Feizi,--vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds
zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de
vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt
verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas
mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het
eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig
op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige
goocheltoeren uitloopt.
--Zóó ongunstig--zeide Koelloeka,--denk ik nog niet over het
systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't
bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging
met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het
menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet
hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel
dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde
vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het
denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort
van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor
het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te
vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij,
althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt
uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch:
juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger
standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich
verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken
zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in
hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen
maar geen ledige abstractiën blijven, maar aan het volle en
krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de
kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en
burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het,
kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het
eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het
algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten
levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in
waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden?
--Ziedaar,--sprak Akbar,--een woord naar mijn hart! Maar diezelfde
gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer
oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de
zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch
niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't
bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en
zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat
meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en
de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat?
--Inderdaad,--antwoordde de Brahmaan,--den naam van wijsgeer wel
onwaardig zou hij zijn, die niet dát juist en de daaruit
voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het
hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud
der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige
oplossing van het wereldraadsel?
--Zeker niemand,--gaf nu Feizi ten antwoord,--althans tot heden
niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die
ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet
vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen
stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger
en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den
ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een
eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal,
waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband
wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet
ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen
van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf,
wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en
openbaringen van dat ééne Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om
ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene
ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds
duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen
weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den
achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan
het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat.
--Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!--sprak Akbar weder,--maar
zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en
verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer?
--Ongetwijfeld,--was het antwoord,--aan dat ééne begrip in zijn
afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook
in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij
moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat
oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige
verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen,
die zich toewijden aan de wetenschap.
--Gij begrijpt mij nog niet volkomen,--hernam de Keizer;--wat gij
daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu
eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt,
zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan?
--Intelligentie, denken,--antwoordde de ander,--is een noodwendige
eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof
noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich
openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen
heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets,
tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?...
Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer
zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets.
--Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi
rigtend,--uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch
voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geëerbiedigden
Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat
begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het óns?
--Wel,--antwoordde Feizi lagchend,--het behoeft u ook niets te
geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook
daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet.
Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip
toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in
zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en
waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer?
--Ik geef 't u gewonnen,--hernam Aboel Fazl;--maar ik sprak nu niet
zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die
dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets
meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't
nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen
in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't
algemeen?
--Onze vriend Aboel Fazl--zei Akbar,--heeft daar juist teruggegeven wat
ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik,
inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te
denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere
weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande
godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig
dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten.
--Ik meen de bedoeling te verstaan,--sprak Feizi, toen Akbar een
oogenblik zweeg;--het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe
leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele
onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo
niet?
--Inderdaad,--antwoordde Akbar,--gij hebt u daaromtrent niet
bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om
er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u,
Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering
verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek
mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! ...
lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het
redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die
tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog
ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van
sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die
van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude
zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk
zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en
het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende
verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang
misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wél bezien, eene
verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van
later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere
zekerheid zal verheffen.--Ziet!--vervolgde Akbar, terwijl hij
nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en
naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,--daar
verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht
en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans!
Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot
hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van
het levensbeginsel zelf in het heelal en van die ééne alles
doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit
in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte
inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk
niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de
bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in
het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de
meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens
weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den
grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is
diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens
daarin op; en welk verschijnsel in één woord, waarin ze niet
voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit
alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der
dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die ééne kracht
tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij,
Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend
Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen
hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld
gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen
ontleende leer,--altijd uitsluitend door redelijke overtuiging,
nooit anders,--bij het volk te beproeven en te zien of zij niet
het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo
algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te
onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het
geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i
Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn
Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremoniën, uitwendige
vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten
ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende
den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door
onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige
eeredienst mogt noemen.--Van dit een en ander--zoo besloot de
Keizer,--had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk
gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen
mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw
gevoelen!
Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de
uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het
stilzwijgen.
--Wijze vorst!--zeide hij,--vergeef het ons zoo wij niet
onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende
mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door
u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden
meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke
juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan
onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn
toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar
dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de
menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig
weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten
slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke
vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wél, dat ongeveer
diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds
eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft.
En wat is er van geworden?... Maar niet in later dagen alleen, ook
in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al
een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als
menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom
gemoed:
"Hij die adem, Hij die kracht geeft,
Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen,
Wiens schaduw is de onsterflijkheid,
Wiens schaduw is de dood,--
Wie is die God, wien het offer wij brengen?"
Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya,
de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der
ééne levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger
toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der
geslachten, die ons zijn vooraf gegaan?
Akbar gaf geen dadelijk antwoord.--En gij, Feizi!--vroeg hij,--
wat is uw gevoelen omtrent de zaak?
Weinig of niets--antwoordde Feizi,--heb ik tot nog toe te voegen
aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt.
De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude
tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden
teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het
door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen
toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij
zich eigenlijk houden zal.--Wie weet het,--vraagt hij,--
"Wie weet het, wie verklaart het ons,
Vanwaar dit Al ontstond?
De Deva's zelf zijn later dan zijn wording,
Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond.
Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiep
Of niet,--dat slechts weet Hij,
Die, alles ziende, in gindschen hemel troont.
Hij weet het, of... ook Hij zelfs weet het niet!"
De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve.
Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de
tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van
zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds
de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander
omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet
dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere
gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden
geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar
weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere,
daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en
de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan
beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die
Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt
gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen?
--Maar Feizi!--vroeg Aboel Fazl,--wat zoudt gij zelf dan wel
verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die
hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer
beoogt?
--De groote wijsgeeren--was Feizi's antwoord,--der natie die ginds
het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden
sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben,
waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, één groot
beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch
door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Vóór
alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere
middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal
het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar
deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging
van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan
met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen,
doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet
gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke
behoeften der menschen te voldoen.
--Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,--sprak Akbar ten
slotte,--en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen.
Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger
vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het
eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten.
Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet
op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog
eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen
roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik
dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel
Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en
welgemeende tegenspraak!
En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel
Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne
tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Aanslagen
't Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een
paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts
eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode
had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te
branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de
takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder.
De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te
vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te
zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den
hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred
verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom
scheen te heerschen.
Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo
levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed
hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wél
scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor
't eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste,
en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de
vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den
schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder
verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden
naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper
intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem
geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem
moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als
dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den
geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe
anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid
scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de
hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van
gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij
aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had
schuldig gemaakt!
Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden
meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan
eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan.
Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet
anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare
liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen
haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's
vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij,
Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet
weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch
langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om
de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo
niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook
Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis,
misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de
waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe
verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven
liet hij zich misschien als werktuig gebruiken!
Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne
mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman
naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep
mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met
elkaar in gevecht moesten zijn.
--Voorwaarts!--riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde
hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats
van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet
geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en
in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een
Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij
Prins Selim te hebben ontmoet.
Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden
al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds
te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was
geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner
tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu
trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe,
die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk
had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en
zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide
volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe
aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus
hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha
eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te
brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en
juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen,
klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden
zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde
oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen
te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien
uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten
van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne
helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de
vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te
rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er
een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen
uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens
verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel
Fazl zijne zorg.
Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf,
knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend
trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de
breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne
blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem
te herkennen. De vreugde was echter kort van duur.
--Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,--sprak met zwakke
stem de gewonde;--met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor
den Keizer en zijn rijk.... Eén laatst bevel nog! Laat voor Akbar
de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien
soms vermoedt....
--Narasinha--antwoordde Siddha,--was, ik onderstelde het dadelijk,
alleen zijn huurling. De ware moordenaar is....
Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken.
--... Selim!--vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter
zijde voor hem gewaarschuwd.