Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de
kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeïeten bijvoorbeeld,
waarvan Feizi zooeven sprak.
--Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets?
--Ook al weer bij allen van gelijke kracht.
--Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam.
--Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de
zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het
Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede,
als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt
humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele
kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij,
van uwe leer in geest van verdraagzaamheid.
--Wij komen op die wijze niet veel verder,--merkte de Padre,
ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig
gemelijk aan.
--Neen, dat geloof ik óók niet, waarde Heer!--zei Akbar met een
ligten glimlach;--doch beter zou het misschien gaan, zooal niet
volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van
de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet
nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons
niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij
konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen
vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent
hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken.
--Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,--hervatte de
Heidenapostel,--ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en
zielen te redden van het verderf!
--Welnu!--sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,--ik wensch u
een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen,
indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor
waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij
van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen.
--Toch vertrouw ik,--sprak Aquaviva weder, door al die formele
bezwaren nog niet afgeschrikt,--op de onweerstaanbare overtuigingskracht,
welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest
verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van
ongodist.
--Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar?
--Ongetwijfeld!
--Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der
overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou
ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer
ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde
inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en
komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend
Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en
niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde
Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op
uw oordeel.
Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt
onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het
woord te laten, toen deze begon:
--Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer
woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de
verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare
illusiën, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan
zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele
bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch
onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam
van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van
God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen
nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieëenheid,
of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer
misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch
reeds gewoon zijn het ééne Wezen onder meer dan één vorm te
vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten
van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu
slechts één te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God
den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna,
ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten
offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo
als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest
en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden
overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke
liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten
goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus
ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en
redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij
daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening
nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken,
wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke
moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en
verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan
leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst
genomen, vrij overtollig.
--Maar wij laten niets los!--viel Aquaviva uit;--wat wij
verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de
eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en
verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en
daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons
te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet
het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner
Heiligen na Hem, te ondergaan!
--Maar daarvan, mijn waarde Heer!--sprak nu Akbar, terwijl hij
zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken
ijveraar legde,--daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan
beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij,
voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel,
zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en
daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te
verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken,
bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de
belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen.
En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij
vooralsnog uiterst gering.
--Doch,--waagde Aquaviva op te merken,--als Uwe Majesteit nu eens
het voorbeeld gaf?
--Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!--
antwoordde Akbar;--of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond
ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen?
--Zeer zeker,--hernam de ander,--ware zoo iets een ongerijmde
eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen.
Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift
reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher
ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat éénig geloof, dat alléén
in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig
en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in
die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet
te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen
uitdrukte?
--Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!--
antwoordde Akbar;--ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar
ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u
luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de
gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't
oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een
voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel
onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een
bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en
welsprekendheid het dan nog met mij brengt!
Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich
mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan
niets merkbaar was, had de Jezuïet moeilijk kunnen beslissen. Wat
er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was
afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank
zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met
eerbiedigen groet het vertrek.
--Allen toch dezelfden!--sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem
verlaten had;--of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is
altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede
en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.
Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende
wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen
grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te
ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der
onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer.
--Ongetwijfeld!--antwoordde Feizi;--maar wat nu dat voortdurend
beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en
onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en
ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in
voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu
de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen,
dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener
openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden
moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de
tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling
hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze
zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theoriën leeren inzien. Hoog en
trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels
tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra,
dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie.
Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken
dacht hij na, en zeide toen:
--Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij
zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook
al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede.
En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke
verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden,
die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd
zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te
bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht,
eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen.
In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene
zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds
beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene
heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wél verborgene was.
Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn
eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die
hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de
vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet,
en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres
ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen.
Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al
sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha
ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was
gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt,
hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel
Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk
genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens
woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd
vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den
jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er
niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen
der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer
en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en
evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename
en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet
ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen.
Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester
gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet
enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij
met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit
had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte
gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de
voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne
te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien.
Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne
verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu
een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche
vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was
gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit,
en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van
uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met
weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem
opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer
schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen
er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen
als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en
overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar
omlaag.
