--Nu,--hernam de ander,--gij zoudt het toch bij gelegenheid wel

vernomen hebben. Dus kan ik 't u ook terstond wel zeggen. Spreek

er intusschen maar niet over met Koelloeka; dat behoeft niet, en

ware misschien ook, zoo ik wél zie, niet goed. Doch nu verder! Die

oneenigheden dan, tusschen den Koning en zijne zonen en tusschen

dezen onderling, worden aangestookt,--gij begrijpt thans, door

wien. Is dan eenmaal de open veete uitgebroken en 't land weer in

partijen verdeeld, dan is er wel een voorwendsel te vinden om ons

den oorlog te verklaren; en de Keizer, door zijne handlangers en

spionnen omtrent den toegang door onze bergpassen ingelicht, komt

dan het land met een sterk leger overvallen en het inlijven in

zijn eigen rijk. Dat neemt nu alles natuurlijk niet weg, dat ik

gaarne zijn buitengewone verdiensten erken; maar diezelfde

eerzucht, die zijn volk groot maakt, kan de ondergang zijn van

onze onafhankelijkheid.

--Doch hoe,--vroeg Siddha weder, na een oogenblik overdenkens,--

hoe kunt gij in zulke omstandigheden en als dat alles werkelijk

zoo is, nog de dienaar zijn van een man, die, hoe beteekenend ook,

toch den ondergang van ons vaderland gezworen zou hebben?

--En waarom niet?--sprak Salhana, op zijne beurt als verwonderd,--is

het dan niet goed dat een onzer, zonder hem zelf te benadeelen,

maar integendeel hem dienend in vele andere eveneens gewigtige

zaken, toch in de gelegenheid blijft, het oog op zijne plannen en

handelingen te houden? Juist daarom is 't ook nuttig dat gijzelf,

onder mijne aanbeveling en bescherming, nader met den heerscher

in aanraking komt. U zal hij voorzeker minder verdenken nog dan

mij, en gij zult alzoo, goed toeziend, ons soms nog beter op de

hoogte kunnen houden dan eenig ander.

--Maar,--vroeg nogmaals Siddha, na een oogenblik nadenken, en als

aarzelend,--is dat eerlijk?

--Jongeling!--antwoordde Salhana op hoogen toon, hoewel zijn

gelaat anders geen toorn verried,--laat mij u doen opmerken, dat

een man van mijn leeftijd en ervaring toch wel weten zal wat

eerlijk is of niet, en u, een jongmensch, die zijn loopbaan

aanvangt, toch geen raad zou geven in strijd met de regte

begrippen van eer!

--Vergeef mij, oom!--hernam Siddha verlegen,--gij weet, ik ben nog

te weinig bekend met de beginselen van hoogere staatkunde om u zoo

terstond reeds volkomen te begrijpen. Ook heeft Koelloeka, mijn

goeroe, mij steeds ingeprent in alles den regten weg te volgen,

nooit dubbelzinnig jegens iemand te handelen, en....

