De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo sta

Produced by Jeroen Hellingman, Miranda van de Heijning,

Charles Franks and the Online Distributed Proofreading Team.

AKBAR

EEN OOSTERSCHE ROMAN

Mr. P.A.S. van Limburg Brouwer

INLEIDING

De grootsche figuur van Keizer Akbar, den beheerscher van Indië

in het laatst der zestiende eeuw (1556-1605), scheen mij om meer

dan ééne reden zoozeer aller belangstelling te verdienen, dat ik

niet aan de verzoeking heb kunnen weerstaan, hem als hoofdpersoon

te doen optreden in eene romantische schets, welke ik hierbij ons

publiek waag aan te bieden.

Voor den lezer, die gesteld mogt zijn op eene nauwlettende

onderscheiding tusschen hetgeen er wezenlijk historisch in het

boek voorkomt en wat daarin is verdicht, strekke het volgende.

Bepaald geschiedkundige personen, behalve Akbar zelf, zijn: Selim,

zijn zoon; Aboel Fazl, zijn Vizier; diens broeder Feizi; Abdal

Kadir Badaoni; Rodolpho Aquaviva, de Jezuïet, en enkele anderen

van minder beteekenis. Parviz behoort mede tot de geschiedenis

maar droeg een anderen naam. Nandigoepta is wel geen historisch

persoon, maar toch een type, gelijk er meer dan een in de

geschiedenis van Indië, en in 't bijzonder van Kaçmir, valt aan

te wijzen. Zoo ook Gorakh en zijne Worgers. En Iravati blijft in

zeker opzigt eene historische figuur, voorzoover zij het beeld der

echt Indische vrouw moet vertegenwoordigen, gelijk die in het

drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. Verscheidene

gezegden eindelijk, den personen in den mond gelegd, zijn mede

historisch.--In enkele punten is, om ligt begrijpelijke redenen

eenigszins van de werkelijke geschiedenis afgeweken: tijdens Akbar

regeerden in Kaçmir geen Hindoe-vorsten meer, hoewel het land voor

't overige volkomen Indisch bleef; de aanslag van Selim, waarvan

de bijzonderheden mede eenigszins gewijzigd zijn voorgesteld,

geschiedde gedurende den togt niet tegen Kaçmir, maar tegen

Dekkan; Feizi was ouder dan Aboel Fazl en stierf vóór diens moord;

Fattipoer ligt iets verder van Agra dan 't in het verhaal is

voorgesteld. Op de beoordeeling van het karakter der feiten en der

personen kunnen dergelijke geringe afwijkingen intusschen wel van

geen invloed zijn.

In den stijl van het werk is, in 't bijzonder bij de gesprekken,

voorzooveel zonder slaafsche navolging en zonder misbruik van

vreemde woorden doenlijk scheen, naar behoud van den Oosterschen

vorm gestreefd, en bij de spelling van eigennamen meer gelet op

gemak voor den lezer dan op de eischen eener streng wetenschappelijke

schrijfwijze. De hier en daar ingevoegde gedichten zijn allen door mij

bewerkt naar den oorspronkelijken Oosterschen tekst.

Eene uitvoerige opgave van de bronnen, die bij de zamenstelling

hebben gediend, zal men hier wel niet verlangen; en den

geschiedkenner ware daaromtrent ook niet veel nieuws mede te

deelen. Hij toch weet, dat de geschriften van Aboel Fazl en Abdal

Kadir de voornaamste oorspronkelijke bronnen voor de kennis van

Akbar's leven, instellingen en begrippen zijn, waaruit de meeste

latere, zoo Oostersche als Westersche schrijvers hebben geput, en

dat de berigten der Jezuïeten uit het Hindostan van zijn tijd,

schoon menigmaal blijkbaar onjuist, toch in vele opzigten tot

aanvulling en verklaring dienen van die der Perzische geschiedschrijvers.

Nauw ook eischt vermelding dat verscheidene nieuwere historische werken

van meer of minder uitgebreidheid, reisbeschrijvingen en plaatwerken in

dezen geraadpleegd zijn. Voor het meer bepaald Indische in den roman

dienden hoofdzakelijk de verschillende legenden, vertellingen, romans en

drama's, die uit de Sanskritlitteratuur zijn tot ons gekomen, en voor de

eigen wijsgeerig-godsdienstige begrippen van Akbar, die overigens nog 't

best uit het geschrift van zijn voornaamsten tegenstander, Abdal

Kadir, zijn op te maken, de Vedische of oud-Indische voorstellingen,

waaraan hij meerendeels zijne eigene moet hebben ontleend. Door andere

schrijvers schijnt op dit laatste te weinig acht te zijn geslagen. Eéne

bron verdient nog bijzondere vermelding, omdat ze tot heden niet bekend

werd: de velerlei mededeelingen omtrent land en volk door de kooplieden

onzer Oost-Indische Compagnie, die kort na Akbars regering te Soeratta

en te Agra waren gevestigd en wier brieven nog worden bewaard in ons

oud-koloniaal archief.

Bij alle zorg voor nauwkeurigheid blijft in eene proeve als deze

de mogelijkheid van vergissingen en onjuistheden, vooral wat

plaatsbeschrijvingen aangaat, nog altijd bestaan. In zoover die nu

hier of daar mogten zijn ingeslopen, kan de schrijver wel niet

anders dan voorloopig daaromtrent verschooning vragen en zich

aanbevolen houden voor gegronde teregtwijzing.

Den Haag, October 1872. v. L. B.

EERSTE HOOFDSTUK.

Een kluizenaar

Met rooden gloed schoten de laatste stralen der ondergaande zon,

weerkaatst door de purpergetinte sneeuwvelden van den Bhadrinâth,

langs de steile hellingen van het Himâlaya-gebergte, terwijl een

zachte zuidenwind de geuren der bosschen en bloemen uit de dalen

omhoog dreef naar de toppen der bergen. Eeuwen en eeuwen lang

hadden de stralen dierzelfde zon diezelfde hellingen dus beschenen

en waren gelijke geuren omhoog gestegen, zonder stoornis of

verandering, zoo 't schijnen mogt, dier altijd jeugdige, maar

eenzame natuur, terwijl daar omlaag in verre verte menschen

kampten en magtige rijken verrezen en vernietigd werden, en

diepdenkende vernuften zich afpijnden om doel en laatsten grond te

vinden voor het bestaan van het heelal.