--Siddha!--sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer
onverschillig en schertsend onderhoud,--gij hebt mij voorheen
reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kaçmir te
doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen,
maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook
voor uzelf kan zijn?
--Gebied, en ik gehoorzaam!--antwoordde Siddha zonder weifelen;--
wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet
hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen.
--Voorzigtig, mijn vriend!--hernam Rezia, den wijsvinger schalks
omhoog heffend;--gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u
van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk
aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling
ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw
zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner
grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens
tegenvallen.
--Ik zweer u,--was het nog al driftig antwoord,--zoo iets kwam in
de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt,
en ik gehoorzaam uw bevel!
--Nu dan,--hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker
naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,--
wat ik te verlangen zou hebben is, wél bezien, eigenlijk evenzeer
in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo
stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in
de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt.
Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte
zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te
weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan
uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van
uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn.
--Ik geloof,--sprak Siddha,--dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt
zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kaçmir gesmeed
konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche
twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken.
--Volkomen juist!--was het antwoord,--maar wat gij toch niet
schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt
zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt
gemaakt, en--dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te
dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de
trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in
Kaçmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings
blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege
geboden wordt.
--Maar, lieve Rezia!--vroeg Siddha met een flauwe poging om onder
schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van
hem meester maakte,--al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u?
En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden?
--Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in
het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk
gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn
blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die
vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een
wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie
ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij
te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene
die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel.
En om dat te bereiken, zocht ik Kaçmir als toevlugtsoord en
knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt
nu ook dat land aan Akbar's vér strekkende magt onderworpen, dan
ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen
voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt
van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en--met onze
genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en
Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij--'t werd
met een ligte zucht er aan toegevoegd,--ook voor haar!
--Dat niet!--riep Siddha hartstogtelijk uit,--dat zal niet
gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt
ge van mij?
--Anders niet--antwoordde Rezia bedaard,--dan dat ge u niet tot
werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen
mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den
beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het
oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan
tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk
vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard
van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging
hebben. Dan zal een magtige partij in Kaçmir zelf u bijvallen, u
steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan
zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een
veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde
u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend!
--Maar,--stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw
meer den draad zijner eigene gedachten vattend,--dat is toch
verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij
vertrouwt!
--Zeer zeker verraad!--antwoordde Rezia met een minachtenden
lach,--de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te
gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u
gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te
betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan,
of--slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar
straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij
nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel
eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons
onderhoud thans liever geëindigd zijn; niet omdat mij dat
aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek
besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder
voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch
onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken.
--Nog eens,--sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar
smart zich van hem afwendde,--dat nooit, dat in geen geval! En ik
loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide
te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en
ik gehoorzaam!
--Uw woord!
--Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers
dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt.
En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij
dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij
dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de
eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit
mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde
was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij
hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt,
eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger
aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de
slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe!
Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang,
behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken
en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne
zoolang ons te leven rest!
--Neen, Siddha!--sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde
waarmee hij de hare zocht te vatten,--neen! mij voegt het niet,
zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten.
Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere
banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen.
--Andere banden!--riep Siddha driftig uit,--ik verbreek ze! Of
liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou
den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge
ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal!
Naar Kaçmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone
Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wél zegt, nog invloed
heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo
min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn
bescherming geniet.
--En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en
zijn gunstelingen?--vroeg Rezia.
--Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!--was
het overmoedig antwoord;--ook tegen hemzelf zullen wij Kaçmir
weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats
te behouden voor u en voor mij.
--Toch mag ik u niet blijven aanhooren,--hernam Rezia;--in
waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen
avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze
vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later
misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet
alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij
vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en...ook voor mij,
die gij zegt lief te hebben!
Inderdaad!--sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de
borst gezonken, eenige passen terugtrad,--een spoedige scheiding
zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed;
mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't
Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer
denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten
zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten
dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren,
is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in
het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts
verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen
te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig,
zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een
tijdigen, nu wel gewenschten dood.