--Koelloeka, mijn beste vriend! viel de ander hem in de rede,--is

een voortreffelijk man en voor wien ik steeds de meeste achting

heb gehad; maar hij is een geleerde, geen man van zaken, een man

van theorie, niet van praktijk. Zie nu eens! uw land en volk,

waaraan gij gehecht zijt, wordt bedreigd door een Vorst, dien gij

overigens hoog stelt en ook gaarne dienen wilt, maar alleen niet

in dat ééne. Integendeel, daarin zoudt gij wenschen, en zou 't ook

uw pligt zijn, hem zoo doenlijk tegen te werken. Nu wordt u de

gelegenheid daartoe opengesteld; zoo niet geheel toch in zekere

mate. Zult gij nu die gelegenheid versmaden wegens 't een af ander

afgetrokken begrip van politieke eerlijkheid? En handelt hijzelf

dan zoo eerlijk door uw en mijn diensten aan te nemen en

tegelijker tijd lagen te leggen aan onzen Koning en ons land? En

zoo niet, wat aanspraak heeft hij dan op zoo bijzondere

openhartigheid van onze zijde? Daarenboven, ga maar eens tot

Akbar, en zeg hem, zoo gij durft, in zijn gezigt dat gij zijn

plannen doorgrondt en tegen hem in 't veld denkt te treden! Hij

zou u zien komen, mijn goede vriend! Eer een etmaal voorbij was,

laagt gij geboeid in den kerker of zaagt ge u heimelijk naar de

uiterste grenzen van Dekkan of Bengalen vervoerd,--zoo 't niet

erger met u afliep. Baat u en ons dus geen openlijk verzet, wat

rest dan anders dan goed gebruik te maken van de gunstige

gelegenheid, waardoor, let wel! den Vorst zelven geenerlei kwaad

wordt berokkend, terwijl wij van onzen kant er ons vaderland

misschien nog mee redden van het naderend verderf?

Niet overtuigd nog, maar toch ook niet wetend hoe dergelijke

redeneringen te wederleggen, zocht Siddha vergeefs naar een

antwoord, en--zweeg, afwachtend wat zijn oom nog verder te zeggen

had. Maar deze scheen het onderhoud voorloopig als geëindigd te

beschouwen en maakte een beweging om op te staan, toen zich in de

laan waarop de rustbank het uitzigt gaf, eene figuur vertoonde,

wél geschikt om Siddha's opmerkzaamheid te trekken en zijne

gedachten voor 't oogenblik af te leiden van het gesprokene.

't Was een lange, magere, bronskleurige gedaante, kaal geschoren

behalve één enkele lange haarvlok op het glimmend voorhoofd,

regterarm en borst ontbloot, maar omhangen met het heilig koord

der Brahmanen, en voor 't overige de knokerige leden in een eng

sluitend wit kleed zonder eenig siersel gehuld. Diep lagen de

grauwe bijna wezenloos voor zich uitstarende oogen in hunne

kassen, en de holle wangen en sterk uitstekende jukbeenderen

schenen te getuigen van strenge vasten en harde zelfkastijding.

Schoon voor mensch of dier niet ligt bevreesd, en ook voor 't

overige wel aan de verschijning van dergelijke wonderlijke

gestalten gewend, schrikte toch Siddha een oogenblik voor deze

ééne terug. Menig jongen en krachtigen tijger had hij in de

bosschen weerstaan en met speer en zwaard geveld, en meer dan één

geduchte slang had hij onverschrokken den kop afgehouwen, maar

nooit nog volkomen den afschuw kunnen overmeesteren, die hem bij

den plotselingen aanblik van een schuffelenden adder of een

eensklaps uitschietenden schorpioen beving, ook al vreesde hij

niet terstond de giftige beet.

--Gorakh, de Yogi,--verklaarde Salhana,--priester van den Doerga-

tempel, ginds op den berg. Bejegen hem met ontzag. Hij verdient

het en heeft meer te beteekenen dan gij alligt vermoedt.

Sluipend bijkans, meer nog dan gaande, de beide mannen, die

inmiddels opgestaan waren, naderend, sprak de priester, terwijl

hij de beide handen zaamgevouwen naar het voorhoofd bragt, op

langzaam sleependen toon en sommige lettergrepen op wonderlijke

wijze rekkend:--

--Om! om! U zij de gunst van den Heer der Wereld en van Doerga,

zijne glorierijke gemalin! Om!

--Wees gegroet, eerwaarde Gorakh! antwoordde Salhana op die

zonderlinge toespraak,--zie hier mijn neef, Siddha Rama uit

Kaçmir, van wien ik u vroeger reeds gesproken heb.

--Hij zij gegroet!--was Gorakh's plegtig antwoord,--en moge hij

eenmaal, den strijd der tweeheid te boven, de zegeningen

doorgronden van het ter oneindige zaligheid leidend eenheidsbewustzijn,

waarin gij, mijn leerling en vriend! reeds meer en meer den waren weg

des heils begint te herkennen!--Doch,--vervolgde hij na een oogenblik

niet minder plegtig zwijgen,--dat levenservaring hem eerst dien weg

bereide, gelijk ze u en mij dien gewezen heeft! Gunnen we hem den tijd,

dien de leerling behoeft! Trouwens, ik ken hem, en weet dat hij eenmaal

tot de onzen zal behooren.--Nog onlangs,--en hier wendde hij zich

onmiddelijk tot Siddha,--nog onlangs heb ik u ontmoet.

