Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien.

Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde

Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten

onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen

kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er

dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe

gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die

mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar

almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der

Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide

voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de

markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die

ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem

zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij

bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare,

verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te

betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen.

Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen

Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van

nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook vér was van

beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem

omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan

dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te

betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te

achten.

--Verdoemde, trotsche Mooren!--bromde een der beide zonen van

Albion in zijn taal, terwijl hij verder ging.

Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indiër,

dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans

nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen

werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal

de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het

land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer

opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling

zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij

de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en

dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader

bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras

gesproten vrienden.

--Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!--sprak Feizi weder,--

die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel

veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons

verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun

eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet

trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun

smaak schijnt te vallen!

--Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!--zei

Siddha.

--Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu

iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden,

zooals wij hadden afgesproken?

--Wel-zeker! antwoordde Siddha,--en met het grootste genoegen. Een

alleredelst dier!--En hij begon zich te verliezen in lofredenen op

het paard van Feizi.

--Hij bevalt u alzoo?--sprak deze,--nu, dan zal ik hem op uw stal

laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den

aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is,

ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo

't mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist

buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel

bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van

wat zachter beweging.

--Maar,--zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,--dat is

waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb

verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er

nog nooit een gereden heb.

--Als ik mijn vrienden iets aanbied,--zei Feizi,--dan dient het toch

ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen.

En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd

gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in

weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond

hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en

theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de

gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer

over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen

van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk

ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuïeten, een Jood en

een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester

Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl,

mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig

te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheïstische

natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij

soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen

Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein

bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische

ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen

Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet

toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan

dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo

belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer

voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de

afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo

ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's

bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren

heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling

van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon

hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te

voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te

begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en

bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en

ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden

opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen

bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt,

begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot

magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk

tusschen onze Moslemim en de Jezuïeten, hoewel ook wij in 't geheel

niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een

gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den

Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de

moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich

hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen

zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en

keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem

toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou

worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.--Feizi!--zeide hij,

mij wenkend,--laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer

behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste

gelegenheid om hun geloofstheoriën tegenover elkaar te verdedigen, ten

einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan

te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders

niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof

ik, nog vechten! Maak er een eind aan!--Sire!--antwoordde ik,--dan zou

't toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er

nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.--Akbar

lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de

meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem

verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij:

--Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe

welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder

verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst

aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!--En met de

hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich

al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek,

dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over

zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die

ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van

wat eer en pligt hun gebieden!

--Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg!

--antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan

de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust.

--Maar vertel mij nu eens,--hernam Feizi,--ik vergat nog 't u te

vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met

de uwen reeds naar 't leger op weg waart.

--Dat was ook zoo,--gaf Siddha ten antwoord,--wij waren reeds

vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we

dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet,

omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden,

het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel

gehoord heb.--Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog

gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet

noodig er bij te voegen.

--Gij herinnert mij tevens,--sprak Feizl weder,--dat het tijd zal

worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer

ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij

kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang.

Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den

Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te

zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was,

door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den

bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet

nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met

fraai mozaïekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige,

fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en

fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de

hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem

ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan

bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven

beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op

zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan

weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en

oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van

hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natiën, allen in

hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuïeten,

en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook

Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen.

Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van

geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op

zijn beurt tot den Keizer, legden, vóór den troon gekomen, op de

officiëele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan

het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de

geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van

kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de

troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst,

die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho

Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig

gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op

de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een

paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen

van den zendeling aannam.

--Wij danken u, Eerwaarde Vader!--zeide hij,--voor uw wélgedachte

geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u

hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn.

En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een

sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij

dit over aan den Jezuïet, onder bijvoeging van de woorden:

--Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste

heilige boeken onzer Indiërs, met daarnevens gelegde Perzische

vertaling.

Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het

de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er

niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van

den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien

den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden

aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en

er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn

gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe

de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En

werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met

de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne

verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het

tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te

kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in

het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone

eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte,

schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze

uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo

verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't

overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van

den vorigen avond wel iets hadden verdiend.

Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen

tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot

zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of

ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien

zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt.

--Siddha Rama!--zeide hij,--wij hebben reden, over u tevrede te

zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar

over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen!

Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend

en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer

zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen

van Akbar waardig! Kon er één zijn in het leger, die het nog

minder verdiende? En toch ... zijn land, zijne betrekkingen en--

Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne

spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kaçmir. 't Was

dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de

verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt

verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo

openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer

benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling

toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt.

Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke

volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld

buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en

langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters,

velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden

ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten

gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden.

In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend

Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die

hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering.

--En gij,--vroeg Siddha,--hoe staat het met uwe belangen?

--Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?--zei

de andere lagchend,--nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart

behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer

in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat

Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets

tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't

hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet

geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou

de vrome Abdal Kadir zeggen.

En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in

een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der

aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn

toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval

strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al

voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen.

Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel

vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene

onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het

groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei

wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele

olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende

dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling

tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te

weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier

gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid,

en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was

beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en

gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus

gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van

een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met

hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond

gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking

verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat

haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze

getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de

regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt.

Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en

sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon.

In de ééne schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten;

de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich

nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden

zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden

geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen

tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was

gekomen. En deze toonde wél, zijn redelijk gewigt tegen dat der

edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog

in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en

goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want

ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt

bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen

iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop

daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd

met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich

de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de

omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm

van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem

overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan

hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord,

waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het

volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een

welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen

meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging.

Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremoniën van den dag

begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke

bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig

gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende

sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds

dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en

op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische

dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar

ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de

wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier

vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indiën

eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden

met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte

mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren,

met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde

en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden.

Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de

aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling

opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds

dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef.

--Wat die lieden toch kan bezielen?--zei Parviz tot zijn vriend;--men

zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar

waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is

de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat

ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks

pijn van schijnen te gevoelen.

--Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,--

antwoordde Siddha;--gij weet dat dergelijke martelingen als ons

hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars

als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en

wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der

plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers

zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar

dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar

ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder

te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven

aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend,

maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij

niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze

zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door

haar den halven dag en vooral onmiddelijk vóór den aanvang hunner

kunsten, in en onder de schouderbladen zóólang knijpen dat zij

bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds

voortgezette oefening de haken er zóó in vatten kunnen, dat ze hun

geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen.

--Wonderlijke aardigheden toch!--merkte Parviz op.

--Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden.

Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar

hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden

krijgen?

--Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast

zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken!

Akbar: een oosterse roman · 第 12 / 21 段