Ook nu,--'t was in het laatst van de zestiende eeuw onzer

jaartelling, toen Djelal-ed-din Mohammed, bijgenaamd Akbar of de

Groote, en onder dien naam meest bekend, het magtig rijk der

Mogols in Hindostan ten toppunt verhief van glans,--ook nu bleef

dat hooge gebergte, nauw toegankelijke zetel eenmaal der Indische

Deva's, lusthof thans van Britsche aristocraten, nog een wild en

onherbergzaam, door menschenvoet weinig betreden oord. Ook thans

was 't enkel de roep van een snel voorbijtrekkenden roofvogel, die

nu en dan, of 't zacht eentoonig gegons der op en neder dansende

insectenzwermen, dat nauw hoorbaar de eindelooze stilte brak. Toch

bleef die plek niet zoo volkomen eenzaam als een min opmerkzaam

beschouwer alligt zou hebben ondersteld. Diep gedoken en als

verborgen in het hooge gras der berghelling lag, behagelijk

uitgestrekt, een groote fraai gevlekte tijger, droomend en als in

wijsgeerige rust opziend nu eens naar de hooge sneeuwkruinen, dan

weer de oogen sluitend voor het nog schelle licht, en omlaag

starend naar de liefelijke groene vallei, die daar beneden zich

uitbreidde tot waar nogmaals andere berggevaarten hunne toppen

verhieven om ten laatste zaam te smelten met den wazigen

veelkleurig getinten horizont. Waar hij aan dacht, soms dus omhoog

blikkend, soms nederziend in de diepte? Misschien wel, met

nevelachtig weer opdoemende herinnering, aan de tijden toen hij

onder eene andere gedaante als magtig Râdja nog heerschte in het

weelderig Kaçmir, en vasallen zich bogen aan zijne voeten en

schoone vrouwen dongen om de eer van zijn oogopslag. Of was dat

prachtige, koninklijke dier werkelijk niets anders dan een

reusachtige kat, een monster der wildernis en niet veeleer een

nieuw hulsel voor de verdoolde ziel van een eenmaal trotsch en

overmoedig heerscher. Ook nu nog was hij de Koning der woestijn,

waarin geen leeuw hem den voorrang kwam betwisten; ook nu nog

toonde de fiere blik waarmede hij bij wijlen in 't ronde staarde,

dat hij zijner magt zich bewust bleef, en bewezen zijne gladde

bewegingen en bevallige wendingen wanneer hij soms wisselde van

houding, dat hij even ridderlijk zich aan de voeten eener schoone

prinses had weten neer te vleijen als, trotsch zich oprichtend, te

gebieden over zijne minderen in rang. Doch eensklaps als uit zijne

mijmering opgeschrikt, sprong hij omhoog en luisterde.... Een

geluid, een klank van menschenstemmen trof uit de verte zijn

fijngeoefend oor.

En inderdaad, schoon op nog tamelijk verwijderden afstand, kwam,--wél

ongewoon verschijnsel hier!--een groep ruiters langs het eenig

begaanbare gedeelte van den bergrug afdalen naar de vlakte. Een

jong, bevallig man, wiens rijke kleeding en fiere houding hem

terstond als edelman deden herkennen, nevens een meer bejaarden in

stemmiger gewaad, en achter hem twee dienaren. De eerste op een

kleinen, maar krachtig gebouwden en vluggen schimmelhengst van

edel ras, de ander op een zwaarder, donker paard, de dienaren op

grofharige maar sterke bergpaarden. De jongeling droeg een blauw

zijden, naar onderen openhangend en met gouden knoopjes versierd

wambuis, wijde broek en roode schoenen, een ligte muts met een

hooge door een diamant vastgehouden veder op het hoofd, een korte

sabel met fraai gevest ter zijde nevens een met edelgesteenten

bezetten dolk in den rijkgestikten gordel, en een lange speer in

de rechterhand. Zijne gestalte was rijzig en van eene volmaakte

evenredigheid, zijn schoon, regelmatig gelaat was blank en slechts

even door de zon getint, terwijl zijne donkere oogen en lokken en

een fijne bruine knevel de helderheid zijner kleur, onmiskenbaar

teeken van het echt oorspronkelijk Arisch ras, nog schenen te

verhoogen. Zijn oudere medgezel, een krachtige, breedgeschouderde

figuur, vertoonde een eenigszins donkerder tint, schoon de

regelmatigheid zijner gelaatstrekken hem evenzeer als een man van

hetzelfde bloed deed herkennen. Hij had een fraaijen gekrulden

baard, die bijkans de helft van zijn gelaat mogt verbergen; een

groote witte tulband dekte zijn hoofd, en zijne gestalte hulde

zich in een lang, tot bijna aan de voeten reikend, om het midden

met een vergulden gordel vastgehouden kleed van donkere, maar

fijne stof; ook hij was gewapend met sabel en speer en om zijne

schouders hing een klein, rond schild. De dienaars droegen anders

niet dan wijde, los omgeslagen mantels over de anders weinig

bedekte bronskleurige leden; verscheiden helblinkende koperen

ringen, onder 't voortrijden een rinkelenden klank veroorzakend,

sierden hunne enkels en polsgewrichten; korte speren en ronde

schilden vormden hun wapentuig.

Uit de gesprekken hunner meesters ware spoedig op te maken

geweest, wie deze waren, van waar zij kwamen en welk het doel van

hunner reis. De jonge edelman, Siddha Rama, was de zoon van den

eersten minister van Kaçmir en door zijn vader met het overbrengen

van belangrijke brieven naar het hof van Keizer Akbar of den

Grooten Mogol, te Agra, belast, waar hij tevens het bevel zou

aanvaarden over eene afdeeling Radjpoet-ruiterij, die onder de

hulptroepen van het keizerlijk leger dienst had te doen. Hij werd

vergezeld door zijn leermeester Koelloeka, een Brahmaan van

afkomst, en deels geleerde, deels krijgsman, die hem zoowel in de

oorlogskunst en alle ridderlijke oefeningen als in de aloude

heilige taal en de daarin gestelde klassieke en gewijde schriften

had onderwezen. Alvorens echter den togt naar Agra voort te

zetten, hadden zij een bezoek te brengen aan een kluizenaar in het

gebergte, om vervolgens naar Allahabad te vertrekken, waar

Siddha's oom in naam des Keizers bevel voerde over het fort aan

het vereenigingspunt van Ganges en Djoemna, en waar ook de

verloofde van Siddha, de jeugdige Iravati, dochter van den

Goeverneur, met verlangen naar het aangekondigd bezoek van haar

toekomstigen echtgenoot uit bleef zien.

--Maar, eerwaarde Koelloeka!--sprak Siddha, na een tijdlang

stilzwijgend naast zijn leermeester te hebben gereden,--gij, die

zoo goed hier den weg kent, vertelt mij dat wij nu vlak bij de

kluizenarij van Gaurapada Bhikshoe moeten zijn, en ik zie toch

niets wat maar op een kluis of zoo iets gelijkt. Zou de heilige

man ook soms zijn verhuisd?

--Geduld maar, mijn jonge driftkop!--antwoordde de Brahmaan,--zoo

aanstonds komen wij aan een wending van den berg, die ge van hier

nog niet zien kunt, en als wij daar zijn, zult gij spoedig genoeg

het kleine bosch in de vallei zien liggen, waar Gaurapada zijn

stille woning heeft gebouwd. Maar gij mogt wel met wat meer

eerbied van den Eerwaarde spreken, naar mij dunkt. Trouwens hij

zal u dat zelf wel leeren als gij hem maar eerst ontmoet.

