grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den
echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden
bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij
getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De
gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen;
of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te
verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven
gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op
den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot
verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden
en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den
onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele
Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor
zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij
verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is
gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend
leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal
geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en
rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik
beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam!
--Ik liet u gaarne--hernam Selim na een oogenblik gezwegen te
hebben,--die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij
ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting!
Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is
geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u
aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang
geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien
een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen
verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en
geen edelere ken dan u!
--Prins!--zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,--ik wil u
smeeken om ééne gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook
onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik
gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om
alléén te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik
vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen.
--Ik ware--antwoordde Selim,--den naam onwaardig dien gij mij
toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik
maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het
maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in
mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen.
En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de
galerij.
Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die
haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg
zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend,
weende zij bitter.
Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag
zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de
nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde.
--Mijne dochter!--sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan
zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben
opgemerkt,
--Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder
leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had
de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef
alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken
pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij
zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge
uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle
herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de
nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.--Neen, hoor mij
aan!--vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;--geloof
mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig
oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene
dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam
verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets
mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de
wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost
zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog,
Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot
mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,--ik vermoedde 't sinds lang,
en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij
't mij ook,--Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote!
--Dat weet ik,--antwoordde Iravati.
--Gij weet het? En hoe?
--De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog.
--En uw antwoord?
--Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen.
--Hoe! Wat?--riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis
uit,--afgeslagen? Zijt gij zinneloos?
--Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha.
--Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe
keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet.
--Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem
trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte.
--Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij
zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen
van uw woord.
--Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere
begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te
doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan
uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven,
die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er
geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van
zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na
hem.
--Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde!
Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken
van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet
te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven
en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een
onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft
volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u
aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt
aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om
een droombeeld, een gril.
--'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,--antwoordde Iravati gedwongen
bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,--maar
uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden
mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden
mij evenmin van besluit doen veranderen.
--Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan?
Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan
gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne
ouders tot een der eerste pligten maken.
--Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd
geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik
mag nu eenmaal niet en ik kan niet.
--Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn
dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te
dwingen.
--Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot
niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met
Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben
verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken.
Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien
hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens
van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om
zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als
hij verkoos.
Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel.
Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje,
dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen
had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al
zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu
weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een
onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste
plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in
Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land
beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die
rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad....
--Welnu!--riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij
in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,--gij
verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet
bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan
misschien voor den vloek van een vader!
--Het leed dat mij reeds is opgelegd,--antwoordde Iravati,--zou
er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last
te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede
wat mij is voorbeschikt.
--Gij zijt moedig,--sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat
sarcastischen toon,--of althans gij tracht het te zijn. Ik wil
evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij
wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt
komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat
de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt?
De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop
hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer
zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met
een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De
overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht
der onverzettelijke was gebroken!...
Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder
op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst
met weifelende, daarna met vaste stem:
--Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en
ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar
al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet
bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen
verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier vóór ons
stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te
redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben
mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort
hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik
dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt,
vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige
treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim,
noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder
hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat
...Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den
eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch
bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit
uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat
dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den
man dien zij lief heeft, geldt!
Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem
in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren
omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te
gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een
woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige
schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn
donkere gelaatstrekken verwrong.
ELFDE HOOFDSTUK.
Tauhid I Ilahi
Vóór en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere
bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk,
tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer
rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en
vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop
ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van
verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of
met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats
lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te
genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem
verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men
eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen
keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der
anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen.
--Ja, Ali!--sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot
zijn medgezel,--gij hebt wél gelijk; 't begint van kwaad tot erger
te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten
gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben
er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog
gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat
meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken
hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op
reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een
vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil,
behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals
Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar
dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te
maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet
geprezen zij!
--En wat beduidde dat, Yoessoef?--vroeg de ander.
--Wat het eigenlijk te beteekenen had,--antwoordde Yoessoef,--
weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht
en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de
Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne
vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij
voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen
hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben.
--Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?--vroeg Ali;--ik
heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt
wat het is.
