tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding
gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van
hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en
weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide
strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden
door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot
den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar
genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten
omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat
de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten
elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden,
terwijl hunne berijders nu eens met de knieën achter hunne ooren, dan
weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te
klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend
geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere
achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen,
terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt
kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd
open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen
tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot
gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de
hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en
langzamerhand verliet men weder de tribunes.
--Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen,
--merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde.
--Ja,--antwoordde deze,--dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij
kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij
zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is
beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn
persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker
wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van
roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren
opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en
jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij
eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook
wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn
overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou
durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij
gelegenheid wel eens van vertellen.
Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd
lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en
naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan,
terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van
een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar
toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar
andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met
een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden
sluijer had ter zijde geschoven, was,--hij kon zich daarin niet
bedriegen,--buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en
naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat
kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de
meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering
te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had
te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem
dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn?
Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk
viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een
anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:--
Kent gij die vrouw?
--Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den
waaijer van pauwenveeren nevens haar?--vroeg Parviz,--welzeker!
zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet
weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel,
vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is....
En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend
een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit
was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als
bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste
rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij,
door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond....
--Dat is--zei Parviz,--eene vrouw, van welke gij toch in elk geval
wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi!
TIENDE HOOFDSTUK.
Verrassingen
--Nu?--vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde
houding,--wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch,
hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan
verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want
Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't
zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is.
--Een voorbijgaande herinnering!--antwoordde Siddha, zoo goed
mogelijk zich herstellend,--een herinnering opgewekt toevallig
door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw
van Feizi niets te maken heeft.
--Des te beter!--hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort.
Alléén te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,--
geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel.
Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen....
--Vergun mij,--zeide hij tot Parviz,--u voor 't oogenblik vaarwel
te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u
ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide!
En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was
spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even
snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was.
Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het
niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in
een roes van dronkenschap.
Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal
onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man,
die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn
opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd
zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming
ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met
onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en
schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had
gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die ééne, eenige, die
hem bedroog, die hij verachten moest, en toch--boven allen en
alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer
gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste,
kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te
toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven
van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige
voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze
zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze
hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was
dat goed gehandeld, was het redelijk, was het--hem doenlijk? ...
Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne
schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de
onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de
woning van Rezia,--die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,--
gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de
meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte
villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het
uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het
aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar
het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer vóór
denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine
poort zich weer geopend had, naar binnen.
Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te
voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't
oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger
waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het
vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn.
--Hoe? Siddha!--riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik
dacht dat gij lang vertrokken waart!
--Rezia! Goelbadan!--sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,--ik
ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik
zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel
zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het
niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek
ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u!
In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote
alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met
zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in
't openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als
anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Dáár alzoo moest ze door
hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn
medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen
te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag
bovendien niet in hare taktiek.
Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens
haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde
zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder,
terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool.
Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zóó schoon,
zóó onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem
nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten
haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou
hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog
had opgevangen.
Maar:--heen!--zoo klonk het in zijn binnenste,--snel heen! En geen
redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de
betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!...
Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige
lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich
met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of
uit een bezwijming ontwaakt.
--Rezia!... laat mij nog eenmaal u zoo noemen!...--sprak Siddha
weder,--verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te
moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige
voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat
de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw
het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid
geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank
beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste
aller misdrijven.
--Gij hebt gelijk, mijn vriend!--antwoorddo Rezia gelaten en met
zachte stem,--eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet
u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het vóór
lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch
hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd
verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting
moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan
toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik
misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds
met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar
zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra
ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die
niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u
vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te
maken, gebruikte ik den naar Kaçmir bestemden brief als
voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe
onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne
liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel
bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige
band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot
mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk
genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken,
althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was
zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die
den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die
scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en--
ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander
vaarwel zeggen?
En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de
hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen
hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een
vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van
duur.
--Rezia!--riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de
aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw,
die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen
sloot,--Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u
geen misdaad en geene schande!...
...Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven
spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij
hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne
eer!...
Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een
einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog
badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels
ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij,
eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine
poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als
van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die,
zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te
sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde
plotseling omkeeren.... Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien?
Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze
onvoorzigtigheid; maar het was te laat.
--Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?--riep de
ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook
nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim.
--Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet
met meer!--was het drieste antwoord.
Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand
aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich
hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden
nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in
de schede glijden.
--Ha! mijn vriend Siddha Rama!--sprak hij, tot niet geringe
verbazing van den ander, op vrolijken toon,--zoo betrappen wij u
dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't
er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En
jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de
uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt,
eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en
vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder
deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze
op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre
onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen
mijn bezoek vooreerst uit te stellen.
En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha
eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer
zorgvuldig achter zich toe.
--En nu,--zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning,
links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.--Doch,--
voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te
verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem
stilzwijgend aanhoorde,--laat deze ontmoeting een geheim blijven
tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer
verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd
als verbluft staan bleef.
--Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!--
mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde;
--hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van
onberekenbare waarde kan zijn!... Die slang daar ginds zal ik
nader wel vinden!...
's Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het
buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de
dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij
had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen
bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon
natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van
denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd
terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in
den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich
toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug.
Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar
Allahabad.
Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had
Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne,
kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich
telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als
vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw;
daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar
door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wél
bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen.
Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een
vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te
maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te
onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat
zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen.
Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek
doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kaçmir vertoevend, met haar
verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en
naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst,
maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of
zwijgen moest.
--Welnu?--vroeg Iravati,--wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij
brengt mij slechte tijding.
--Helaas, mijne jonkvrouw!--antwoordde de dienares,--ik zou
wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik
u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld.
Het betreft u zóó na, dat ik niet zou wagen het gansch te
verzwijgen.
--Zoo spreek dan, en onverholen!--gebood Iravati,--ik ben bereid
aan te hooren wat gij te zeggen hebt.
En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit
Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst
sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker;
eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het
avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De
uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als
wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had
Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen
sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift:
--Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de
waarheid! En geen omwegen, verstaat gij?
--Edele jonkvrouw!--antwoordde Nipoenika,--hoe zou ik u durven
misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij
verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den
Kroonprins.
--Dan is alles ook gelogen!--riep Iravati uit,--ik begrijp de zaak
volkomen. Welk een verachtelijk middel!--voegde zij in zichzelve
er bij; en daarop weder tot hare dienares:--Het is wél, mijn goede
Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het
niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt.
Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het
voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alléén, en moei u in
't vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes
heeft bezig gehouden!
Toch had de wél gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover
zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had
verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de
mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken.
Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen
tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins
Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets
was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had
inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche
lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha
te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet
onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich
verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te
beantwoorden.
--Iravati!--sprak deze, nader tredend,--gij mogt reden hebben u te
verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor
mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe
getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de
overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf.
--Ik begrijp zeer goed,--antwoordde Iravati zonder blijk van
toorn, maar ook zonder omwegen,--dat laster door u te baat is
genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik
zoo iets niet verwacht, vooral niet van u.
--Laster!--hernam Selim,--ja, dat ware inderdaad al een heel
verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen
toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te
bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt
gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig
praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon
worden gestaafd?
--Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij?
--Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de
strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te
brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha,
niet waar?
--Ongetwijfeld!
--Welnu, zie deze brieven dan!--En Selim overhandigde haar de
beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde
van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben
ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk
gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde
vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte
brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde
malen voorkwam.
Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen
begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om
en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de
hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware
neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een
nabijzijnde rustbank had nedergevleid.
Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en
onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen
nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud
heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich
tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag.
--Mijn lot,--sprak zij,--is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet
aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere
heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en
mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet,
gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een
vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met
uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne
gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere
zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven!
--Hoe nu?--riep Selim in verbazing uit,--de minnaar, wiens ontrouw
u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere,
en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg
niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering
verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven
allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander
die bieden kan, aan uwe voeten legt?
--Selim!--antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld
denken dwong,--gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook
niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen,
zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het
hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het
werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig
heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer
van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle
gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen.
--En is dat dan niet overvoldoende?