--Nu,--hernam Siddha vergoelijkend,--'t was zoo kwaad niet

gemeend.... Maar wat is dat?--riep hij eensklaps uit, met zijne

lans naar het hooge gras aan de zijde van den bergweg wijzend, dat

zich golvend scheen te bewegen, schoon geen wind het verschijnsel

kon veroorzaakt hebben. En eer zijn bedaarder medgezel hem kon

weerhouden was de hartstogtelijke jager met zijn paard in het gras

gesprongen, en baande hij met gevelde speer zich een weg naar de

plek waar hij de beweging in het gras had opgemerkt. Onmiddelijk

en nog vóór Koelloeka rende een der dienaren zijn jongen meester

na, toen hij dezen plotseling weer zag stilstaan en als verwonderd

om zich heen staren. Alle beweging in het gras had volkomen

opgehouden, geen sprietje bewoog zich meer en geen geluid werd

vernomen. Daar begon het golven opnieuw, maar veel verder af, en

boven de hooge grashalmen vertoonde zich bijwijlen het bruingevlekte

ligchaam van een grooten tijger, die met geweldige sprongen voortrende.

Nogmaals gaf Siddha zijn paard de sporen, maar 't volgend oogenblik lag

hij in zijne volle lengte in het gras: een dicht begroeide kuil had

paard en ruiter doen storten. In een oogwenk echter was deze weer op de

been.

--'t Is niets, Vatsa!--zeide hij tot zijn dienaar, die van zijn

paard gesprongen, op hem was toegesneld,--ik ben hier zacht genoeg

neergekomen. Als mijn beste schimmel 't er nu maar even goed heeft

afgebragt!

Bij onderzoek bleek gelukkig, dat het edele dier evenmin eenig

letsel had bekomen als zijn doldriftige berijder, maar de tijger

was weg en nergens meer te bespeuren, zoodat men niets anders te

doen had dan spoedig weer in den zadel te springen en den

gestoorden togt voort te zetten.

Zwijgend reed nu weer Siddha, over zijn dwaas avontuur niet weinig

beschaamd, nevens zijn goeroe, tot deze het stilzwijgen afbrak met

te zeggen:

--Gij hebt daar, geloof ik, een gekken streek begaan, mijn waarde!

--Ja!--bekende Siddha nederig,--ik heb ongetwijfeld een mal figuur

gemaakt met daar zoo om te rollen.

--Nu,--hernam Koelloeka,--dat kondt gij niet helpen; niemand kan

overdekte kuilen zien; maar dat bedoel ik ook niet, ik meen iets

anders.

--Wat dan?

--Gij zult het straks wel merken, indien ten minste waar is wat ik

vermoed.

De glimlach, die bij deze woorden om den mond van Koelloeka

speelde, maakte Siddha's nieuwsgierigheid natuurlijk nog meer

gaande; maar juist toen hij nadere uitlegging wilde vragen was de

straks aangeduide wending bereikt, en breidde zich een ander

gedeelte der vallei, nog even verlicht door den zonneschijn, met

zijn weelderigen plantengroei en zijne frissche stroomen en beeken

voor 't bewonderend oog der reizigers uit.

--Zie ginds!--sprak Koelloeka, met zijne lans naar een digt

bosschaadje in de diepte wijzend, waarlangs een heldere beek zich

slingerde als een zilveren lint,--daar woont Gaurapada.

En zonder verder te spreken daalden de ruiters voorzigtig langs de

steile helling naar omlaag, volgden het, half door de natuur, half

door ruwe kunst gevormde pad, dat naar het bosch leidde, en reden,

dit ingegaan, voort tot zij aan de andere grens waren gekomen,

waar opnieuw het vergezigt zich opende over de heuvelachtige

vlakte.

Daar, onder het digte lommer, verhief zich, door slanke, met

klimop en rozen begroeide bamboestijlen gesteund, en gedekt door

een eenvoudig maar bevallig overhellend rieten dak, eene nederige

woning, maar die toch wat bouwtrant en uiterlijk aanzien betrof

veeleer een aangenaam buitenverblijf dan de strenge armoedige

kluis van een boetedoend heilige mogt worden genoemd. Achter, het

donkere woud; aan de voorzijde, een honderde tinten en schakeringen

weerkaatsend smaragdgroen meer, zooals alleen eene Alpennatuur dat

kent, met witte en blauwe lotusbloemen langs de kanten, en waarin de

zilverkleurige beek, die reeds van ver het oog had getroffen, zich

uitstortte voor een wijl om straks aan de andere zijde het weer te

verlaten en haar weg te vervolgen naar steeds dieper gelegen dalen; in

't verschiet eindelijk, aan den meer en meer in de schemering

wegduikenden overkant, de verre reijen der bergkruinen, die van hier

gezien slechts onbeduidende heuvelen schenen, maar, van gindsche

vlakten beschouwd, opnieuw als hemelhooge, voor menschen voet nauw

bestijgbare rotsgevaarten zich vertoonen mogten.

Een oogenblik stonden onze reizigers, hier aangekomen, stil, en

als verloren in den aanblik van het evenzeer grootsche als

liefelijke, door een laatsten schemerschijn nog verlichte

natuurtooneel; doch, spoedig het naaste doel van hun togt zich

herinnerend, stegen zij af en vertrouwden hunne paarden aan de

beide dienaars, terwijl zich Koelloeka naar de woning begaf om

door middel van een daar aanwezige klok het teeken te geven van

hunne komst. De moeite werd hem echter bespaard, en eer hij het

woonhuis was genaderd, vertoonde zich op den drempel reeds de

bewoner, door een dienaar gevolgd, wien hij de zorg voor de

paarden der gasten aanbeval door een zwijgenden gebiedenden wenk.

Wel zonderling mogt de indruk heeten, dien de aanblik van den

kluizenaar op Siddha te weeg bragt. In zijn eigen land, in zijne

bergen en bosschen, had hij vrome boetelingen, strenge heiligen,

rondslenterende bedelmonniken in menigte en van allerlei soort

gezien: sommigen in vuile pijen, met groote bamboestokken in de

hand, en bedelnappen en rozenkransen aan de zijde; anderen in een

soort kleedij uit boomschors vervaardigd; wederom anderen met

nagenoeg in 't geheel geen kleederen aan het lijf, kaalgeschoren,

van 't hoofd tot aan de voeten met grauwe asch bedekt, en

voorhoofd en borst met witte kalk besmeerd; allen zich overgevend

aan de meest afkeer wekkende en toch vrome en lichtgeloovige

gemoederen tot milddadigheid verlokkende praktijken; walgelijke en

afzigtelijke wezens allen ook, maar steunend op de magt van een

grenzenloos fanatisme, en in vadsige luiheid terend op de

aalmoezen, hun toegeworpen door een dom, maar vastgeworteld

bijgeloof. Geen wonder dan ook zoo de jonge, aan fijner beschaving

gewende, met diepe minachting op die soort van volk neerziende

edelman, ook in weerwil van zijn eerbied voor den leermeester, die

steeds met ontzag den kluizenaar van den Bhadrinâth had genoemd,

juist geen groote verwachting had van den man, die aan de deur van

gindsche woning hem zou ontvangen, en een ligten toon van ironie

niet had weten te onderdrukken toen er van den heilige in het

Himâlaya-gebergte werd melding gemaakt. Doch te treffender dan ook

in zijn oog de hooge en statige figuur, die ginds, het woonhuis

verlatend, de beide reizigers met voorname waardigheid maar tevens

innemende vriendelijkheid te gemoet kwam.

