--Dat--zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter

dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk

uit zijn helder oog,--dat is een waar woord, dat gij gesproken

hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet

kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wél zult kennen! Maar nu

dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt.

Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou

verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een

onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij

dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer

rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu

al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het

verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het

betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige

erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal

ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en

tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzië

tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en

Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering,

bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kaçmir, op zich zelve hem zoo

buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote

opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten

moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend

nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te

eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden

voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een

geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog

zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets

gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die

hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles

niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad

eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar

onderstelt.--Zijne eerzucht,--vervolgde de spreker,--terwijl zijn

anders rustig oog begon te schitteren,--zijne eerzucht dan is, en

was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken

leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk,

maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken,

die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit

begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke

toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te

leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende

rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en

den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige

grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen,

en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en

kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van

beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden

aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor

één enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar

laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel

omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja!

dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij

zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en

zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het

bereiken van zijn doel, en hoe vér, hoe vér, helaas! blijft hij

daarvan ook heden nog verwijderd!

Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem

onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner

rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde

gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd

voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende

borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen,

toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders vóór zich dan

den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zóó een man

jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou

uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met

dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij

eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid

deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in

stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten

baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen

onmogelijk maakte.

--Abdal Kadir!--sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan

verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk

zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene

met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander

genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven.

Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde

getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen

zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen

edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke

bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander

toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de

onbekende hem terughield en zeide:

--Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn

vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet

persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker

van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd

onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan

zijn geloof.--Is het zoo niet?--vroeg hij, Abdal Kadir aanziend.

--Zoo is het inderdaad!--antwoordde deze;--en ik heb ook werkelijk

geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!--vervolgde hij tot

Siddha,--ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en

geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik

strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat

ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat

zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig

maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons,

diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te

maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne

dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien

geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd

heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u

en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij óf ongodisten

zijt óf afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk,

verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan

ongeloovige....

Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield

op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen

moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen

opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen.

--Ongeloovigen dan, in één woord,--vervolgde Abdal Kadir,--en dat

is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan

genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen

of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben

ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die

alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige

belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van

ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u

vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot

zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden

en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen

geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal

het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw

hoofd, en... welligt ook hem zal treffen, die met eer en

gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de

roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter

hand gesteld!

--Mij dunkt,--sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op

ijskouden toon,--mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze

voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen

leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord

komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't

midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee

in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons

niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter

bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem

dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik

vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien....

--Abdal Kadir!--vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich

verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens

slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen

Islamiet,--wat verlangt gij van mij?

--Sire!--antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar

zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem

gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra

kwam,--Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of

bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan....

--Ik weet het,--viel Akbar hem in de rede,--zelfzuchtig zijt gij

niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik

soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog

eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel

wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te

spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast

wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te

matigen!

--Inderdaad!--antwoordde Abdal Kadir,--het geloof, ons eenig waar

en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts

voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.--En,--vervolgde

hij,--nu van zijne zijde met een strengen blik,--een wezenlijk

ernstig, als het kan!

--Ik wil gaarne mijn best doen,--zei Akbar beleefd,--en ik beloof

u, volstrekt niet te lagchen, mits... gij 't ook niet al te bont

maakt.

--Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,--

merkte de ander aan,--maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo

bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als

onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en

met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie

als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is

ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons,

wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei

Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en

lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheïsten als een Feizi, in de

hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende

bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't

midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene

partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang

besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven

aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende

de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak

maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer

moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds

genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de

Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten

zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige

grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof

van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden.

--Maar,--vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,--wat willen dan

eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan

de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij

willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun

ooit een stroobreed in den weg gelegd?

--Zeker niet,--hernam de ander,--maar dat zou dan ook ten hemel

schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien

alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde

bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in

allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun

verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de

handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de

Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is?

--Ja, daar zijn wij er weer!--riep Akbar uit,--dat is nu weer het

oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en

daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet

breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alléén in 't bezit van

die waarheid?

--Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd

heeft, en omdat....

--Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar

hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der

Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij.

Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens

als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is.