--Vergeef mij, Eerwaarde Heer!--zei de toegesprokene,--zoo ik 't

van mijn kant mij niet herinner....

--Dat kunt gij ook niet,--werd hem geantwoord;--ik was op dat

oogenblik onzigtbaar voor menschelijk oog.

Te wel bekend met de wonderlijke beweringen der Yoga-belijders,

dat ze bij voorkomende gelegenheden zich onzigtbaar konden maken,

en dergelijke, vergenoegde zich Siddha met stilzwijgend den

priester aan te hooren, toen deze tot zijn verbazing voortging:

--Het was op dien avond toen gij den tijger van den kluizenaar

zocht te vervolgen, en.... Maar wij spreken elkaar nog wel nader!

De edele Salhana verlangt thans mijn onderhoud. Tot later dan,

vaarwel! U zegene Doerga's magtige gemaal!

En met doffe stem zijn--Om! Om!--prevelend, verwijderde zich de

Doerga-priester met Salhana, die, zijn neef een--Tot straks!--

toeroepend, hem alleen liet in den hof.

De laatste mededeeling van den Yogi was wél geschikt om Siddha's

verwondering op te wekken. Hoe wist die man wat er ginds met hem

in 't gebergte was voorgevallen, waar hij buiten zijn eigen

reisgezelschap geen enkel menschelijk wezen had bespeurd? Het

gezigt van zijn dienaar, dien hij op eenigen afstand daar tusschen

de boomen zag dwalen, bragt hem inmiddels op eene gedachte, die,

meende hij, alligt het raadsel kon oplossen.

--Vatsa!--zeide hij, den man wenkend,--hebt gij of Koelloeka's

dienaar zoo even of daar straks met een priester gesproken?

--Neen, Heer!--antwoordde Vatsa,--wij hebben zelfs geen priester

gezien.

--Niet?--vroeg Siddha, thans wezenlijk verbaasd,--nu, goed dan!

Gij kunt gaan!--En terwijl hij met de hand wenkte, prevelde hij

half verstoord en toch ook half verschrikt, in zichzelf:--ik moet

er Koelloeka eens over spreken!

Doch hoe kon nog eenig priester of wat ook een oogenblik langer

zijne gedachten bezighouden, toen hij, een eind weegs voortgewandeld,

het wit gewaad en de slanke gestalte van Iravati gewaar werd onder het

digte lommer der mango's aan den oever van een kleinen lotusvijver,

besproeid door een zacht klaterende en aangename koelte verspreidende

fontein? Bloemen lagen om haar heen en een nog onafgewerkten krans hield

zij in de hand. Doch zoodra niet hadden voetstappen in de nabijheid hare

opmerkzaamheid getrokken en nauw had zij Siddha herkend, of zij wierp

den krans weg, en snelde haar minnaar met zaamgevoegde en ter hoogte

van het voorhoofd opgeheven handen te gemoet. Hartstogtelijk drukte

Siddha ze in de zijnen, en de geliefde terugleidend zette hij naast haar

zich neder in het mos.

--Wat uw vader toch een wreed man is,--sprak hij,--ons terstond

zoo weer te scheiden, nadat wij nauwlijks een paar woorden

gewisseld hadden!

--Wel!--zei Iravati,--gij moest hem eer bedanken, dat hij ons

toestaat, elkaar zoo alleen te spreken. Dat is hier lang niet

allen vergund, die in ons geval verkeeren.

--Nu goed!--hernam Siddha,--daarvoor wil ik hem van harte dankbaar

zijn, en te hooger waardeer ik dit gelukkig oogenblik, naar ik te

langer er op wachten moest. Doch hoe nu? Gij deelt dunkt mij niet

geheel in mijne blijdschap; wat mag de reden daarvan zijn?

