erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog
gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe
eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige,
maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd
verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan
een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden,
even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in
Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar;
maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan
zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en
denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat
verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en
edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En
welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van
ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt
het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe
moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende,
klassieke taal kon leeren verstaan.
--Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die
natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei
Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen
heeft gehad om 't mij te leeren.
--'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft
dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad
met het leeren der taal, hij heeft wél doen vergeten dat ze
oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze
Kaçmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke
navolging van Nala en Damayanti.
--Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet
spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur
begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal
beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon,
met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle
beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo
onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets
navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die
natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan
leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een
overzetting van de Evangeliën opgedragen.
--Van de wat?--vroeg Koelloeka.
--Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar
den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij
toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs
in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige
denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs,
even als in uwe theosophiën; maar over 't geheel geeft het niet
bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal
kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde
hij, zijne lofrede op oud-Indië's beschaving voortzettend,--dat
zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de
onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die
andere vergelijk! Al had ik er maar deze ééne van u geleerd, ik
zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms
verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar:
"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit,
Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap."
--Is 't zóó goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't
oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout?
Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka
aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste
vrijmoedigheid:
--Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den
laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der
daarin voorkomende woorden.
--Nu, ik kom er nog al wél af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar
zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent
er toch zeker wel een enkele van buiten.
Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen:
"Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren
Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht."
--Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kaçmir nog wat
anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de
kunst van vleijen, mijn vriend!
--Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw
broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker
ook van Perzië doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende
geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden?
--Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet
ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan
toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij
bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te
beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al
mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het
inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die
toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft,
wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende
tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij
op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn
lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij,
--niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man,
die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste
vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij
begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men
kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem
gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij
hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien.
--Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte
had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen?
--Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even
eerlijk op te kunnen antwoorden.
--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam
mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf.
Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier
steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk
meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig
genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst
als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo?
--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad!
Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een
Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de
menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek
genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun
hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één.
--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe
optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed
hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten
worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren
vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden?
--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,--
hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te
beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en
staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het
leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er
immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon
hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn
broeder zelf en mij niet.
--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi
vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit
bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te
eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer
prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik.
--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,--
en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle
omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen
hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te
noemen.
--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar
zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook
al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als
mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten
aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij
ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is.
Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij
ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor
hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt
dan de schitterendste feesten.
--Niets liever, geëerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan
zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de
door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is
't voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de
vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en
ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden
zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is.
Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor
uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst?
--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een
dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik
mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk
tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te
volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak
daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch
wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms
eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust
bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen.
En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des
Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug....
Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts
keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de
intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan
steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het
gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en
invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van
den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer
zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen?
VIERDE HOOFDSTUK.
Akbar
Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de
groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens
de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's
ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste
de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven
hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de
krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen
overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend,
terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't
overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn
rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken
overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al
zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet
minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij
thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en
uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne
aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van
levenslust en moed.
Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters
eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne
rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen
bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij
tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de
goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant
zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke
bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd
de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was
afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken.
Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te
wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne
schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek
aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den
hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen,
blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem
toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg:
--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit
Kaçmir moet zijn aangekomen?
--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen.
--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die
mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor
eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen
hebben haar dat te gunnen?
--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres?
--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't
oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker
inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En
wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes
uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig
als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met
zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het
zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden.
Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij
dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de
waarschuwing van Aboel Fazl.
--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet
een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke
vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop
ik, niet bevreesd....
--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn
gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij,
zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling
schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij
tegen den bepaalden tijd bij de moskee!
--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een
beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was.
Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te
volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had;
doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de
dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan,
en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde
hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en
bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof.
Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer
vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met
glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer
nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan
tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers,
in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat
daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt
vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het
ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik
toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene
aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide
boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene
aangename rustplaats boden.
Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn
voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van,
naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange
maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en
zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat
hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige
wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot
dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat
bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der
meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar
noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn
kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet
bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig
siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette
sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en
schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat
sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat
was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha
ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem
nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg
uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn.
Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling
of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit
oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets
gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor
iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een
der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een
zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op
eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere
inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had.
Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was,
antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak
verklarend, voortging:
--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe
medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen
hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook
niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die
betrekking? Zet u inmiddels!
--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend,
al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet
opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte
scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn
begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en
tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij
geplaatst hebben.
--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij,
komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te
hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent?
--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die
ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er
voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel
als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen,
zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel
van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden
heb.
--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is
alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn
rekbare woorden.
--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in
den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en
pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met
de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet
willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat
geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou
kunnen verzekeren.
--En gij zoudt wél doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat
reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer
inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk
nadeel kon strekken?
Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord,
terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den
Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich
en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat
ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding:
--Is Akbar niet eerzuchtig?
--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die
Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op
zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd,
maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens
iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg
gewaagd.
--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u
niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet,
is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw
gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong
en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u
spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen
benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen.
Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat
verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog
bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal
te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins
ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat
ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene
in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles....