--Ach, Siddha!--klonk het droef klagend en in den zoetsten toon

der liefelijke welluidende stem,--ach! waartoe nu een hevigheid

zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke

vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen

haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de

kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo,

gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch ... ik

kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet

u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't

ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige,

door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook

gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt.

En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij

nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen

had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar

nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een

der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone

innemendheid hem gebeden had.

Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om

straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn

geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter

zijde.

--Ik weet niets meer,--zeide hij,--ik kan mij niets meer

herinneren, ik denk niet meer!...

--Hoe nu, mijn zanger!--sprak Rezia lagchend,--moet ik het dan

zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!--En

een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne

ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend

Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer

te verlevendigen wist.

--Nu dan!--riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geëindigd,

en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den

minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide

bruid:

"In 't loofpriëel, van bloemengeur doortrokken,

Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd;

Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken,

Door teedre min tot dartel spel vervoerd.

De boezem rijk met parelen omwonden,

Het zijden kleed om slanke heup geplooid,

De lokken los met bloemen opgebonden,

Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid.

Wie voelt zich niet van blijden lust doordringen

Waar, ligt van tred, als zwanengang, een voet

Door zachten klank der rinkelende ringen

Aan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet?

Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken,

En gouden gordel slanke leest omsnoert,

En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken,

Den boezem dekt, dien minnelust ontroert?

Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden,

Met ligte dauw bepareld, nog omhult!

Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden,

Des jonglings hart met wangunst nog vervult!...

Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert,

En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust,

Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert,

Den God der Liefde uit lange winterrust..."

De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en

digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem

op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen

gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar

tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht.

--Rezia! sprak hij,--Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!... Voor nu

en voor altijd mijn!

En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals

slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst....

Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst

donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die

tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam

rondziende, voort.... De lotusbloem van Iravati was gekanteld met

het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had

het omgeworpen.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Een verzoeker

Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het

balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten,

vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide

gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd

sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen

daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde

onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of

ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig

deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei

vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en

dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel,

soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin

bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet

minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek

op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan

haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog

had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En

waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst

maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder

gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar

weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en

kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene

afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en

dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten

moest!

Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder

gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur.

--Iravati!--sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij

waar hem dat paste wist aan te slaan,--een gast brengt ons heden

bezoek ....

Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de

ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet.

--Een gast,--vervolgde Salhana,--dien het u zeker even aangenaam

als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins,

die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt

vertoeven.

Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere

teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar

onmogelijk.

--Welnu?--vroeg Salhana,--is het berigt u niet welkom? Daar is er

menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u

wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's

Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het

heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van

belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij

nu!

Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat

oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar

schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige

schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al

zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele

houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo

ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking

van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te

hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne

begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had

voorgesteld.

--Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!--sprak hij toen,--dat gij u

de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds

meer dan eens van u gehoord, en...,--eene beleefdheidsphrase die

hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan

dat ze niet moest blijven steken,--en...,--vervolgde hij, voor 't

oogenblik niets anders vindend,--het is mij aangenaam thans

persoonlijk uwe kennis te mogen maken.

--De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik

bijzonder op prijs!--antwoordde Iravati;--en ik wil hopen dat het

stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in

vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker

wel heel wat rijker zal zijn.

--Indien--sprak Selim,--de edele dochter van den Goeverneur mij nu

en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker

niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u

van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen?

--Ik ben nog nooit in Agra geweest?--luidde het antwoord.

--Niet?--vroeg Selim;--maar, waardige Salhana!--vervolgde hij,--

het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter

eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen

burgt haar vertoond kan worden!

--Die tijd,--antwoordde de Goeverneur,--zal gekomen zijn als mijne

dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden

echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met

zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden.

Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen,

viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij

onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en

een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen

over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg

Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug

te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati,

weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en

geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat

hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik

Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig

reisgewaad vertegenwoordigde.

Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een

derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel

verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te

beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in

Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de

Doerga-priester.

--Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!--dus begon de Prins,--

schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn vóór

alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij

thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te

onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te

worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons

drieën op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een

en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen

het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd

heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah!

Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu

gij, Salhana!

--Tot heden,--begon deze,--kan ik niet anders zien of alles gaat

naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de

echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste

tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al

lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten

welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een

omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn

volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan één der

hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet

weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden;

hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een

dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen

hij verraad noemt.

--En uw neef?--vroeg Selim.

--Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben

gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem

eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij

gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel

in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk

te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne

bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar

beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal

hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog

onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft

hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden

tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne

Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kaçmir

heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan

uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op

het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de

Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de

meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd.

--Maar nu het plan zelf, wat Kaçmir betreft?--vroeg Selim wederom.

--Wel, mij dunkt,--antwoordde Salhana,--dat het niet beter kon

staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door

ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend

tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier

wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij

geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het

Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der

rust de verovering van Kaçmir te beproeven. Zijn legermagt staat

dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen,

na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den

togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan

valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af,

vereenigt zich met de onzen in het leger van Kaçmir en houdt Akbar

genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels

hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot

Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de

schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er

misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet

onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten

gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon.

--Alles,--sprak Selim,--volkomen goed berekend, en geheel

overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen

zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat

er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds

voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kaçmir

verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was

geraakt?

--De brief--antwoordde Salhana,--is volkomen goed aan zijne

bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand

anders dan onze vriend Koelloeka zelf.

--Wat?--riep Selim uit,--Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk!

--In 't minst niet,--hernam de ander bedaard;--het was juist de

allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt;

het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist

wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de

overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn

ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en

wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden,

bleven toch buiten schot.

--Heel goed gevonden!--sprak Selim goedkeurend en hartelijk

lagchend;--maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor

uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft

ook hij ons niet iets nieuws te vertellen?

--Ik geloof wel van ja!--antwoordde de Yogi, die tot dusver

stilzwijgend had toegeluisterd;--althans ik heb van mijn kant ook

niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u

toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot

het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den

Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van

godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate

onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt

kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord,

maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet

enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der

overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de

weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten

zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden

hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te

laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en

Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent

de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en

meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te

stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute

oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij

't vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste

afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten

waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen

aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de

lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij

verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die

bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst

verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens,

verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel,

waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was

bevestigd, liet toen een wit laken vóór zich uitspreiden zoodat

men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat

hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel

steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den

bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel

eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar

was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig,

in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij

begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan

noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en

zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die

niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een

spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wél verzekeren, een goed!

Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en

onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen

geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles

uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan

volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt.

Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds

omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo

gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kaçmir straks

nader!

--Inderdaad!--sprak Selim, toen de Yogi zweeg,--wij moeten

erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens

ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te

brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten

welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal,

als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kaçmir te

worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend

is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg

ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig,

dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden

kunnen stellen.

--Grootmagtig Vorst!... vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te

noemen!..., antwoordde Gorakh,--van u verlang ik... eenvoudig

niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u

duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor

uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren

kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste

staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den

Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk,

met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch

zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van

anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere,

moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij

heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den

troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven,

dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot

heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang,

schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt.

Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een

gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden.

Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard

zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk

en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den

geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij

onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de

rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een

levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig

fanatisme. Eén vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u

of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen

begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het

meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den

hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf

vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij

wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij

nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in

zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei

vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik

gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij

eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te

hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht

heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd

met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt

de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en

tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang,

door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam,

is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een

mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men

hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging,

terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan

staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef

kan worden bevolen, en wél vreemd zoo die vroeg of laat niet

gelukken mogt.

De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders

nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds

wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen

reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de

beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet

aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij vóór zich

staren.

Akbar: een oosterse roman · 第 10 / 21 段