--Ach!--zuchtte Iravati,--hoe ware 't geluk onverdeeld als men

weet dat hét zoo kort is van duur? Welligt of waarschijnlijk is

dit het eenige korte oogenblik dat we voor langen tijd elkander

vrijelijk mogen spreken. En morgen gaat gij weer verder, naar de

weelderige, woelige stad, waar gij een eenvoudig meisje als ik ben

alras zult vergeten....

--Vergeten!--riep Siddha uit,--heb ik dergelijk vermoeden aan u

verdiend? En wat is ook eene afwezigheid van misschien enkele

maanden? Keert dan,--vroeg hij met de woorden van Amaroe, terwijl

hij hare hand vatte, en haar nader ter zich trok,--"Keert dan wie

gaat, niet terug? Hoe dus: mijn liefste! zoo treurig? Blijft niet mijn

hart als mijn woord, scheiden we ook straks, u verpand."

--Ja,--zei Iravati lagchend,--als dichters ons troosten konden!

Maar vertel mij, Siddha! hebt gij nog nooit een vers op mij

gemaakt?

--'k Wilde dat ik het kon,--was het nederig antwoord,--en

inderdaad ik heb 't wel eens beproefd, maar wat ik ook zocht, ik

vond nooit iets uwer waardig. Daarentegen is er een andere kunst,

waarin ik misschien iets beter ben bedreven dan in poëzie, en wat

ik daarin beproefde wil ik niet voor u terughouden.--

En een klein met edelgesteenten omzet medaljon uit zijn gordel te

voorschijn halend toonde hij zijne verloofde een miniatuur

portret, waarin zij wel terstond haar eigen beeld moest herkennen.

--Siddha!--riep zij blijde uit,--maar ik ben immers lang zoo

schoon niet!

--Zoo schoon niet!--herhaalde hij,--neen, maar wel honderdmaal

schooner dan mijn penseel of dat van een ander u afbeelden kan!

En in zeker opzigt had hij gelijk. Want, naar Indischen smaak, had

hij de doorsnee der oogen en de grootte van den mond een weinig

overdreven, terwijl juist de volkomen evenredigheid van beide met

de overige trekken een van Iravati's wezenlijke schoonheden was.

--Maar hoe nu?--vroeg hij verschrikt, terwijl zijne gezellin

eensklaps was opgestaan en snel aan zijne armen ontsnapte, die

haar trachtten te omvatten,--hoe nu? gij neemt de vlugt?

--Wacht mij even!--sprak zij,--in een oogwenk ben ik bij u terug.

Met de vlugheid der gazelle zag hij tusschen de boomen haar den

weg nemen naar het paleis, als zwevend de breede marmeren trappen

bestijgen en weinige oogenblikken later terugkeeren met een niet

terstond uit de verte herkenbaar voorwerp in de hand. Toen, hem

weer genaderd, vertoonde zij hem, terwijl een blos hare wangen

overdekte en hemzelven een uitroep ontsnapte van blijde

bewondering, zijn eigen, welgelijkend, maar ditmaal werkelijk een

weinig geïdealiseerd portret.

--Liefste mijn!--sprak hij in vervoering, en eer ze zedig zich kon

terugtrekken had hij haar middel omvat en een vurigen kus op de

frissche rozeroode lippen gedrukt.

--Zie! sprak zij,--de onstuimige omhelzing zachtkens afwerend,--

nu zou mijn vader toch tevree met ons zijn! We hebben juist gedaan

zooals de prinsen en prinsessen, waarvan onze nationale

vertellingen spreken; die maakten ook elkaars portret.

--Niet volmaakt juist, lieve!--verbeterde Siddha,--ze maakten hun

eigen portret, en ruilden dan met elkaar, of als ze elkander

afbeeldden, dan ruilden ze toch. Maar ik vind onze manier toch

beter; de hunne scheen mij altijd in 't eene geval een blijk van

verregaande ijdelheid, en in 't andere heel doelloos.