--Heel bepaald--hernam Yoessoef,--weet ik het ook niet; maar dat
het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin
van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal
Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot
geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb
in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan
wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in
stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het
paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt
ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den
zoogenaamden Yogi.--Nu,--vervolgde de spreker, terwijl hij zijne
reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,--weet gij voor
wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf
niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat
wezen... heeft dan de Keizer een verbond gesloten!
Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker
hem aan.
--Behoede ons Allah!--riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij
naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,--
daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna
hem verzwelgen!
En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en
begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig
gesprek met elkander waren gewikkeld.
--Nu, en ik zeg u dan,--sprak een dier laatsten,--wij mogen en
kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo
voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te
zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't
is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene
andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles
zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons
tot nogtoe altijd heilig scheen.
--Maar zóóver zijn we nog niet,--antwoordde de Hindoe;--dat de
Keizer en zijne getrouwen niet véél meer aan uw Koran hechten, is
bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet
zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of
vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd,
en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl
gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en
vervolgen.
--En dat verdiendet gij ook, gij zonen van....
--Komaan, mannen, geen twist!--sprak tusschenbeiden komend, een
Perzisch krijgsman;--dat brengt ons toch niets verder.--En meteen
gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk.
--Laat het dan zijn!--antwoordde deze, en den Hindoe den rug
toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en
den krijgsman die zooeven gesproken had.
Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:--'t Is goed, Mobarik!
--zeide hij,--dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu
gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den
Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik
nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te
keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd?
--De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,--antwoordde
Mobarik,--en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra
hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen
daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra
blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen
zeker.
Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen
geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden,
en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer
vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij,
toen Gorakh met zachte stem hernam:
--Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in
het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te
slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch
altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel
zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit
Kaçmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo
iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons
uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de
Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige
dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan
Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de
vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de
ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen
anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is
gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik!
en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en
behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren!
Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen
ieder huns weegs.
--Dat is gewigtig nieuws!--zei tot zijn medgezel een der beide
mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij
een eind verder waren gegaan.
--Dat zal waar zijn!--riep de ander uit;--en vergis ik mij niet,
dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer,
dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij
moeten natuurlijk wachten tot den nacht; vóór dien tijd naar zijn
paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op
dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden.
--Ook dunkt mij beter--hernam degene die 't eerst gesproken had,--
voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar
dan na middernacht bij den Vizier terug.
En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn
medgezel langs de rivier bleef voortwandelen.
Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in
die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het
gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten
een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had?
Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets
bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan
de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten
minste.... indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen.
Feizi, Aboel Fazl en de vóór eenigen tijd uit het Noorden
teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen.
--Nog geen nadere berigten van uw spionnen?--vroeg deze aan zijn
Minister.
--Sinds eergisteren nog niet,--antwoordde Aboel Fazl;--ik verwacht
hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel
dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen.
--Treurig toch, niet waar?--hernam Akbar,--dat men zich telkens
van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch
ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen
onvermijdelijk?
--Een noodwendig gevolg--antwoordde de staatsman,--van den
regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere
verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is
aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte
zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen
waar alle magt in handen van één eenige berust, en die ééne
oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en
gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor
geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe
gebruiken.
--Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te
hooren,--zei Akbar,--en als ze billijk zijn, toon ik mij immers
ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne
magt staat.
--Als ze billijk zijn!--herhaalde Aboel Fazl,--ja, maar wie
beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden.
--Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en
volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar
de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe
willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die
aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op
het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het
volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden
maken.
--Dat is alles volkomen waar,--hernam Aboel Fazl,--maar ik heb ook
reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook
mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak,
dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen
te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn
aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij
gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen,
ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen
mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn
wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en
ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond
worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat
ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk
wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den
Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de
geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi.
--Ja,--merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,--van dien
wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit
mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te
onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik
weet.
Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de
gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al
zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar
was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek
weer op waar het dreigde te blijven steken.
--En dat is toch werkelijk jammer!--zeide hij;--'t is waar, met
dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn
voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander
omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij
weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude
en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen.
--Ziet gij wel,--sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,--ook onze
vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid
bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo
onbelangrijk niet.