Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de
sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren
naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met
opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar
geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen.
Bedenken wij--ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch
fluisterenden toon,--wat ons gebeuren moet, indien wij eens
gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons
aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die
de anders zoo hoog geëerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt
te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de
tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend,
dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en
misschien....
--Bij den baard van den Profeet!--begon Abdal Kadir, de hand aan
't gevest van zijn sabel slaand,--we zouden....
--Bleef het daar nog maar bij,--hernam de ander,--doch er is nog
erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die
tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen
ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is
groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders
beteekenen, te weten: "Akbar is God."
--Dat gaat zeker alles te buiten!--riep Abdal Kadir nu in volle
woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden.
--Laat ons bedaard blijven!--zeide hij,--we hebben hier trouwens
nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik
zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch
eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen
onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid
genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen
en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel
de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger
gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan
de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds
eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk
gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?...
--Daarom,--besloot Salhana,--geen onderlinge twist! Maar laat ons
gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde
middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het,
vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed
idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt!
Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons
eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't
oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen,
mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk
verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen!
Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende
divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande,
een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken.
--En Kaçmir?--vroeg een der sprekers,--zijn er berigten?
--Heel goede!--antwoordde de toegesprokene;--de mijn kan haast
springen.
--En de brief?
--In de beste handen!
Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar
toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich
tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met
wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren
verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de
gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog
wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis
bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn
vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden
aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig
dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen,
Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben?
Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen
ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der
voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen
en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar
daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der
snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit
te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide
van Indiër en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig
te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en
zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van
Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden
schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van
inhoud voorkwamen.
--Waar blijft nu Rembha?--vroeg eindelijk de Prins,--ze zou ons
iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een
oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het
Gitagovinda, meen ik.
--O ja!--antwoordde Siddha,--de pastorale van Djayadeva, waarin de
avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn
hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf
ook wel eens een vertaling van beproefd.
--Nu,--hernam Selim,--laat ons dan eens luisteren! Daar komt
Rembha al.
En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge
vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en
ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte
muziek aldus aan:
Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke
boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven
besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met
haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de
rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in
't voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt
kozend en danst met de dartlende reijen.
"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en met
kransen omhangen,
De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om de
lagchende wangen,
Schertsend en kozend met dartel gebaar
Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar.
Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijn
zijde te dringen,
Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen der
luit hoorde zingen.
De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uit
zijn blik heeft gedronken,
Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat in
gedachten verzonken.
Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 't
oor hem te fluistren,
Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zich
buigt om te luistren.
Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herder
getrokken,
Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan den
oever der Djamoena lokken.
Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat der
zacht rinklende ringen,
Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijde
bewondring te dwingen.
Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 't
harte soms prangend,
Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen,
met de armen omvangend,
Schertsend en kozend met dartel gebaar,
Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar."
--De voordragt,--sprak Selim met reden, toen de zangeres een
oogenblik ophield,--laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u,
edele Siddha! van de vertaling?
--Niet kwaad!--antwoordde de ander;--de denkbeelden zijn vrij wel
teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd.
Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat
gemaakte en gezochte poëzie van den lateren tijd. Maar is de
vertaler zelf niet bekend?
--Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,--zei de Prins,
even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij
deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel,
vertoonde.--Maar wees gerust,--vervolgde hij,--Feizi zal 't u stellig
niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt,
maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons,
Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond
niet meer van u vergen.
--De klagt dan--sprak de zangeres,--van de verlatene Radha tot
hare vriendin:
"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoekt
met speelsche vriendinnen,
Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippen
kan winnen,
Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!
Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zou
wenschen te omvangen,
Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichten
omhangen;
Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maan
doet verbleeken,
Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genade
doet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,
Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!"
Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins
veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde
welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de
rol der minnende Radha voort:
"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 't
nachtelijk duister,
Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijn
lagchende luister,
Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
voorheen weer beminne!
Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijn
zinnen verrukte,
Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos den
sluijer ontrukte,
Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aan
mijn zijde,
Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mij
wijde,
Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlende
wangen,
Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukking
hevangen,
Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!
Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me als
voorheen weer beminne!"
Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel,
zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt
beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke
zij door stem en gebaren er aan te geven wist.
--Dat belooft iets, niet waar?--sprak Selim,--als we nu eens aan
de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een
andermaal!--Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!--vroeg hij,
misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins
tegenover Siddha had plaats genomen,--bevalt u die Indische
dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij,
als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door
het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd?
--Met dichters,--antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn
inwendigen wrevel bedwingend,--heb ik over 't geheel niet veel op;
en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden
den goddeloozen Amroel Kaïs, zoo hoog ook door anderen diens
Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen
zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar
bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot
voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt
mij toch wat al te grof.
Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo
mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een
onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poëzie
en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling
verhinderde door uit te roepen:
--Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij
dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit
oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't
philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van
jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te
brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een
drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon
te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt;
en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens
dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die
geëerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong:
"En komt ge tot het drinkgelag,
Ik doe u gaarn den ganschen dag
Een trouw en kloek bescheid.
