Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de

nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen

die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door

verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij

eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur

aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren

binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met

cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras

met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel

uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis,

welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de

marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door

zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend

vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij

achter een der voorhangen.

Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in

bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de

Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker

gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om

hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha

niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet

regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte

blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene

onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar

alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te

noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was

ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest

volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend

gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen.

Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier

wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten

boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder

ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet

bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt.

--Edele Heer!--sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar

gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig

ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen

hebben gewonnen,--ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne

uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat

onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij,

hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden.

--Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,--antwoordde

Siddha,--ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar

gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan

met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien

ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van

degene die mij de uitnoodiging deed toekomen.

Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij

blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw

voort:

--Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot

deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene

vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd vóór eenigen tijd

genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar

door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en

vér van hier, in uw land, in Kaçmir, een schuilplaats te zoeken.

Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van

groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze

haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne

beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen.

Daar verneem ik toevallig,--hoe, doet nu niet af,--dat gij met uw

vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens,

dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep

terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen

in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel

bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de

overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis

geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen.

Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen

Koelloeka gevergd zijn?

Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij

het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak

eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer

onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging.

Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder

dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige

zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne

ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging

dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde?

Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te

geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten

en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken.

Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op

haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden

koord en een zegel gesloten stuk.

--Het opschrift,--sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken

was,--luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne

vriendin zelve. De naam is u misschien bekend.

--Zeer zeker!--antwoordde Siddha,--ik ben meer dan eens met dien

jongen man op de jagt geweest.--Nu, die zal haar den brief dan

ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie

hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet

meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend

zijn. Ik hoop maar,--vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,--

dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik

haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare

ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in

de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel

prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt

gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten

minste wat heel dichterlijk?

--Ik voor mij,--antwoordde Siddha,--zoozeer mijn leermeester mij

ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen

die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds

als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog vér

beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft

de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de

boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen

en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar

toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden,

zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk

weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland

als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse

medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's

wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet

minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk

welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen,

krachtigen jongeling aanzag.

--Maar ik hield u te lang reeds bezig,--sprak zij oprijzend ten

laatste,--en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe

welwillendheid. Eén verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille

ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u

en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens

ook niet zijn.

--Voor u zeer zeker niet,--sprak Siddha,--voor mij echter meer dan

gij schijnt te meenen.

--Ik zie,--hernam de andere lagchend,--dat gij, Hindoe's niet

minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens

vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben

ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer

onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als

geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen

bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee

te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is

Rezia; mijn vader was een Armeniër, die, hier gekomen om handel te

drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds

tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is

deze voor zijn zaken naar Perzië en verder nog naar het Westen

getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels

woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet

verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het

buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite

van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen

niet verder mogten ontmoeten.

--En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?--vroeg Siddha;

--niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en

mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van

het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in

staat ware uwe belangstelling op te wekken.

--Welnu!--antwoordde Rezia,--niet geheel wil ik uw vriendelijk

aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren

oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of

de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en

naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u

alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om

mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf.

--En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,--antwoordde

Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn

gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik

afscheid te nemen.

Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde

dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die

hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend.

Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open

veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden

voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den

voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk

gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten

die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij

hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het

medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette

zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en

beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone

Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms

weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de

boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in

zijn herinnering op,... de bevallige houding, de sierlijke

gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de

Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat

kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond?

Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle

mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen

noemen!...

--Hallo!--klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van

Siddha's woning,--is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of

ik hem stoor met een bezoek!

Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf,

bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke

stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den

voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen.

--Hebt gij dienst?--vroeg deze.

--Een paar dagen niet.

--Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een

uitstapje te maken?

--Zeer gaarne! Waarheen?

--Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van

den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't

eerst een togtje in de omstreken liet doen.

--Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,--hernam

Siddha,--veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te

laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel

zeggen.

Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid

gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met

de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in

den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn

vriend en den zijne, de stad uit.

Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone

vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte

den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen

wandelrid.

--Zie,--sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,--

zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en

verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van

hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger

trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is.

--Ja, de Keizer doet nuttige dingen!--antwoordde Siddha; en

daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den

vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in

algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij

den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef.

--Neen, die is mij niet bekend,--zei Parviz, met moeite een

glimlach bedwingend,--maar gij zult hem misschien wel eens

weerzien.

--Waarschijnlijk wel,--hernam Siddha,--hij schijnt hier thuis te

behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat

er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik

dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard

gesteld waren.

--Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de

zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog

wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands

gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de

verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet

de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om

hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet,

maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze

schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft

aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der

dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister

goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze

paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar

verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed.

Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der

nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van

tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde

zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een

Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de

gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten

nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam

het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw

en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog

reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel

op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne

eigene gewoon was te zien.

--Voor een deel,--verklaarde het dorpshoofd,--is die gelukkige

toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning

waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij

den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig

stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte

gelegenheid gaf.

--Ik heb er van gehoord,--merkte Siddha aan,--maar om u de

waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de

hoogte.

--Toch is het zeer eenvoudig,--hernam de Hindoe,--en voor iemand

van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche

systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der

landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente,

en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den

landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles

tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk

toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden

meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche

opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig

heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden

zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst

wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid

der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een

bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en

tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar

berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in

geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen

regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover

geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een

en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar

of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem

ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij

beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met

eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook

wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw

zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de

vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter

zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den

vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik.

--De vergelijking met dien van mijn eigen land,--antwoordde

Siddha,--moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een

zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten!

--Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,--

hernam de magistraat,--en in 't bijzonder Todar Mal, den

schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl,

den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de

grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de

regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan.

En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al

deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het

tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer,

ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel

vaster en beter verzekerd dan te voren zijn.

--Maar, geachte Heer!--vroeg Siddha,--bestaat er nu geen gevaar

dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt

als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt?

--Ik geloof het niet,--was het antwoord;--als onze gemeenten

eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die

ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en

al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op

zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu

deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou

hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen

ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot

gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de

dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de

bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en

wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van

hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren

met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het

toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze

gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er

zelden iets van.

--Een gelukkige toestand!--zei Siddha,--en voor beide partijen

inderdaad heel gemakkelijk.

--Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door

bevorderd,--merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek.

--Dat wordt zij ook niet,--antwoordde de magistraat,--maar zoudt

gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders

dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in

een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte

van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door

elkander woont?

--Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak

ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt.

Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel

belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden

afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden

weer bestijgend, hun weg.

Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt

moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't

gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren

omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der

Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren

afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig

en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven

elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende

gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en

breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld

alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze

deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te

verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de

paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den

eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden,

gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan

door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't

overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen

en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van

Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend

voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de

natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige

regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden

bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven

aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de

omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als

zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig

aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het

verschiet!--Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens

langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren

vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner

vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun

intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men

onderweg had kunnen vinden.

Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men

bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten,

en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt,

begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van

de stad zelve te zien.

--Vergun mij,--sprak Parviz,--u voor weinige oogenblikken aan u

zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van

mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen

over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt

stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds

bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds

een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen

bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten.

--Wel verpligt,--antwoordde de ander lagchend,--daaraan ga ik mij

niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik

zal u daar dan of in de nabijheid wachten.

Akbar: een oosterse roman · 第 6 / 21 段