisterde hij, blijkbaar met verbazing:

--Nandigoepta!... Kan het mogelijk zijn?

--Nandigoepta inderdaad!--antwoordde de ander;--maar gij, wat

bewoog u, mij naar 't leven te staan?

--Mijn Heer en mijn Vorst!--sprak de Worger, voor enkele

oogenblikken nog met vaste stem,--ik zweer u bij den magtigen çiva

en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u

lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet

hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de

straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve

uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als

offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam!

Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar

wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk

ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was

doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en

ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij

verder:

--Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien

gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat

Doerga mijn dood verlangde?

--Gorakh, de Yogi!--was het antwoord.

--Ha! die schurk!--mompelde Gaurapada;--dan zit er stellig nog

meer achter.--Gij zijt dus,--vervolgde hij,--naar ik bemerk, een

Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid.

Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren

offer?

De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden,

schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen

stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend:

--Ook de eerste Minister in Kaçmir, de broeder van Salhana, werd

daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn

broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag

mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij.

--En is uw broeder reeds sedert lang naar Kaçmir gegaan?

--Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging

toen voort naar het Noorden.

--Te voet?

--Ja!

--En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent

den Minister en mij bekend werden gemaakt?

--Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt

de last aan anderen overgedragen.

Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter

zijde.

--Ga--sprak hij,--en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een

reis hebben te ondernemen.

Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde

terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had.

--Heer! sprak fluisterend gene,--ik heb nog maar enkele

oogenblikken te leven.... Maar verleen mij nog ééne gunst na de

vele, die ik van u genoot!... Zeg mij, dat gij mij vergeeft!

--Ik vergeef u, arme man!--antwoordde Gaurapada;--ik weet het nu,

dat gij een werktuig waart en niets anders.

--Dan sterf ik gelukkig!--hernam de Worger;--en met een voorsmaak

der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat

de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als

offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is...

--Heilige, driewerf heilige Doerga!--riep hij, als op eenmaal door

nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend,

met luider stem,--ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!--

Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag

bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling

was niet meer....

Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam

staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met

wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van çiva een

spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht.

--Tot wat--prevelde hij in zichzelf,--de godsdienst al niet leiden

kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms

misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch

was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als

martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige

zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die

eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen

tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat

van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg

opene tegen hen?...--Doch neen!--hernam hij, 't hoofd schuddend,--dat is

toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging

daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen

blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk

en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?...

De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada

afbreken.

--Help mij--sprak deze,--den man begraven, die daar ligt; hij is

dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders

zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te

paard! Haast u naar Kaçmir, om den Minister te waarschuwen omtrent

hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den

broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra

mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen

en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in

aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh

zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is!

De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij

om den nek van anderen doet slaan.

--Doch, geëerde Meester,--vroeg de dienaar aarzelend,--wilt gij

hier nu zoo geheel alléén blijven in de wildernis? Men schijnt uw

schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe

dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van

hier, nu ik misschien voor u waken kon?

--Mijn beste vriend!--antwoordde Gaurapada glimlagchend,--maak u

over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in

vergelijking van die grooter belangen, die van een wél en spoedig

slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier

alléén haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang

Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't

vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden

zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk

nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen.

Staat uw paard gereed?

--Ja, Heer!

--Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons

werk!...

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Afscheid

De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op

den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps

ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke

nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste

stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als

overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde

zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de

nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te

bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten

te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den

moordenaar,--een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd

gegeven, daar de Radja zich vér vandaar in volkomen veiligheid had

gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en

hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man

van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last

der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij

zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer

vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de

kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen

belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met

het hoofd der Jezuïeten-missie, den Padre Aquaviva, die vóór zijn

aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen.

--Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?--vroeg

Akbar, toen de Jezuïet bij hem was binnengeleid.

--Ik moet wel, Sire!--antwoordde Rodolpho,--onze Provinciaal roept

mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe

Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en

de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog

gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk

verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw

vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn,

naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een

man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid....--Al

ware mij,--voegde hij een oogenblik later er aan toe,--al ware mij zulk

een troost niet genoeg.

--Niet genoeg?--herhaalde Akbar verwonderd.--En wat hadt gij dan

meer nog verlangd?

--Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was

reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was.

--Aboel Fazl,--antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en

waardigen toon,--Aboel Fazl was even rein van ziel als één uwer,

om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen

te sterven.

De Jezuïet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de

Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat

nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou

zijn.

--En denkt gij spoedig terug te keeren?--vroeg Akbar na eenige

oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend.

--Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,--

antwoordde Aquaviva;--wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel

genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als

mislukt te beschouwen.

--En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd,

bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest

volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren

wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar

nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de

geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf

zou hebben blootgesteld?

--Sire!--antwoordde de Padre,--wij moesten al zeer ondankbaar

zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor

niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is,

wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wél is u bekend, met wat

schoone, heerlijke verwachtingen wij vóór eenigen tijd in Agra

kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde

schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de

hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt

doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij

hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de

Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste

zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen!

Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen,

blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze

zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch... al blijft

er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar,

waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en

onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien

gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten,

die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet

zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat!

--Met reden--hernam Akbar,--laat gij nu de eigenlijk dogmatische

vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit

eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen

opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden,

waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om

te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld

gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste

andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der

algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen,

hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles

volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij

al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt

gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de

wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe

eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen

over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en

duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van

u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden?

Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en

is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.--En zeg mij!--

vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een

doordringenden blik,--zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij,

Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens

christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan

uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers

werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij

uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur?

Bedremmeld trad de Jezuïet een schrede achteruit. Dergelijke vraag

had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het

kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou

gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals

hij ze nu voorstelde.

--Maar, Sire!--stotterde ten laatste Aquaviva,--dat alles is nu

immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer

van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten?

--Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord

bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't

gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk

met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij

zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u

onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter

handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij

natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u

eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende

met de leer uwer Evangeliën in haar geheel instemde om haar

openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen

weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige

gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne

burgers zou na zich slepen.

Akbar: een oosterse roman · 第 16 / 21 段