Een oud man in blinkend wit gewaad, met nog eenige fijne lokken om

den anders kalen schedel en een langen en zwaren zilverkleurigen

baard, maar nog in 't minst niet door den last der jaren gebogen,

en wiens, bij alle vriendelijkheid toch hooghartige blik wel

getuigde, dat in vroeger dagen gebieden hem meer eigen was geweest

dan het ontvangen en opvolgen van bevelen.

--Weest welkom, vrienden!--sprak hij, elk zijner beide bezoekers,

die zich eerbiedig voor hem gebogen hadden, bij de hand vattend,--welkom

in mijne eenzaamheid! 't Is mij goed, weer eens iets te

mogen vernemen van uw--hier scheen hij een oogenblik te weifelen,

maar ging toch met vaste stem weer voort,--van uw en mijn land en

volk.

Eer Koelloeka of Siddha kon antwoorden, werd hunne opmerkzaamheid

getrokken door een dof gebrul, dat zich in de onmiddelijke

nabijheid hooren deed; en een oogenblik later trad van achter de

woning met langzame en statige schreden een geweldige tijger te

voorschijn, en naderde, met den zwaren staart zijne flanken

slaande, de drie mannen. Onwillekeurig deed Siddha een stap terug

en sloeg de hand aan den ponjaard in zijn gordel.

--Laat dat speelgoed maar zitten!--sprak Gaurapada lagchend,--

daar zoudt gij Hara niet veel kwaad mee doen.

--Hier!--sprak hij gebiedend tot den tijger, en terstond legde het

magtige dier zieh aan de voeten des meesters.

--Heb ik 't u niet gezegd?--vroeg Koelloeka aan Siddha, op den

tijger wijzend,--en begrijpt gij nu waarom gij zoo straks een

dwazen streek begingt?

--Vergeving, eerwaarde heer! vergeving!--sprak Siddha, met omhoog

geheven handen tot Gaurapada, terstond begrijpend, dat hij straks

jagt had gemaakt op den tijger van den kluizenaar,--ik wist

inderdaad niet ....

--Ik begrijp het al,--viel Gaurapada hem in de rede,--gij hebt

Hara gejaagd. Nu, dat is wel eens meer voorgekomen, maar niet

altijd zoo goed voor den jager afgeloopen, als mijn viervoetige

vriend hier soms eens boos werd. Iemand opgegeten heeft hij echter

nog nooit, en als men hem geen kwaad doet, valt hij ook niet aan.

Ik heb hem, zooals vriend Koelloeka weet, hier al lang, van jongs

af aan, en wij beiden zijn nu gansch aan elkander gewend. Niet

waar, Hara?--vroeg hij, zich half voorover buigend naar den

tijger, die, halverwege zich oprigtend, zijn breeden kop tegen de

hand van zijn meester drukte.--En mijne vrienden,--vervolgde

deze,--zijn de zijnen. Zie maar eens!

En Siddha naderend legde hij hem zacht de hand op den schouder,

waarop de tijger beurtelings beide mannen aanziend, zich vóór

Siddha nederlegde en ook diens hand met zijn kop aanraakte.

Ditmaal trad de jonge edelman geen stap terug, maar streelde

bedaard den kop van het dier, dat hem ook verder niet bleek te

verschrikken toen 't een oogenblik, als behagelijk geeuwend, zijne

breede kaken opsperde en de geweldige reijen zijner tanden liet

zien.

--Goed zoo!--sprak Gaurapada, terwijl Hara weer tot hem

terugkeerde,--goed zoo! Ik heb er menig gezien, ouder en sterker

dan gij, die niet terstond zoo rustig bleef. Doch laat ons nu aan

andere dingen denken! Reizigers zooals gijlieden, die zeker een

langen togt gemaakt en hier in de wildernis zeker niet veel op uw

weg gevonden hebt, verlangen alligt naar eenige versterking. Wilt

mij dan volgen!

En hen voorgaande trad de kluizenaar zijne woning binnen, waarvan

het inwendige geheel aan het uiterlijk beantwoordend, wel is waar

niet meer dan het noodige bevatte, maar dat alles in de meest

volmaakte orde en op sierlijke wijze gerangschikt, en mede wel

aanduidend, dat de bezitter in vroeger tijden ook het meerdere en

het overtollige gekend moest hebben. Nadat de gasten zich met hem

op de fijne, op den vloer uitgebreide matten hadden neergezet,

bragt de dienaar, die straks de paarden in bewaring had genomen,

eenige schotels met eenvoudige, maar stevige spijzen, koud wild en

visch, benevens een aantal toegevouwen boombladeren met frissche

vruchten, en toen het maal een aanvang had genomen, ook een

drietal drinkschalen waarin den gasten een krachtige, fonkelende

wijn werd aangeboden.

--Dat hadt ge hier waarschijnlijk niet verwacht, edele Siddha!--sprak

Gaurapada,--gij waart zeker in de overtuiging, dat een vrome

kluizenaar niets dan bronwater drinkt. En de meerderheid meent,

dat het ook zoo behoort. Ik voor mij denk er anders over; ik heb

nooit begrepen dat het wezen van het kluizenaarsleven in

noodelooze zelfkwelling of onthouding is gelegen, en dat een

schaal goeden wijn met mate gebruikt, aan de rust der ziel zou

behoeven te schaden. Ook is hier in de bergen iets krachtigs nu en

dan inderdaad bevorderlijk voor de gezondheid.

De eenvoudige en gemakkelijke toon van den overigens zoo statigen

kluizenaar, die hem gansch als een man van de wereld deed kennen,

gaf den jongen ministerzoon al spoedig vertrouwen, en van zijn

kant beantwoordde hij nu ook met vrijmoedigheid, schoon altijd met

dien eerbied, dien de regte Hindoe den oudere van jaren leert

betoonen, de vragen welke Gaurapada tot hem rigtte omtrent zijn

vader, omtrent Iravati zijn verloofde en zijn leven aan het hof

van Kaçmir. Tot zijne verwondering bleek de kluizenaar nauwkeurig

alles te weten wat vroeger daar was voorgevallen en toonde hij

zich zelfs met bijzonderheden bekend, die voor elk een geheim

moesten zijn, wien de toegang tot het binnenste der vorstelijke

paleizen niet geopend was geweest. Ongetwijfeld was Gaurapada in

vroeger dagen een vertrouwd raadsman van een der vorsten, die

elkaar vóór dezen in vrij snelle reeks waren opgevolgd; dan hoe

het zijn mogt, Siddha waagde geen onbescheiden vraag zoolang de

ander zijn waren stand hem niet bekend maakte. Nog merkte hij op

dat de gesprekken van Gaurapada doorgaans eene groote opgeruimdheid

ademden, en hij volkomen met zijn tegenwoordigen staat te vrede scheen,

maar dat toch bijwijlen, als er van de staatkundige gebeurtenissen in

het Noorden gesproken werd, een donkere wolk zijn edel gelaat bedekte.