--Foei!--zei Iravati bestraffend,--maakt gij aanmerkingen op de

schriften der Ouden? Wie weet of gij straks niet onze heilige

boeken zelf zoudt gaan kritiseren!

--Nu ja, en waarom niet?--vroeg Siddha,--als ze nu eenmaal hier of

daar mis hebben of smakeloos zijn, of....

--Gij zijt toch, hoop ik, geen twijfelaar?

--Twijfelaar? Aan wat?

--Aan het gezag der heilige Veden, bij voorbeeld, of aan....

--Kom, beste!--viel Siddha de schoone spreekster lagchend in de

rede,--kom! laten we nu in deze weinige oogenblikken, die ons nog

gegund zijn, niet doen als zoovelen onzer landgenooten, die elkaar

haast nooit kunnen ontmoeten of ze doen elkander allerlei

theologische en philosophische vragen.

--Gij hebt gelijk,--hernam Iravati,--en zie, ik weet ook een

spelletje dat veel aardiger is, en dat gij ook wel kent. Let op!

En zich vooroverbuigend naar den kant van den vijver, plukte zij

een donkerblauwe lotusbloem, nam een groot langwerpig boomblad dat

daar op den grond lag, en, na het vlug tot een soort van schuitje

omgebogen te hebben, den lotus daarin stekend, liet zij het blad

drijven op het zacht door de beweging der fontein bewogen

watervlak.

--Die bloem is mijn Siddha,--sprak ze half in zichzelve,--laat

ons nu zien of hij mij trouw zal blijven!

--Neen!--sprak Siddha op zijne beurt verwijtend,--dat is een gek

spel! Dat moet gij niet spelen!

Maar Iravati luisterde nauwelijks en zag met ademlooze

belangstelling naar het dobberend boomblad uit, dat daar vrolijk

op de kabbelende golfjes danste.

--Trouw! trouw!--juichte zij....

Daar streek een ligt zuchtje van den zuidenwind over het water;

het ranke vaartuig helde ter zijde, kantelde, en vertoonde weldra

niet meer dan het ondervlak, terwijl de lotus verdween.

--Helaas!--riep Iravati uit en liet het hoofd op de borst zinken,

--mijne voorgevoelens zouden mij dan niet bedriegen?

--Foei! zeg ik nu van mijn kant,--sprak Siddha,--eene edele wel

opgevoede jonkvrouw hecht aan zulke dwaasheden, die hoogstens te

vergeven zijn aan onnoozele boerenmeisjes! En zoo stelt gij dan

meer vertrouwen in een boomblad, dat van zelf wel moet omvallen

als ge 't maar lang genoeg drijven laat, dan in het eerewoord van

een Indisch edelman, die u zijne trouw heeft gezworen als gij de

uwe aan hem?

--Ach, Siddha!--zuchtte Iravati,--heb medelijden met mij als ik

mij soms wat kinderachtig aanstel! En is mijne onrust u geen blijk

hoe ik u liefheb? Mag ik niet soms, hoe groot ook mijn vertrouwen

op uw woord en uwe liefde is, met zekere onrust denken aan die

stad waar gij heengaat en waar u wie weet het welke verzoekingen

wachten? Toch had ik daareven groot ongelijk, dat erken ik; en,--

vervolgde zij, haar hoofd aan Siddha's schouder leunend,--ik weet

immers ook, dat Siddha de mijne is, nu en voor altoos en dat er

geen andere vrouw bestaat, die mij ooit zijn hart kan ontrooven!

Haar middel omvattend, zag Siddha de geliefde zwijgend aan; maar

die blik zeide meer dan de krachtigste betuigingen, en nameloos

gelukkig vleide zich Iravati aan zijne borst.

Een gerinkel van ringen in de nabijheid deed beiden opzien, en uit

Siddha's omhelzing zich loswindend, zeide Iravati:

--Ons zamenzijn, vriend! is geëindigd; daar komt Nipoenika, mijne

dienares, ons waarschuwen.

Inderdaad verscheen een oogenblik later de dienares, wier gouden,

om de bronskleurige enkels en armen sluitende ringen onder 't gaan

het zooeven vernomen geluid hadden veroorzaakt, en meldde hare

meesteres dat de Goeverneur haar uitnoodigde, naar hare vertrekken

terug te keeren en zijn neef verzocht, met hem en Koelloeka aan

den maaltijd te komen deelnemen.

Met een ligten handdruk scheidde Iravati van haar verloofde, en

begaf zich met Nipoenika terug naar het paleis. Op een afstand

volgde Siddha om zijn oom en zijn reisgezel in de benedenvertrekken

te gaan opzoeken.

Aan pracht en weelde ontbrak het niet bij het maal, aangerigt in

een der kleinere vertrekken, dat met zijn open galerij een

heerlijk uitzigt leverde op het schilderachtig landschap daar

omlaag. Zijden, fraai geborduurde kussens, waarop de gasten plaats

namen, gouden en zilveren schalen in overvloed, keur van spijzen

en wijnen, tal van dienaren van allerlei gelaatskleur en in allerlei

kostuum, in één woord al wat overeenkomstig mogt heeten met den rang

van Salhana als Goeverneur der veste en voor 't oogenblik hoogst

gestelde onder de bewoners van het vorstelijk paleis. Maar de regte

vrolijkheid ontbrak aan het deftig feest en geen vertrouwelijkheid was

denkbaar; alles bleef er vormelijk, statig, stijf; en de gesprekken,

even onbeteekenend als hoffelijk, werden blijkbaar slechts tusschen de

drie mannen gevoerd omdat stilzwijgen onbeleefd zou zijn geweest.

--Hoe anders,--kon Siddha niet nalaten te denken,--hoe anders toch dat

eenvoudige maal bij den kluizenaar in het gebergte!--En 't was of

Koelloeka ongeveer hetzelfde dacht toen zijn jonge vriend hem even

aanzag; althans de blik dien hij toen juist in 't ronde wierp en zijn

nauw zigtbare, door Salhana niet opgemerkte glimlach bewezen wel dat er

ook iets dergelijks omging in zijne gedachten.

Ten laatste inmiddels liep de lang gerekte maaltijd, waarbij in

alle deftigheid ook nog al vrij wat wijn was gedronken, ten einde.

Maar ook het overig gedeelte van den dag leverde voor Siddha geen

verder genoegen meer op. Wel dwaalde hij een tijd lang onder het

balkon der vertrekken rond, welke hem de gedienstige Nipoenika,

hem daar ontmoetend, als die harer meesteres had aangewezen, maar

Iravati vertoonde zich niet, en toen zij tegen den avond nog

eenmaal in tegenwoordigheid van haar vader en diens gasten

verscheen, was het enkel om een kort afscheid te nemen, even

vormelijk als de eerste begroeting in den morgen was geweest.

Vroegtijdig met het krieken van den dag moest den volgenden morgen

de reis worden voertgezet, om onder behoorlijke middagrust de

hitte van den dag te kunnen ontwijken, en vroeg dus begaven de

reizigers zich naar hunne vertrekken.

Doch zoo noodig de rust hem ook ware, de jongste der beiden kon

zoo terstond ze niet vinden, toen hij in 't voor hem gereed

gemaakte vertrek was aangekomen; en ongenegen dadelijk zijn

rustbed op te zoeken, begaf hij zich, na zijne wapens te hebben

afgelegd, nog voor eenige oogenblikken aan het open venster, dat,

aan de achterzijde van den burgt, het uitzigt verleende op de ook

daar aangebragte vestingwerken en de hier omheen liggende, nu in

nachtelijke schemering gehulde bosschen, waarachter zich weder

heuvelen en enkele hoogere, hier en daar met tempels en andere

heiligdommen gedekte bergen verhieven.

