was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der
zuilen, dat hij zich in een çiva-tempel bevond; en na eenige gangen te
zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort
van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de
beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met
eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het
voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,--çiva, den
Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en
vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen
zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al
gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indiër de begrippen
kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en
zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch
stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel
gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante,
die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch
wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote
bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde.
Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en
ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem,
hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was
verstoord geworden.
--Om!--klonk het,--om! U brengt de onwaardige dienaar van çiva's
heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen
groet.
En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha
den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in
gezelschap van zijn oom Salhana had gezien.
--Ik groet u, Eerwaarde!--sprak hij, en wachtte wat de ander hem
te zeggen zou hebben.
--Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste
ontmoeting,--hernam Gorakh;--trouwens wat mij betreft, ik heb u
wél in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van
den Bhadrinâth u waargenomen heb.
--Nu ja,--zeide Siddha, een weinig ongeduldig,--laat dat zijn hoe
't wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk
belang gij in mij stellen kunt.
--En zou dan,--vroeg de ander,--de neef van mijn leerling en
vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar
ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te
onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt
aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar?
--Gaurapada?--vroeg Siddha,--welzeker! Hij is een kluizenaar in 't
gebergte.
--Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam
droeg.
--Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld.
--Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld?
--Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet
schelen.
Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan;
maar deze ware geen rechte Indiër geweest, indien zijn gelaat in eene
omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had
vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't
indringende van den ander, er op volgen:
--En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger
tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou
zeggen.
--Ha!--riep de Yogi uit,--gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij
zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den
Goeverneur van Allahabad ben!
--Ja, dat weet ik!--sprak Siddha met zekeren nadruk.
--Wat weet gij?
--Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg!
Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder
ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon
hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval
wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken.
--Nu, genoeg dan!--zeide Gorakh,--voor u en voor mij.
Doch bedenk één ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap
niet schijnt te begeeren!--en ik wil ze u ook niet opdringen!--
bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe
krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en
dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor
hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer
haren getrouwen heeft aangewezen!
En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te
wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders
ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker
gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem,
hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alléén was, als zag
hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine
gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de
nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had
zien verdwijnen in het bosch.
Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog
eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de
woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn
meester nog iets te bevelen had.
--Vatsa!--zeide hij,--gij hebt mij laatst in het park van
Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar
een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms
toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen
misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't
gebergte verteld te hebben?
Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,--antwoordde Vatsa,--
maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat
er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man
met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de
vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen
vroeg.
--En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada
verteld?
--Ik geloof inderdaad van ja!
--En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens
uiterlijk voorkomen?
--Zeker!--antwoordde Vatsa,--juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk
vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken;
wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er
kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van
onze ontmoeting tegenover den vreemde.
--Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult
beschreven hebben?
--Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat
wij er iets van meldden.
--Bedenkelijk!--mompelde Siddha in zichzelf,--inderdaad nog al
bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger
omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te
overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent
Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren,
is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of
Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er
mee in betrokken zou zijn?...
--We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende
te praten?--vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo
in gedachten zag.
--Neen, neen!--antwoordde deze,--en zoo gij 't al gedaan mogt
hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We
hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar
let nu op één ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over
den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge
mij begrepen?
--Volkomen, Heer!--antwoordde de ander,--van nu af heb ik dien
kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben
volkomen vergeten hoe hij er uitziet.--
--Met dat al,--dacht Siddha,--zal nu toch Koelloeka, of, kan het,
Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor
zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu
mee te maken hebben of niet!
ZESDE HOOFDSTUK.
Selim
--Welaan, mijne heeren!--sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die
op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te
praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,--nu spoedig
opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer
heden wapenschouwing komt houden!
Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de
vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op
eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was
opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog
toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine
hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar
ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs
breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander
gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde
peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans
dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek
zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld,
waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen
vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte,
veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met
geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig
meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug
gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon
bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest
gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen.
Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was
aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare
muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren,
die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte.
Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te
staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste
veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en
edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel
onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man,
die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de
hand, een paar passen vóór de overigen, en zijn baniervoerder en
parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in
oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den
magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van
het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook
toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar
vermoeden bij hem gerezen was.
Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend,
boog hij, gelijk hij de anderen die hem vóórgingen had zien doen,
zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een
steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders
streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem
dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al
vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen.
Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, ééne
Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open
en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij
thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten
Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven,
waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou
kunnen plaats hebben.
Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de
troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden
worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp
hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi
wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen
naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan
de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid.
Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid
van den vorst.
Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar
terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens
diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde,
zonder de officiëele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen:
--Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal
nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge
mij niet in die goede verwachting bedriegt!
--Ik kende,--vervolgde hij tot Feizi,--uw beschermeling al een
weinig; wij hebben elkander reeds vóór eenige dagen ontmoet,
hoewel hij toen niet raadde wie ik was.
--Had ik dat geweten, Sire!--sprak Siddha eerbiedig,--ik had
daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan
ik toch reeds tot den mij onbekende deed.
--Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,--
vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar
ook ernstig bedoeld gezegde aan;--doch daarin stak op zich zelf
geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken
dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn
rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig
gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet
afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd
hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij
gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen.
Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de
mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik
nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze
billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en
gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken
nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en
veinzerij.
En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer
bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het
gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren
vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn
tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel
het een en ander omtrent het eerste te verhalen.
--Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,--sprak Feizi,--dat treft
iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is
te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt
inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat
verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och
jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!--vervolgde hij,
zijn neef toesprekend,--mijnheer de toekomstige staatsraad hier
onder krijgslieden tusschen de tenten!
--Even goed, dunkt mij,--antwoordde Parviz,--als mijn waarde oom,
de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin
kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en
geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft.
--Nu, geen komplimentjes, neef!--hernam de ander lagchend,--dat
komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk?
Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van
de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal
is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar
eigenlijk niet eens zien.
--Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen!
Hoewel ik--voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,--die
anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te
minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling,
wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder
beminnelijke verloofde denkt. Maar,--zeide hij tevens, zich tot
Siddha wendend,--zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange
niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal
mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd
houden.
--Dat zal mettertijd wel teregtkomen,--merkte Feizi goelijk op,--
doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek!
Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan
zijn.
--Wie is dat?--vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag
naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren
ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken
leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan
eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk
overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch
kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote
paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen
van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan
de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet,
terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van
de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig
van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat
geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid
nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp
afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die
trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren
vervallen en verouderd vóór den tijd en droegen de onmiskenbare
teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en
onthouding doorgebragten nacht.
--Hoe! kent gij dien nog niet?--vroeg Feizi,--dat is Selim de zoon
van den Keizer en zijn aangewezen opvolger.
Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar
hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend,
zeide hij:
--Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht
dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest;
wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken?
--De vraag--antwoordde Feizi,--ware mij in elke omstandigheid een
bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er
aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond
bescheiden.
--O zoo!--hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel
overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;--gij
moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige
wijsbegeerte, niet waar?
--Wat ik persoonlijk doe,--was het antwoord,--blijft geheel ter
beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden,
staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de
vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou
zijn.
--Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!--sprak de Prins
vergoelijkend,--ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe
avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!--ging hij,
tot dezen zich keerend, voort,--hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige
bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden?
--Volstrekt niet,--antwoordde Parviz,--en al had ik die, ik zou
niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een
festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet
onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te
stellen?
En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen,
meldde hij diens naam en rang.
--O ja!--sprak Selim,--ik herinner mij zoo iets van zijne komst
hier vernomen te hebben. Wilt gij,--vroeg hij Siddha,--soms heden
avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen.
--Ik stel de eer op hoogen prijs,--antwoordde Siddha met een
hoffelijke buiging.
--De eer, nu ja!--zei Selim,--die geeft niet veel; ik heb niets te
beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u
eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo!
En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg.
--Vergunt mij; geëerde vrienden!--zei hierop Siddha,--nu ook
mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te
zoeken.
--Indien gij wilt,--sprak nog Parviz vóór het scheiden,--kom dan
tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan
gaan wij zamen.
--Met genoegen!--antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn
post.
Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou
beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond
hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde
toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van
dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te
groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn
vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden
met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs;
maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige
Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht
naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot.
Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van
de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig
mozaïekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden
bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend
alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten
van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende
divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen
drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei
vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel,
waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen;
alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen
verlicht;--ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker
van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon
verbaasd doen staan.
Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die,
in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet,
daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt,
en kort daarna op hen toetredend, sprak hij:
--Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil
hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig
wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd
zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden;
wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te
zijn.
De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene
hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur
naderen,--die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad.
--Wel, neef!--sprak deze, hem de hand gevend,--dat doet mij
genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond
juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins,
die mij hier in Agra verwachtte.
--En,--vroeg Siddha,--hoe is het ginds, en hoe gaat het....
--Iravati? vulde Salhana aan--heel best. Zij laat u groeten. Doch
zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al
is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft
met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was
evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan
Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien
Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot
zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch
even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd,
terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van
hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt.
--Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,--sprak Abdal Kadir toen
Salhana hem wilde voorstellen,--en ik wil hopen,--vervolgde hij
tot Siddha,--dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis
zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat
personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun
dwalingen.
--Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!--antwoordde Siddha,--al
betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen.
Misschien ....
--Wat misschien?--begon Abdal Kadir opstuivend.
--Neen, neen, mijn waarde heeren!--sprak nu Salhana, tot vrede
manend,--geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe
wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestiën! Bedenken wij
liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiërs zoowel als
ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de
plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde
magten schijnen ontworpen te worden!