Telkens echter slechts voorbijgaand; want al kon zelfs de sterke wil van

den wijsgeer soms eene vlugtige aandoening niet volkomen verbergen, een

geest als de zijne was blijkbaar te magtig om ze niet terstond weer te

onderdrukken.

Inmiddels was het laat geworden in den avond, en wierp de maan

reeds haar hellen schijn over het landsdhap, dat zich, door de

opene stijlen van het vertrek gezien, voor het oog der gasten

uitbreidde.

--En nu,--zeide eindelijk Gaurapada, terwijl hij opstond,--vergun

mij, edele Siddha! mij met uw leermeester, mijn vriend, eenige

oogenblikken aan het genoegen van uw bijzijn te onttrekken. Ik heb

met hem eenige zaken te bespreken, die vooralsnog geheim moeten

blijven, en waarin gij trouwens ook waarschijnlijk slechts matig

belang zoudt stellen. Mogt ge u straks wenschen te verfrisschen,

ginds is, naar gij ziet, het meer of de beek, en aan een bad in de

vrije natuur zijt gij zeker ook wel gewoon.

Daarop verlieten de beide oudere mannen te zamen het vertrek en

nog lang daarna zag Siddha hen arm in arm in den maneschijn

wandelen, blijkbaar in ernstige en belangrijke gesprekken

verdiept. Toen zij terugkeerden was het tijd om zich ter ruste te

begeven, en niet zonder welbehagen gingen de reizigers hunne

vermoeide leden uitstrekken op de voor hen in gereedheid gebragte,

wederom zeer eenvoudige, maar daarom nog geenszins ongeriefelijke

legersteden.

De vroege morgen van den volgenden dag vond onze reizigers na een

frisch bad en een hartig ontbijt weer tot het voortzeiten van hun

togt gereed; en terwijl nu de paarden werden opgezadeld, nam

Gaurapada voor eenige oogenblikken Siddha ter zijde, en sprak,

ditmaal buiten gehoor van Koelloeka:

--Heilige kluizenaars, mijn jonge vriend! zijn gewoon, de jongeren

die hen komen bezoeken, niet zonder eenige leering, 't zij dan

verstandige of niet, te laten vertrekken. Gij wacht misschien iets

dergelijks ook van mij. Maar dan bedriegt gij u. Ik heb voor 't

oogenblik niets te voegen bij 't geen de wijze Koelloeka, uw

verstandige goeroe, u ongetwijfeld geleerd heeft. De wereld, die

gij gaat opzoeken, en 't leven zelf moeten het verdere doen. Maar

één woord toch, waaraan ik een verzoek heb toe te voegen! Schroom

niet, wanneer gij ginds in het Zuiden in het magtig en weelderig

wereldrijk zult zijn aangekomen, uw billijk aandeel te nemen aan

geoorloofde uitspanningen en vermaken; geniet het leven, dan eerst

leert gij 't kennen en het wezenlijke van het onwezenlijke

onderscheiden: maar gedenk steeds de les, waaraan uw leeraar u

voorzeker meermalen herinnerd heeft: houd uw gemoed rein, en draag

zorg dat gij u nooit over uwe handelingen te schamen hebt, niet

enkel voor anderen, maar ook voor uzelven! Doch wanneer het mogt

gebeuren, dat gij, in weerwil van uw ijverigst streven om die les

te betrachten, toch op eene of andere wijze de gemoedsrust zaagt

gestoord, die u als elk ander mensch onmisbaar blijft, en indien

gij dan soms geen vriend mogt hebben, wien gij uw hart kunt

openleggen, denk dan eens aan een oud vriend van uw vader en van

uw leermeester, en kom tot den kluizenaar van den Bhadrinâth. Wilt

gij mij dat belooven?

--Ik beloof het! antwoordde Siddha, eenvoudig maar met mannelijken

ernst, terwijl hij de armen eerbiedig over de borst kruiste. Maar

vriendelijk als steeds vatte Gaurapada zijne beide handen en

drukte ze hartelijk.

Weldra werden de paarden voorgebragt, de ruiters zetten zich na

afscheid van den kluizenaar in den zadel en reden, door hunne

dienaren gevolgd, het bosch weer in en het bergpad op. Nog meer

dan eens zag Siddha om en wierp hij een blik op de eerbiedwekkende

gestalte van den wijze, zooals die met zijn tijger nevens zich nog

geruimen tijd tusschen de hooge boomstammen door, aan den drempel

zijner woning zigtbaar bleef. Daarna reed hij zwijgend en in

gedachten verzonken naast zijn medgezel voort.

Eensklaps, als opschrikkend uit zijne mijmering, hield hij zijn

paard met een vrij onzachten ruk in, zoodat het bijkans steigerde.

--Koelloeka!--sprak hij,--ik zag nog nooit een man als Gaurapada!

Doch bijna op 't zelfde oogenblik kleurde hij tot over de ooren,

bedenkend, maar te laat, dat zijn uitroep juist niet bijzonder

vleijend voor zijn vriend en leeraar mogt heeten. Noodeloos

evenwel maakte hij zich ongerust door te meenen, dat deze eenigen

aanstoot aan zijne woorden nam. Integendeel Koelloeka's gelaat

teekende eene ongeveinsde vreugde over de bewondering van zijn

leerling voor zijn ouden vriend.

--Inderdaad!--zeide hij,--het verheugt mij dat gij zoo over hem

denkt; dat pleit ook tevens voor uzelf. En wees niet bevreesd u

ooit in hem bedrogen te zullen zien.

--Maar,--vroeg Siddha weer even plotseling na een oogenblik

stilzwijgen,--wie is nu Gaurapada?

--Wel!--was het antwoord,--dat hebt gij immers zelf gezien: een

kluizenaar in 't Himâlaya-gebergte.

--Nu ja!--zei Siddha eenigszins ongeduldig,--dat weet ik óók wel; maar

ik meen: wat was hij vroeger, eer hij hier kwam en tijgers temde?

--Hij trachtte menschen te temmen,--antwoordde Koelloeka,--maar

't gelukte hem niet altijd. Doch waarom hebt ge hem zelf niet

gevraagd, wie hij was?

--Zou dat bescheiden zijn geweest? Zoudt gij dat hebben

goedgekeurd?