Niet enkel Iravati's beeld echter was het wat op dit oogenblik hem

bezig hield. Ook de staatkundige gesprekken met zijn oom en de

zonderlinge ontmoeting met den geheimzinnigen priester rezen weer

op voor zijn geest. Dat deze door een of anderen kunstgreep achter

het voorval met den tijger was gekomen, begreep hij wel, al kon

hij niet ontdekken hoe; maar waartoe moest dat alles dienen, en

wat wilde die man eigenlijk? En Salhana, de Goeverneur? Viel er

vertrouwen te stellen in diens karakter, moesten zijne aanduidingen

gevolgd en werkelijk voor Koelloeka verzwegen worden wat er dien morgen

verhandeld was? Of ware 't niet noodig hem daarover te raadplegen?

Eene onverwachte verschijning op den eersten ringmuur, waarvan de

lage borstwering scherp uitstak tegen de wel reeds nachtelijke

maar toch heldere lucht, deed Siddha een oogenblik het onderwerp

zijner overpeinzingen vergeten om spoedig zijne gedachten nogmaals

daarop terug te brengen.

Boven de borstwering namelijk vertoonden zich eensklaps halverwege

twee gestalten zonder dat hij begreep hoe zij, terwijl hij toch

juist op den muur gestaard had, er zoo in eens waren gekomen; en

spoedig herkende hij aan hunne gedaanten, schoon hij de

gelaatstrekken niet onderscheiden kon, zijn oom, den Goeverneur,

en Gorakh, den Doerga-priester. Al weer die twee te zamen en in

dit late uur! Doch het wonderlijkste van de verschijning was

misschien nog de gansch veranderde houding van beiden. Geen zweem

meer van hunne vroegere stijfheid en statigheid. De een

gesticuleerde al harder dan de andere bij het blijkbaar zeer

levendig gesprek, terwijl zij nu eens naar het kasteel, dan weer

naar het gebergte aan de overzijde wezen. Het onderhoud bleef in

vollen gang tot het eensklaps gestoord werd door de verschijning

van wederom nieuwe figuren, die één voor één achter elkaar langs

den ringmuur zich voortbewogen. Dunne, magere gestalten allen, en

bijkans geheel naakt, met uitzondering van een wit, om den hals

gewonden koord, dat ook in de schemering nog door het verschil met

hunne donkere huidskleur zigtbaar bleef. Aanstonds bij hunne komst

was Salhana, waarschijnlijk langs een uit het paleis onzigtbare

trap, even snel verdwenen als hij straks gekomen was. De priester

had onmiddelijk al zijne statigheid weer aangenomen, en met de

regterhand naar een der hoogste bergen wijzend, stelde hij zich

aan het hoofd van den stoet, en daalde met dezen langs den muur

naar het aan den voet der rots gelegen donkere woud omlaag. Een

lange reeks van gedaanten, alle nagenoeg volkomen op de eerste

gelijkend, volgde hem, en Siddha had lang opgehouden te tellen

toen hij de laatste in de duisternis van het bosch verdwijnen zag.

Eene ligte huivering had zijns ondanks hem bevangen toen hij die

zonderlinge gestalten daar voorbij zag trekken en hun uitwendig

voorkomen met den naam der godin in verband bragt, aan wier dienst

zich Gorakh heette gewijd te hebben, en wier tempel op gindschen

berg zij thans waarschijnlijk met hem gingen bezoeken. Kon het dan

waar zijn dat die sekte nog bestond, waarvan hij zoo menigmaal

gehoord had, maar die hij lang uitgeroeid of uitgestorven waande,

dat geheimzinnig verbond van daemonen in menschengedaante, dat zoo

lang de plaag en de schrik van Hindostan was geweest, het

vreeselijkst voortbrengsel welligt, dat ooit godsdienstig

fanatisme had uitgebroeid? En met een aanvoerder van dergelijke

bende zou zijn oom, de dienaar des Keizers in verstandhouding

zijn? 't Was inderdaad niet te gelooven, en lagchend om zijn eigen

dwaze voorstellingen verliet Siddha het venster, en wierp zich,

haastig ontkleed, op zijne legerstede.

Akbar: een oosterse roman · 第 2 / 21 段