--Zóó dan--hervatte Gorakh,--heersch ook ik, doch op mijne wijze.

Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en

zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't

eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer.

En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed

als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen

vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht

en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over

hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te

beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt.

Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en

vér van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het

duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied

voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en

elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken,

die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor

hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen

aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun

mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook

omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb

ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel

najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg

het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel

daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten

de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het

doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen

streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook

bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het

zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet

alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene

kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid

zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het

eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog

geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en

in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn.

Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geëindigd had. Maar de blik,

welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden.

De priester lachte.--Ik begrijp zeer goed,--sprak hij langzaam,--

welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een

bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt

het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van

hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in

't hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig

weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den

tempel op den berg; keer ik vóór morgen er niet terug, dan weten

ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar

gewijden priester heeft aangewezen.

--Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,--sprak thans

Selim;--maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad

overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode,

en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken.

Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk

onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent ééne zaak nu ben ik niet

volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den

Minister in Kaçmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo

niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen?

--Het laatste vrees ik maar al te zeer,--antwoordde de

Goeverneur,--hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet

verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever

nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan

onheil voor het land en het volk voorziet.

--Laat hem in dat geval aan mij over!--zei Gorakh.

--Wat bedoelt gij?

--Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u

niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van

veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker,

in Kaçmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood

waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land

terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad

nog tot de levenden behoort.

--Wie, wat?--vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,--gij

meent toch niet....

--Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoel

Nandigoepta.

--Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn!

--En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent

zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling

verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar

alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen,

dat er in het Himâlaya-gebergte, in de nabijheid van den

Bhadrinâth, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen

betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien,

let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een

bezoek heeft gebragt.

--Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!--zei nu ook Selim.

--Ik heb inmiddels--hervatte Gorakh,--enkelen der mijnen op de

zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de

ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden

juist, dan,--en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide

toehoorders maar al te goed begrepen,--dan wijst hem Doerga gewis

als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu

mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe

Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te

verwijderen?

Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou

hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt

hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen.

Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij

eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat

uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den

burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van

Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich

op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag

en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen

eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal,

in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen

de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die

festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse

bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke

dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden

stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook

Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien

aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk

en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler

volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge

standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst!

En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij

bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader,

't zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze

waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een

volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid

jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en

ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had

kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende

hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles

eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne

gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een

lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.--Och!

of die jonge, zoo hooggestelde man--zoo overlegde zij menigmaal bij

zichzelve,--wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en,

het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere

wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij

eenmaal te vervullen had!

Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een

der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare

verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de

meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde

zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een

zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en

bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu

en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het

klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare

landelijke dansen.

Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de

avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek

naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel

van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning

op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den

Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig

hoffelijke wijze haar begroette.

--Vergeef mij, edele jonkvrouw!--zeide hij,--indien ik, onbewust

van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen.

Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig

vallen.

--De stoornis--antwoordde Iravati beleefd,--kan mij wel niet

anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat

zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was

op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met

stille en eenzame wandelingen.

--Zoo was het,--sprak Selim,--en ik gevoel volkomen dat ik u

daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer

eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf

houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen

onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de

stilte breken van den nacht.

Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe

die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer?

--Eene verandering,--ging Selim voort,--en naar ik geloof een niet

geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij

voorgevallen. Tot heden was ik... hoor mij aan, en treed niet

terug! ik wil u alles zeggen... tot nu dan was ik een woestaard,

een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar

ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden,

en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich

misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor

eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten

zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en

ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige,

verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk

genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat

alles, indien... indien een wensch wordt voldaan, van welks

vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt

ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in

uwe hand!

--Ik begrijp u niet, Heer!--sprak Iravati, wie het angstig te

moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te

wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins

strekken moest.

--Gij zult mij spoedig begrijpen,--antwoordde deze,--als ik u zeg,

wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg

gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt

gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand

anders zijn kon dan gij en gij alleen?--En zoo is het,--ging hij

met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener

eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;--sinds het

eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde

ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn

lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had

neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij

klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u

terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij

duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben.

Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs

en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den

avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog

niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan

onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het

openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als

de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van

schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's

anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit

genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de

feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de

meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen

Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en

beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is ééne voorwaarde

onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een

nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking

moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker

te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik....

--Ach neen, neen, Heer!--riep Iravati hartstogtelijk, en de handen

smeekend omhoog heffend, uit,--zwijg dat woord dat gij gereed

waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren!

--Niet mag?--herhaalde Selim vragend--of niet wil? Mij dunkt dat

er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt

wordt door mij!

--Beide dan,--antwoordde Iravati met vaste stem,--niet mag en niet

wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander

heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet

kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu

eenmaal dien anderen toebehoort.

Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de

sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij

onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen

stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de

gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een

medeminnaar te wachten stond.

--Bedenk het wél,--sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben,

bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een

jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik

nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch

nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk

der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die

uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt,

wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over

de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe

weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke

verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten!

Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot

heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen

de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en

Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk,

zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever

de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan

de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en

laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet

buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt!

Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik,

dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner

toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet,

een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken;

want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal

mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen

onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun

en bescherming vinden bij u!

Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een

antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf

blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich

afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat

met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar

voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed.

--Iravati!--sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,--laat de

vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning

zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander

mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was!

Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in

mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran

misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar

ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan

uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat

dan ontzegd? Eén woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van

Indië ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken

om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!--Maar ik zie het,--ging hij

driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,--mijn eerbied,

mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij

versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door

onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk

ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en

ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in

toorn en in haat!... --Maar ik spreek waanzinnige woorden,--zeide hij

weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;--wat

reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe

hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en

afgeleefd vóór mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog

onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben

geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in

een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe

anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan

heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!...

--Mijn Vorst!--sprak thans Iravati zacht,--gij doet uzelven

onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog

tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en

versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had

ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer

nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde,

ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden.

Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij

vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik

mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers

de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar

zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten

zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had

niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen.

De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit

mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid

zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te

leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders.

En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen

misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de

ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders

gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij

zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den

nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar

mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner

nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken,

waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u

gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij

betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe

handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal

roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den

grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen

uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke

belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die

thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den

moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn!

Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord

zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn

gansche leven zóó weersproken despoot... Zwijgend bleef hij vóór

de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich

terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de

tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar

verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe,

greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben

aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord

verder te spreken, in de duisternis.

's Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat

de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met één enkelen

dienaar was heengetogen,--niemand wist te zeggen, waarheen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

De keizerweging

Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den

morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat

het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs

betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge

en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de

verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich

daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de

oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder

zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; dáár

de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en

Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniërs en Joden

uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met

hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele

mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok,

vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge

kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte

wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte

degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun

gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er één niet

lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer

tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren

van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en

uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van

niet minder gemengde natiën en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend

onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig

steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den

regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch

gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden

en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan

een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere

oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van

den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige

eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of

zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen;

maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te

zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan

te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt

gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen

naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was.

Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem

nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger

Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon.

--Dat zijn Franken,--antwoordde Feizi,--of zooals ze met hun meer

bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre

streken van het Westen om hier in Indië handel te drijven, en die

anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij

noemen het alléénzaligmakend geloof.

--En die twee,--vroeg Siddha,--die van de andere zijde naderen,

behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding,

maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en

baard!

--Ook wel Franken!--verklaarde Feizi,--maar toch van de anderen

onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken

te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk.

Akbar: een oosterse roman · 第 11 / 21 段