--Neen, zeker niet! Gij hebt goed gehandeld met de gastvrijheid

niet te schenden door onbescheiden nieuwsgierigheid, ook al kwam

ze voort uit wezenlijke belangstelling. Maar daarom hebt ge nu ook

verdiend, die nieuwsgierigheid te zien bevredigd. Gaurapada heeft

mij veroorloofd, indien ik dat goed achtte, u zijn voorleden en

zijn waren naam mede te deelen. Zoo luister!--Er was eens een

Koning--

--Hoe nu?--vroeg Siddha, een weinig verstoord,--gaat ge mij nu een

sprookje van Somadeva vertellen, zooals ik er zooveel van u hoorde

toen ik een kleine jongen was?

--Hoor mijn sprookje,--antwoordde Koelloeka bedaard,--of hoor

niets! Er was dan, zeg ik, eens een Koning, die gesteund door

goede raadslieden, zijn volk regeerde met wijsheid en beleid.

Kinderen had hij niet, maar wel een jongeren broeder, een jonkman

van veel bekwaamheid, dien hij zeer liefhad en ook tot zijn

opvolger had bestemd zoo hij eenmaal het land mogt ontvallen of de

last der staatszaken in 't eind te zwaar op zijne schouders

drukken mogt. Doch die jongere broeder was eerzuchtig, ondanks

vele andere, goede hoedanigheden; hij had het geduld niet, zijn

tijd af te wachten en liet zich door eene aan de bestaande

regering vijandige staatspartij verleiden, eerst heimelijk, daarna

in 't openbaar en ten slotte met de wapenen in de hand op te staan

tegen zijn broeder en wettigen Vorst, tot deze hem en de zijnen

ten laatste overwon en hem gevangen medevoerde naar de hoofdstad

van zijn rijk. Maar de beweging was daarmede niet geëindigd, de

woelingen duurden voort, en om deze te onderdrukken bleef den

Koning geen ander middel dan zijn eerzuchtigen en steeds

gevaarlijken broeder, hoe innig ook door hem geliefd, uit den weg

te ruimen, en diens vrienden en aanhangers een gelijk lot te te

doen ondergaan. Maar zoo doende zou hij zijn troon ook slechts

vesten in broeder- en burgerbloed, en welligt eindelooze veeten in

't leven roepen, waarvan het eind geen ander kon zijn dan

algeheele uitputting van zijn rijk en de volkomen onderwerping van

zijn volk aan vreemde, lang reeds op de erfenis zijner vaderen

azende overheerschers. Toch twijfelde nagenoeg niemand of de

Koning zou ten laatste overgaan tot den nu eenmaal onvermijdelijken

maatregel, toen zich eensklaps het gerucht verspreidde dat hij uit zijn

paleis verdwenen en waarschijnlijk, zoo niet zeker, door verraad gevallen

was. En inderdaad vernam men sinds dien tijd niets meer van hem; zijn

broeder, uit de gevangenis verlost, besteeg als wettig opvolger den

troon, en regeerde sedert dien tijd, verstandiglijk de beste raadslieden

van zijn broeder aan zijne zijde houdend, zoo al niet met gelijke

wijsheid, dan toch met goed geluk het weer tot rust gekomen land.

Een oogenblik zweeg Koelloeka, en brak hij zijn verhaal af om zijn

medgezel en leerling aan te zien. Maar het gelaat van dezen

teekende noch verwondering, noch bijzondere belangstelling.

--Gij verhaalt mij,--zeide hij,--eenvoudig de geschiedenis van

onzen eigen tegenwoordigen Koning en zijn voorganger en ouderen

broeder Nandigoepta. Maar die is immers iedereen bekend, mij zoo

goed als elk ander bewoner van Kaçmir.

--Ongetwijfeld,--hernam Koelloeka,--die geschiedenis, voorzoover

ik ze u in herinnering bragt, is aan ieder bekend genoeg; doch wat

niet een iegelijk weet, maar alleen zeer enkelen, is, dat de

Koning Nandigoepta niet door verraad is gevallen en niet gedood of

verdreven werd, maar uit eigen beweging zonder dat zijn broeder of

iemand anders dan een enkele vertrouwde het wist, de wijk nam naar

een afgelegen oord, en door algemeen het gerucht te doen

rondstrooien dat hij verslagen was, zijn broeder redde van een

smadelijken dood en zijn rijk van den anders onvermijdelijken,

althans waarschijnlijken ondergang.

--Zoo leeft dan Nandigoepta nog!--riep Siddha uit,--en hij is....

--Gelijk gij reeds begrepen hebt,--antwoordde Koelloeka,--de

kluizenaar, dien wij straks verlieten. Heilig blijve u zijn

geheim, het geheim van zijn rijk en van zijn geslacht! Aan uwe

riddereer wordt het door hem toevertrouwd. De zoon van uw vader,

zijn trouwsten dienaar en vriend, mogt het kennen, maar zal het

ook weten te bewaren zoo zeker hij edelman is.

--Waarom,--vroeg Siddha, een oogenblik naderhand, half ontevrede,

--waarom mij dit niet meegedeeld toen wij nog ginds waren? Ik had

dan den Vorst mogen dank zeggen voor de weldaden, in de dagen

zijner grootheid aan mijn vader bewezen en aan ons geslacht. Doch

't is waar! gij hadt geen regt te spreken, zoolang hij zelf het

niet deed; en bovendien heb ik immers nog de gelegenheid!

Gaurapada toch,--zooals hij thans genoemd wil zijn,--heeft mij

doen belooven, hem op te zoeken als ik soms in moeilijke

omstandigheden goeden raad van noode had.

--En gij hebt wél gedaan, dat te belooven,--zeide Koelloeka,--

houdt u aan dat woord! Gaurapada is wijzer en beter dan één onzer.

Maar Siddha hoorde nauwelijks meer; wederom was hij in gedachten

verzonken. De ontmoeting met den kluizenaar en de openbaring van

diens geheim had diepen indruk op hem gemaakt. Daar, bij 't eerste

begin zijner reize, had hij een vorstelijk wijsgeer aanschouwd,

een man die eenmaal bijkans onbeperkte magt bezat en gebaad had in

weelde, maar die alles, rijkdom en aanzien, vrijwillig had

opgeofferd ter liefde van zijn broeder en van zijn land, en thans,

in 't gelukkig bewustzijn wél te hebben gedaan, zich tevrede en

zelfs opgeruimd betoonde in zijn eenvoudig leven in de wildernis,

met geen ander gezelschap dan een ouden getrouwen dienaar en een

verscheurend dier. En nu was hij op weg naar het hof van den

magtigsten monarch, dien Hindostan ooit had gekend, den

gelukkigen, met roem overladen beheerscher van een wereldrijk, die

zijn volken meer nog door wijs beleid dan door kracht van wapenen

wist te onderwerpen aan zijn wil, die te beschikken had over

onmetelijke schatten, en die zich bondgenoot mogt heeten van

magtige Vorsten uit de verst verwijderde landen en beschermer van

alle bekende godsdiensten der aarde. Wat de goede Siddha, anders

gewoon zich nog al wat te laten voorstaan op zijn adel en 't

aanzien van zijn persoon, nu plotseling zich klein gevoelde bij de

gedachte aan twee zulke mannen! En wie wel de grootste dier beiden

was? 't Viel zeker moeielijk te beslissen, en wijselijk begreep

Siddha, dat hij in elk geval zijn oordeel had op te schorten tot

hijzelf ook Keizer Akbar gezien en welligt gesproken zou hebben.

