nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met
diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot één vast
besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij
niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn
oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor
een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat
zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van
nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste
betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of
ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek
of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf
zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren.
DERDE HOOFDSTUK.
Agra
Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte
morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het
groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt,
sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen
en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die
uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze
reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de
krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de
jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en
vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig
tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken
daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen.
Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging
stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden
tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar
had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen.
Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene
hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met
een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij
digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene
vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen.
't Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van
Kaçmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en
die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot
sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij
't voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een
oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend
ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne
reisgenooten terug.
Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten
en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog
mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien,
vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te
begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der
afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken
onze reizigers verder.
Meer dan één dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door
zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms
ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de
nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig
afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu
den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was
bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de
aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke
verveling van den togt zich wél vergoed.
Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag
tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van
paleizen en moskeën, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of
Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld
maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het
paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden
omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven
verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste
zandsteenen als uit één in het zonlicht glanzend granietblok scheen
gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner
afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en
vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend
beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden
invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de
paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke
stadbewoners en de moskeën met hare koepels en minaretten, en hier en
daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een
vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wél
was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook
voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden,
ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel
pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor
veroorzaakt. Eén eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend
hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat
alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als
eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den
barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest!
En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich
voorstelde, misschien binnen kort vóór dien man te zullen verschijnen
en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem
te moeten wisselen.
Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der
rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun
reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar
de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,--een
eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een
vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de
morgenzon glinsterenden stroom in de laagte.
--Komaan, dat treft!--zei Koelloeka toen zij de woning waren
binnengetreden,--ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen
zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen
straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting
bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad;
en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken.
Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg;
Siddha in een tot de knieën reikend en op de met een parelsnoer
behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt
door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin
hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens
in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot
dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot
voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig.
De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar
aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide
bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der
binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook
stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der
gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde
geschoven, en Aboel Fazl trad binnen.
Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en
omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch
kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg
hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin,
ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van
mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens
weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen.
--'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,--sprak hij na de
gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer
eerbiedig waren;--onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank
zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet
langzaam in 's Keizers dienst.
--'t Ware voorzeker ook een slecht begin,--merkte de aangesprokene
op,--indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald
om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en
die des Keizers hem hebben toegedacht.
--Geen gunst, mijn vriend!--hernam Aboel Fazl--geen gunst, maar
verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig,
alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene
grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke
edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze
Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen
stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan
den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede
getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader
gewenscht voor hem acht?
--Veroorloof mij niettemin, edele Heer!--sprak nu Siddha toen de
Minister zweeg--het mij toegezegde als een gunst te blijven
beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn
vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch
onwaardig zal maken.
--Blijf trouw vóór alles!--zei Aboel Fazl ernstig;--'t is een
voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer
hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't
geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle
kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten
verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige
instructiën geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet
nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te
zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen
bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet
zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik
zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie
willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil
u dus niet langer terughouden.--Doch wacht nog even,--sprak de
Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,--een
geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te
kunnen aanwijzen.--Daarop in de handen klappend, vroeg hij den
spoedig verschenen dienaar:--Is mijn neef Parviz hier?
--Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,--antwoordde de dienaar.
--Zeg, dat ik hem hier wensch te zien!
Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer
Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd
en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn
fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen.
--Parviz!--zei Aboel Fazl,--zie hier de beide heeren uit Kaçmir,
waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop
ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt
wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt.
--Gaarne, oom!--antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en
vriendelijk tevens groette,--'t zal mij niet minder genoegen zijn
dan eer.
--Zoo gaat dan!--hernam de Minister.--Koelloeka zal misschien nog
wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige
belangen van Kaçmir te bespreken. Doch, mijne heeren!--zeide hij
nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,--vergeet vooral
niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou
't u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd
mij de voorrang ook gaarne door hem gegund.
En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden
zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis.
--Kom!--zei Parviz, toen zij buiten waren,--'t is gelukkig nog zoo
heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan
zien waar een bezoeker van Agra wel vóór alles heengaat, het
paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar
is na uw morgenrid.
--Och!--antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen
vriend,--om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om
de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om
een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij
iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent.
--Nu,--hernam Parviz wat spotachtig,--zoo'n ijzervreter ben ik wel niet
als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een
wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat
warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen
vergeten.
Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent
eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder
anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de
krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond,
ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de
beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een
der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke
paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van
een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men
op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog
door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten
toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale
steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge
waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein
werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden,
waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der
hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder
treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de
verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende
gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel
daarentegen te meer in het oog.
--Gij begrijpt wel,--zei Parviz,--dat we dat alles wat daarbinnen
is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand
tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben.
Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van
bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het
geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien.
En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn
medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider
medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke
binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en
kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd
dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen
Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk
uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche
fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort.
Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig
mozaïekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast
onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte
verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en
zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar
den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware
tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit
te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest.
--Daar ginds, aan den anderen vleugel,--zei Parviz weder,--zou
men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij
natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb
eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren
afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten
koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt
al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan
te hooren. Is,--vroeg hij den geleider,--de groote audientie-hal
open?
--Neen, Heer!--antwoordde de ander,--voor 't oogenblik niet; maar
over een paar dagen....
--Nu, 't maakt ook niet uit,--hernam Parviz.--Binnenkort,--
vervolgde hij tot Siddha,--zal er wel openbare audientie zijn en
dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer
zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden.
Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het
zien toch ook nog wel waard mogen heeten.
Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte
van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook
door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de
bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der
verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke
bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de
werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratoriën ter
vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en
keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting,
de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't
bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd.
Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van
paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te
komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig
vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van
boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk
dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren
opgerigt.
--Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,--merkte hij
op.
--Ja,--antwoordde Parviz,--een goede honderd olifanten zijn er
onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den
Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt
moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen
en paarden en jagt-luipaarden.
--Maar,--vroeg Siddha,--wat heeft één man, al is hij ook Shah
Akbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles?
--Hij voor zich zelf niet veel,--was het antwoord,--en misschien
minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis,
toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een
legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad
overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede
zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt,
dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en
grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet
minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij
allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als
wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor
den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge
nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt
ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat
er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook
gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de
kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht
even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van
het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten
Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie.
Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn
groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn
Aïn i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak
met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen.
Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden
bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen
maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben
zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke
grenzen te houden. Maar nu!--vervolgde Parviz na een oogenblik
stilzwijgen,--'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan;
de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik
wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou
ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en
er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet
veel aan, en dan verloopen we ook ons maal.
--Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!--antwoordde Siddha,--en
ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij
hebt mij hier al haast den weg geleerd.
Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde
nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid
nemend, zeide hij:
--Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met
dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te
maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw
dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel
opzoeken.
De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek
zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op
dit oogenblik toch niet onwelkom was.
Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend
zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het
voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte
boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch
rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren
broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers
toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken
daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's
eigen vertrek.
Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich
uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel,
met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op
den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met
de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren
en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op,
trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een
eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de vóór het
balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen.
Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien
hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde,
joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en
eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke
vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn
kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van
krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook
menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens
netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst.
--Ik wist het wel,--zeide hij, terwijl een paar dienaren den
gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,--gij zoudt den dag
niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als
mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te
brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop
te noemen.--En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?--vroeg hij
aan Siddha.--Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien?
--Uw neef Parviz, edele Heer!--antwoordde Siddha,--heeft dezen
morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het
paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er
eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't
oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel
heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar
dat alles is mij gebleken vér beneden de werkelijkheid te zijn.
--Dat geloof ik gaarne,--hernam Feizi,--het gaat iedereen zoo, die
voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van
Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog
altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij,
Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben
benieuwd weer eens iets van uw Kaçmir te vernemen.
Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en
zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook
Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog
had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu
met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers
vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege
beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had
opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der
dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen
van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige.