--Gij bewondert onze paleizen,--sprak Feizi tot Siddha,--en gij

erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog

gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe

eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige,

maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd

verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan

een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden,

even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in

Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar;

maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan

zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en

denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat

verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en

edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En

welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van

ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt

het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe

moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende,

klassieke taal kon leeren verstaan.

--Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die

natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,--zei

Siddha,--vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen

heeft gehad om 't mij te leeren.

--'t Ging nog al,--merkte Koelloeka goelijk aan,--maar al heeft

dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad

met het leeren der taal, hij heeft wél doen vergeten dat ze

oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze

Kaçmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke

navolging van Nala en Damayanti.

--Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?--hernam Feizi, die niet

spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur

begon,--en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal

beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon,

met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle

beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo

onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets

navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die

natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan

leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een

overzetting van de Evangeliën opgedragen.

--Van de wat?--vroeg Koelloeka.

--Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar

den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij

toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs

in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige

denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs,

even als in uwe theosophiën; maar over 't geheel geeft het niet

bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal

kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,--dus vervolgde

hij, zijne lofrede op oud-Indië's beschaving voortzettend,--dat

zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de

onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die

andere vergelijk! Al had ik er maar deze ééne van u geleerd, ik

zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms

verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar:

"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit,

Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap."

--Is 't zóó goed?--vroeg hij Siddha, na de regels in 't

oorspronkelijke te hebben uitgesproken,--of maak ik soms een fout?

Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka

aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste

vrijmoedigheid:

--Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.--En den

laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der

daarin voorkomende woorden.

--Nu, ik kom er nog al wél af!--riep Feizi vrolijk uit,--maar

zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent

er toch zeker wel een enkele van buiten.

Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen:

"Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geboren

Heel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht."

--Oho!--zei Feizi lagchend,--gij hebt daar in uw Kaçmir nog wat

anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de

kunst van vleijen, mijn vriend!

--Vleijen?--vroeg Siddha,--maar zou dan uw naam, als die van uw

broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker

ook van Perzië doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende

geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden?

--Mijns broeders naam!--sprak de ander,--ja, dien zal men niet

ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan

toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij

bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te

beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al

mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het

inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die

toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft,

wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende

tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij

op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn

lof van den Keizer af te laten dingen.--Als ik,--antwoordt hij mij,

--niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man,

die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste

vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!--Nu, gij

begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men

kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem

gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij

hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien.

--Edele Feizi!--sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte

had geheerscht,--mag ik u eens eene opregte vraag doen?

--Wel zeker!--luidde 't gulle bescheid,--en ik hoop er even

eerlijk op te kunnen antwoorden.

--Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam

mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf.

Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier

steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk

meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig

genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst

als Shah Akbar zamen te spannen?--of is het werkelijk zoo?

--Och kom!--riep Feizi uit,--mijn broeder ziet ook overal verraad!

Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een

Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de

menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek

genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun

hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één.

--Feizi!--sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,--uwe

optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed

hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten

worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren

vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden?

--Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,--

hernam de ander,--ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te

beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en

staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het

leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er

immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon

hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn

broeder zelf en mij niet.

--Dat in geen geval!--riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi

vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,--en zoo min ik ooit

bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te

eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer

prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik.

--Gedenk dat woord!--zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,--

en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle

omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen

hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te

noemen.

--Zie zoo!--sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,--daar

zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook

al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als

mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten

aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij

ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is.

Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij

ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor

hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt

dan de schitterendste feesten.

--Niets liever, geëerde Feizi!--was Koelloeka's antwoord,--dan

zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de

door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is

't voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de

vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en

ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden

zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is.

Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor

uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst?

--Ik moet wel, waarde vriend!--antwoordde Feizi, terwijl hij een

dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,--al verzette ik

mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!--zeide hij nog vertrouwelijk

tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te

volgen,--wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden.... Waak

daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch

wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms

eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust

bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen.

En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder des

Ministers zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug....

Zoo ontbrak het dan Siddha,--de gedachte drong onder 't huiswaarts

keeren zich als van zelf bij hem op,--zoo ontbrak 't hem bij de

intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan

steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het

gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en

invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van

den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer

zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen?

VIERDE HOOFDSTUK.

Akbar

Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de

groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens

de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's

ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste

de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven

hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de

krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen

overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend,

terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't

overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn

rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken

overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al

zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet

minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij

thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en

uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne

aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van

levenslust en moed.

Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters

eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne

rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen

bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij

tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de

goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant

zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke

bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd

de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was

afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken.

Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te

wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne

schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek

aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den

hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen,

blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem

toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg:

--Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uit

Kaçmir moet zijn aangekomen?

--Die ben ik,--antwoordde de ander,--gij schijnt mij te kennen.

--Ik persoonlijk niet,--zei de dienares,--maar de edele vrouw die

mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor

eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen

hebben haar dat te gunnen?

--Maar,--vroeg Siddha,--wie is uw meesteres?

--Vergun mij, Heer!--was het antwoord,--u den naam voor 't

oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker

inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En

wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes

uur ginds bij de moskee,--en hier wees zij naar het even prachtig

als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met

zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het

zonlicht glansde,--ik zal u daar wachten en u geleiden.

Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij

dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de

waarschuwing van Aboel Fazl.

--Nu?--vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,--weet

een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke

vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop

ik, niet bevreesd....

--Bevreesd!--riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn

gelaat overdekte,--wat geeft u 't regt....--Maar--vervolgde hij,

zich bedwingend,--'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling

schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij

tegen den bepaalden tijd bij de moskee!

--Het is wel!--antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een

beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was.

Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te

volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had;

doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de

dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan,

en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde

hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en

bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof.

Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer

vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met

glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer

nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan

tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers,

in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat

daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt

vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het

ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik

toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene

aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide

boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene

aangename rustplaats boden.

Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn

voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van,

naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange

maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en

zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat

hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige

wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot

dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat

bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der

meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar

noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn

kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet

bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig

siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette

sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en

schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat

sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat

was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha

ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem

nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg

uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn.

Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling

of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit

oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets

gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor

iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een

der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een

zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op

eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere

inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had.

Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was,

antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak

verklarend, voortging:

--Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe

medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen

hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook

niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die

betrekking? Zet u inmiddels!

--Ik zou,--antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend,

al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet

opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte

scheen te behandelen,--ik zou al erg ondankbaar jegens mijn

begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en

tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij

geplaatst hebben.

--...En den Keizer!--herhaalde de ander,--nu ja. Maar zeg mij,

komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te

hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent?

--Een lastige vraag, edele Heer!--sprak Siddha openhartig,--en die

ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er

voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel

als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen,

zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel

van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden

heb.

--Voorzigtig geantwoord!--merkte de onbekende aan,--de vraag is

alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn

rekbare woorden.

--Voor velen,--hernam Siddha,--maar niet voor mij. Ik neem ze in

den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en

pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met

de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet

willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat

geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou

kunnen verzekeren.

--En gij zoudt wél doen,--sprak de ander goedkeurend, maar wat

reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer

inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk

nadeel kon strekken?

Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord,

terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den

Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich

en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat

ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding:

--Is Akbar niet eerzuchtig?

--Jongmensch!--sprak de onbekende op een toon en met een blik, die

Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op

zijn bank,--zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd,

maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens

iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg

gewaagd.

--Zoo mag het schijnen,--antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u

niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet,

is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw

gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong

en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u

spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen

benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen.

Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat

verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog

bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal

te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins

ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat

ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene

in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles....

Akbar: een oosterse roman · 第 4 / 21 段