Dat besluit bragt hem tevens terug tot het naaste doel der reis,

het bezoek te Allahabad, waar de geliefde bruid, de schoone

Iravati, hem verbeidde. Zijn sedert eenige oogenblikken somber

gelaat helderde op, en vrolijk sprak hij, zijn hengst de sporen

gevend, toen men een vlak terrein van belangrijke uitgestrektheid

had bereikt:

--Komaan! nu weer eens een flinken rid, meester!--En voorwaarts

ging het in snellen galop, terwijl Koelloeka hem de veerkrachtige

speer zag drillen en hem den naam hoorde uitroepen, die toch in 't

eind de zege had bevochten in zijne gedachten.--Iravati!

--Voorwaarts, voorwaarts maar!--prevelde de Brahmaan in zich

zelven, terwijl hij mede zijn paard in galop zette,--vooruit tot

het einde is bereikt! Voor mij is 't alhaast gekomen, voor hem

vangt de levensreis eerst aan. Och! of zijn weg steeds zoo glad

als deze mogt zijn! Maar ook hij zal zijn klippen wel ontmoeten en

glibberige hellingen en welligt ook--afgronden. Bleven 't maar,--voegde

hij, in zichzelf glimlagchend en denkend aan het ongeval

van den vorigen avond, er aan toe,--bleven 't maar altijd

onschadelijke kuilen!

TWEEDE HOOFDSTUK.

Iravati

Aan het digt met planten en bloemen begroeid balkon van

Allahabad's hoogen burgt, paleis en veste tevens, zat een jong

bevallig meisje, het hoofd in de hand geleund, als mijmerend naar

het uitgestrekte vergezigt te staren, dat zich aan gene zijde der

beide hier zamenvloeiende stroomen in het helle licht vertoonde

van een onbewolkte morgenzon. Ter linker zijde de rotsachtige

hoogten en wilde zandige oevers der Djoemna, ter regter de

liefelijke vallei van den Ganges; allerwege digte bosschaadjen van

mango-boomen, met tallooze papegaaijen en andere schitterend

gekleurde vogels bevolkt; hier en daar kleine eilandjes zich

verheffend boven het watervlak; en op den achtergrond, ginds in de

verte, de hooge, door pagoden bekroonde rotsgevaarten van het

tegenoverliggende land.

Enkel naar de kleedij te oordeelen, zou in de mijmerende niet

terstond eene jonkvrouw van aanzienlijk geslacht zijn te herkennen

geweest. Een eenvoudig wit gewaad, met een smallen donkerrooden

rand omzet en om 't midden door een gouden gordel vastgehouden,

een fíjne gouden haarband om de digte donkere lokken en een enkele

roos daartusschen tot eenig sieraad, ziedaar alles. Maar waartoe

ook zou die slanke, uitnemend geëvenredigde gestalte, dat ovale,

fijn besneden gelaat met het groote en donkere, door lange zijden

wimpers overschaduwde oog, nog ander siersel van noode hebben

gehad dan de natuur zelve of Kama, de minnegod, reeds daaraan had

verleend? En geen spruit ook voorzeker van verbasterden stam, geen

dochter van een lager ras, die zooveel bevalligheid aan zooveel

eenvoud tevens had weten te paren als deze.

Niet in verrukking intusschen als menigmaal anders aanschouwden

ditmaal die smachtende oogen het heerlijk natuurtooneel daar

omlaag. Ook heden als gisteren en den vorigen dag zagen ze

verlangend uit naar die verre gebergten aan de overzijde, van waar

hij komen moest, de lang maar te vergeefs gewachte.... Waar hij

toeven mogt? Wat hem kon weerhouden? En dacht hij nog wel, anders

dan vlugtig en voorbijgaand misschien aan haar, wier gedachten

dagen en maanden lang hem, en hem alleen, waren gewijd geweest?...

Een zware tred deed zich hooren in de galerij achter het vertrek,

waar het balkon op uitkwam, en voorafgegaan door een dienares, die

het tot deur strekkend gordijn ter zijde schoof, naderde een kort,

gezet man van iets meer dan middelbaren leeftijd, in engsluitend,

maar lang, bijkans tot de voeten afhangend gewaad en een kort

zwaard met fraai versierde greep in den gordel als eenig

herkenbaar teeken zijner waardigheid.

--Edele jonkvrouw!--sprak de dienares, bescheiden haar jeugdige

meesteresse uit hare mijmering wekkend,--Salhana, de Goeverneur,

uw vader, brengt u heden bezoek!

--Hij zij welkom!--antwoordde de jonkvrouw, van kindsbeen af

steeds aan dien deftigen toon gewend, en opstaand trad zij haar

vader te gemoet.

--Iravati!--sprak deze, haar aanziend met zijn doordringende

zwarte oogen, maar voor 't overige zonder eenige uitdrukking op

zijn mat bleek, met korten donkeren baard bedekt gelaat,--vóór

eenigen tijd heb ik u meegedeeld, dat ik Siddha Rama uit Kaçmir,

uw neef en verloofde, hier met Koelloeka, zijn leermeester

wachtende was. Beiden zijn thans aangekomen, en bevinden zich in

de beneden-galerij. Wij willen hen daar gaan ontvangen.

Een oogenblik scheen Iravati bij 't vernemen der tijding al de haar

ingeprente lessen van vormelijkheid, die geen haastige bewegingen

gedoogden, te vergeten, en wilde zij haar vader voorbijsnellen, om

ginds terstond den lang gewachte te verwelkomen. Maar Salhana hield

haar door een wenk en eene ligte handbeweging terug.

--Vooraf nog een woord!--zeide hij.--'t Is u bekend, dat de

belijders van den Islam, waaronder wij hier leven, het vrijer

verkeer van ongehuwde jongelingen en jonge dochters ten hoogste

afkeuren, en dat ook onze Hindoe's zich meer en meer naar die

inzigten hunner overheerschers hebben geschikt. Ik voor mij blijf,

gelijk u bekend is, aan onze aloude zeden gehecht, en, hoewel ik

voor 't overige streng alle passende vormen wensch in acht genomen

te zien, vergun ik u ook thans, als vroeger in ons eigen land, uw

neef en aanstaanden bruidegom vrijelijk te spreken. Maar laat geen

ander dan onze vertrouwden uw zamenkomsten ontwaren. 't Zou mijn

invloed hier, waar ik bevel voer, kunnen schaden, en ook uw eigen

goeden naam. Thans, kom!

En haar voorgaand leidde hij zijne dochter naar de opene, mede op

de rivier uitziende galerij, waar de beide bezoekers hun

verschijnen stonden af te wachten.

--Zijt welkom mijne heeren en vrienden!--sprak Salhana, statig op

hen toetredend,--ik zeg u dank, dat gij aan mijne uitnoodiging

hebt voldaan en terstond uw intrek ten mijnent hebt genomen, niet,

zooals velen plegen te doen, eerst ginds beneden, in de stad.

De inhoud der woorden luidde hartelijk; de toon waarop zij werden

uitgesproken was het echter evenmin als het strakke, niets

zeggende gelaat. Wie dat een en ander evenwel mogt opgemerkt

hebben, niet de ontstuimige Siddha, die ter nauwernood zijn

deftigen oom begroetend, en Koelloeka nauw den tijd latend den

eerbiedigen groet van Iravati te ontvangen, een vurigen kus drukte

op de door deze hem aangeboden hand, terwijl hij op ridderlijke

wijze zich op één knie voor zijn uitverkorene nederliet.

--Welkom!--sprak zij, terwijl ze hem tevens wenkte op te staan,

(en hoe zoet klonk hem wederom die zachte, welluidende stem!),--

welkom, vriend! Ach hoe lang hebben wij u gewacht en uitgezien

naar gindsche bergen, ongerust en haast vertwijfelend aan uw

eindelijke komst!

--Gij gelooft toch niet, lieve!--riep Siddha, haast

verontwaardigd, uit,--dat ik één oogenblik langer dan noodig was

mijne aankomst in Allahabad kon vertragen? Waarlijk, zoo ik over

bergstroomen en afgronden had kunnen springen om spoediger bij u

te zijn, en had mijn trouwe hengst maar vleugels als Vishnoe's

Garoeda bezeten, ik had, voorwaar, hem niet gespaard!

--Ik geloof u gaarne,--hernam Iravati, vriendelijk glimlagchend,--

en 't was ook waarlijk geen verwijt dat ik tot u of onzen

waardigen vriend Koelloeka rigtte. Doch verblijden we ons thans

ook in het zamenzijn, te meer omdat het, zooals ik van mijn vader

verneem, slechts kort zal mogen duren.

--Inderdaad,--zeide Salhana, na een oogenblik onderhoud met

Koelloeka het gesprek der beide gelieven afbrekend,--onze vrienden

moeten ons morgen al vroeg weer verlaten. Van langen duur acht ik

vooreerst onze ontmoeting dus niet; en toch heb ik, edele Siddha!

het zamenzijn met uwe bruid nog eenige oogenblikken te bekorten,

daar ook ik nog een enkel woord met u wenschte te spreken. En

liefst terstond, daar mijn tijd kostbaar is en ik vóór ons

middagmaal nog velerlei in mijne betrekking heb af te doen. Zoudt

gij dan, uw nader onderhoud nog een weinig uitstellend, voor eene

wijl mij willen volgen?

Eene weigering van den voorslag was natuurlijk niet denkbaar, en

hoewel schoorvoetend en met een smachtenden blik naar Iravati,

door haar volkomen verstaan en gewaardeerd, volgde Siddha zijn

beleefden maar strengen oom naar den hof, die aan de andere zijde

van het paleis op het hellend terras was aangelegd.

Daar, onder het lommer der hooge boemen, zette Salhana zich op een

rustbank neder en wenkte zijn neef naast hem plaats te nemem.

--En zoo gaat gij dan,--begon hij,--uw fortuin beproeven in de

bijna onmiddelijke dienst van onzen grooten Keizer! Inderdaad, gij

moogt van geluk spreken, dat gij een vader hebt die u eene zoo

gunstige gelegenheid weet te openen als u thans geboden wordt, en,

zoo ik 't zonder aanmatiging er bij mag voegen, een oom, die zich

toevallig door zijne betrekking bij magte zag om uwe belangen te

helpen bevorderen.

--Daarvoor ben ik u ook opregt dankbaar,--antwoordde Siddha,--en

ik hoop nooit te vergeten dat gij, werkelijk meer nog dan mijn

vader zelf vermogt, mij den eersten stap op den ladder zoo

gemakkelijk hebt gemaakt. Doch niet enkel omdat ik daardoor in de

gelegenheid kan komen om misschien eenmaal tot aanzien op te

klimmen, maar ook om ginds eens iets meer te kunnen uitrigten dan

in ons eigen, wel schoon, maar toch afgelegen land, en tevens in

persoon den grooten Keizer te midden van al de pracht zijner

hofhouding te zien, waarvan men te huis mij zoo veel heeft

verhaald.

--Voorzeker!--hernam Salhana,--dat alles is ook wel de moeite

waard. één raad inmiddels! Wacht u voor overdreven voorstellingen!

Ik zeg niet, van den rijkdom van palelzen en hoven; want daarvan

kan men bij ons in 't Noorden zich bezwaarlijk eene voorstelling

vormen; maar, van den persoon des Keizers. Die zou u wel eens

kunnen tegenvallen, en uw geestdrift zou dan al spoedig merkelijk

zijn bekoeld. Beter dus, met een weinig minder hooggespannen

verwachting te beginnen.

--Hoe?--vroeg Siddha verwonderd,--verdient dan Akbar niet in

waarheid zijn naam? Is hij niet, gelijk mijn vader en mijn

leermeester hem steeds voorstelden, een groot man zoowel als een

magtig vorst?

--Dat zeg ik niet,--luidde het antwoord,--maar ook groote mannen

kunnen hun gebreken hebben, die wel eens gevaarlijk dreigen te

worden voor de belangen van anderen.

--Luister!--ging de Goeverneur voort, voorzigtig rondziend of ook

iemand anders in de nabijheid zijne woorden mogt verstaan, terwijl

hij tevens zijne stem liet dalen tot een zacht fluisterenden

toon,--wanneer een man eenmaal zóó groote magt heeft erlangd als

Akbar, en dat door eigen kloekheid en beleid zooals hij, dan is de

lust naar meer zoo ligt niet bevredigd. De Keizer nu, die reeds

zooveel staten en volken aan zijne heerschappij onderwierp, kan

bezwaarlijk dulden dat uw en mijn vaderland op den duur zoo gansch

onafhankelijk blijve. Gij weet het voorts, niet waar? hoe in den

laatsten tijd weer nu en dan, al bleef 't nog voor de meesten een

geheim, in Kaçmir oneenigheden zijn uitgebroken tusschen onzen

Koning en zijne beide zonen, even als die vroeger ook langzaam en

haast onmerkbaar aanvingen tusschen hem en zijn broeder

Nandigoepta.

--Neen, dat wist ik niet,--zei Siddha,--het was mij tot dusver nog

niet ter ooren gekomen.

Akbar: een oosterse roman · 第 1 / 21 段