Den beker vindt des morgens gij
Ten boord gevuld reeds staan;
Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!"
En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen?
De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard,
maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar
hij Selim,--en deze wist dat ook wel,--als bondgenoot tegen
Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en
eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te
drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben.
De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en
menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld,
terwijl ook de zangeressen en bayadéres op een wenk van Selim zich
onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen
plaats namen.
Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam
had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem
dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar
ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de
ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke
slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen
leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door
den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een
leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij.
--'t Is mij,--zeide zij openhartig genoeg,--in den beginne ook zoo
gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een
mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven,
zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne
kunst alleen kan bestaan. En als ik,--voegde zij lagchend er bij,
--als ik oud en leelijk ben geworden, dan....
--Ja dan!--kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden
uit te roepen.
--Och neen!--hernam Rembha,--ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar
gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij
nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan
avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene
Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in
een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en
dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremoniën er op na houden.
Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek
voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere
gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de
gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking
trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan
hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg
begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum
verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en
daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal
in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen
gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles
behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in
welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer
naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee
nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van
zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden
trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den
schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij
van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze
te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld
oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde,
elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al
luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef
stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de
bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf
bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te
merken.
Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd,
schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was
die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was.
--Komaan!--sprak deze,--'t wordt tijd voor ons om te vertrekken.
Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen
als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan
nooit waar men in gemengd kan worden.
--Ja, maar--vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,--kunnen
wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft?
--De Prins!--zei Salhana nog al verachtelijk,--zie maar eens of
hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!--En daarbij wees
hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen
gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer
gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar
tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best
deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan
waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal
leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het
voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed
plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij
stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap
zich huiswaarts begaf.
Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de
luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig
rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig
Gorakh, den Yogi, herkende.
--Alles wel?--vroeg deze.
--Heel best!--was het antwoord,--onze zaken vorderen. Iets
bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat
anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer
getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen.
--En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets
van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als
hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in
de knip?
--Nog niet,--antwoordde Salhana,--maar heel lang zal dat wel niet
duren.
Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde
kanten ieder huns weegs.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Stille zamenkomsten
Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de
uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden
tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met
den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch
anderen aard.
Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer
verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder
Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend
zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van
de toenmalige Jezuïeten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal
naar het hof van Agra afgevaardigd.
--Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!--sprak Akbar, zijn groet
beantwoordend,--welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij
beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!--Ik
wil hopen,--voegde hij vragend er bij,--dat de reis u niet al te
zeer zal hebben vermoeid?
--Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,--
antwoordde Aquaviva;--gelukkig hebben wij den togt zonder
ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel
te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat
de Heer over hem beschikt.
--Dat zeg ik met u!--hernam Akbar;--maar ik heb u ook nog te
bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de
goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en
andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u
nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald;
en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in
gelezen hebben.
--En,--vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer
bespiedend,--mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede
aarde is gevallen?
--Ik geloof ja!--antwoordde Akbar;--ik stel verscheidene van uw heilige
boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt.
Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens
die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de
leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine
opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een
zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde
en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme
stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren.
--De Heere zij geloofd!--sprak de Jezuïet met ten hemel geslagen
geslagen oog en de handen zamenvouwend;--ziedaar de regte weg!
Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid;
dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het
trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een
grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en
geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te
onderscheiden?
--Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,--zei
Akbar,--maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal
dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg.
En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u
mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige
schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een
open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in
andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld
enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische.
--Hoe, wat?--kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste
ontsteltenis uit te roepen,--die gruwelijke afgoderijen!
--Ik erken,--hernam Akbar bedaard,--dat er bij zijn, waarop die
benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle
het geval. Niet waar, Feizi?
--Zeer zeker niet!--antwoordde deze,--en niemand weet dat beter
dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik
kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een
wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor
de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen.
--Onmogelijk!--zei Aquaviva met vaste stem.
--En waarom onmogelijk?--vroeg Feizi glimlagchend,--kent gij dan
wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig?
--Ik ken ze niet anders,--hernam de Padre,--dan uit hetgeen ik
hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet
nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar ééne
waarheid zijn.
--Dat spreekt wel van zelf,--viel hier Akbar in,--maar de vraag is
juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel
gevonden wordt in één leerstelsel, dan wel in meer dan één
verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand
anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag
ik wederom: waaruit blijkt dat?
--Wel,--hernam Aquaviva,--de waarheid is ons immers geopenbaard
door Jezus Christus, den Zoon van God.
--Zoo zegt gij!--was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal
Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den
grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt
gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig
u beroepen kunt.
--Zoo zeggen ook,--voegde Feizi er nog bij,--onze Vishnoeïeten
hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen
is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende
incarnatiën der Godheid.
--Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van den
Bijbel, Gods woord!--hernam de Jezuïet.