En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de

Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar

alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze

Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste

gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat

zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op

zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en

Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te

zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in

gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens

iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als

geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld

meer regt dan Christus heeft?

--Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed?

--Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op

eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk

alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem

indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu

ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat

niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van

het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die

verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn

heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben

op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die

zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien éénen

kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt.

--Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten

welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen?

--Nu,--sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,--ik

heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer

geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet.

--Andere!--hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met

ernstigen blik in de oogen ziend,--juist, andere! Namelijk die

soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet,

heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen

huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw

eigen geslacht? Indien uw zoon....

--Mijn zoon! Selim!--riep Akbar uit.--En toch,--ging hij voort,--

onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons

geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze

familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo

meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij

zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer

woorden.

--Zoo is het, Sire!--antwoordde Abdal Kadir,--althans ik heb

gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten

verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval

is.

--Nu,--hernam Akbar,--als 't er dan werkelijk toe komen moest, één

ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet

handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone

vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg,

dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond

mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen

besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we

zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op

onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden.

Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel!

En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich

de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk

na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt.

--Bij Allah!--bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne

tanden,--daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend

hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op

eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van

rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van

ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij

weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen

zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds

bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs

man acht gij u, Abdal Kadir! en toch... gij hebt weer gehandeld

als een gek!

Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook

die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat

voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!...

Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook

wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde,

mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den

grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn

paleis had zien terugwandelen....

Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke

vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid

buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had,

opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,--

Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den

vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en

luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen

scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan

trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles

aanschouwde.

Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde

gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij

den Vorst.

--'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!--sprak de Keizer,

na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,--en ik

wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land.

--Helaas, Sire!--antwoordde Koelloeka mistroostig,--wenschte dat

ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen

verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen

door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn

land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet.

--Ik begrijp het al,--zei Akbar,--zeker weer de oude geschiedenis!

Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader,

broeders die onder elkander intrigeren, dáár... als elders.

--Maar al te waar!--hernam Koelloeka.--Toen eenmaal Nandigoepta,

de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder

de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde

zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de

bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en

aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat

onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar

toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al

wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat

nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke

zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of

laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al

weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen

beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar

wat tot dusver ons ontsnapt.

--'t Mag zijn hoe het wil,--sprak de Keizer, vast en beslissend,--of

zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel

weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds

wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als

vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken

strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden

zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de

grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de

mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen

plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij

te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor

goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet

dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geëerbiedigd worden, en kan dit

niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook

weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het

Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de

welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest

uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille

te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook

de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die

trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij

geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat.

--Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,--

indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo

goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden,

zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet

bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het

meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van

hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn

pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij

kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u

verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen.

--Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,--sprak Koelloeka,--en

zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker

niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en

onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet,

hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar

schuilt nu in Kaçmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo

gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste

omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons,

als tegen uw gezag?

--Hoe nu? Wat meent gij?

--Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb

mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken

te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten.

Selim....

--Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen

zijn?

--Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele

aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch

aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij

ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk

geval geen kwaad.

--En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles

nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en

handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't

geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal

ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en

handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt

ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen,

waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo

straks uw leerling gesproken.

--Hoe, Siddha?--riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,--en wie

stelde hem dan nu reeds voor?

--Niemand,--antwoordde Akbar,--ik heb, in 't park hem ginds

ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens

aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel.

--En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak?

--Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde.

Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf

wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem

zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke,

eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat

onvoorzigtig en wat heel openhartig....

--Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer

kon zijn?

--Wel iets,--hernam Akbar lagchend,--ten minste indien hij geweten

had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem

onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij

een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar

genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat

ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de

menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu

maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken

roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug!

Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met

welgevallen zag Akbar hem na,--hem, een man zoo ver van hem

verwijderd én in stand én in rang, én door uitwendige godsdienst

en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting

en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal

zijn woord had verpand.

--Op dien ten minste valt te rekenen!--sprak de Keizer in

zichzelven,--in hem althans is geen bedrog.--En hij had regt. Maar

hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met

evenveel regt hetzelfde getuigen kon!

VIJFDE HOOFDSTUK.

Een nieuwe kennis en een oude

Akbar: een oosterse roman · 第 5 / 21 段