schadelijke producten.
Zoo is de rijpe mangga--met mate gebruikt, b.v. eenige afgesneden
stukken (dus niet een heele mangga) wel aan te bevelen, terwijl een
inferieure soort, de "kembembem" wordt ontraden. Hetzelfde geldt voor
de pisangs, de djeroeks, de djamboe's, enz.
De volgende lijst geeft de goede, onschadelijke vruchten aan. Zelfs
voor kinderen onschadelijk zijn a en b.
Den vegetariër aanbevolen vruchten zijn:
a. rijpe Pisang van de volgende soorten: pisang radja, p. mas, p.
soesoe, p. radja seréh, p. gembor. Men eet
hoogstens 2 pisangs.
b. rijpe Pepaja altijd goed en gezond, zelfs ook voor kinderen.
Men werpt de pitjes weg en gebruikt slechts het
vleesch en holt niet te veel weg van de schil.
c. rijpe Mangga Groengeel van schil, in vele soorten. Wordt
[2] geschild en van de groote pit het vleesch
afgesneden. Goede soorten: m. dòdòl, m. daging,
m. wangi, m. Cheribon, m. sengir, m. Bengala.
d. Mangistan Een goede en gezonde prachtvrucht, waarvan het
witte binnenste wordt gebruikt. De schil wordt
weggesneden, door haar op het midden in de rondte
open te snijden.
e. Djeroeks in vele goede soorten als: dj. manis, dj. Bali,
(citroenen) dj. keprok--de groote soort: dj.
matjan. (sinaasappels)
f. Ananas De beste soort is de ananas of "nanas Bogor." Van
deze saprijke en rijpe vrucht ete de nieuweling
niet te veel.
De minder goede soorten, dus vruchten van den 2en rang, zijn:
doekoe's, ramboetans, zuurzak, boewah nonna, sirikaja, blimbing besi,
sawo manila, sawo, druiven (boewah-anggoer), terwijl ontraden wordt:
het gebruik, althans in den beginne als men in Indië komt, van:
3e rang: langsep, kòkòsan, salak, nangka, djoewet of djamblang,
kedondong, moendoe, delima, kawèsta, gendaria, semangka (zéér
verkoelend), siwalan (idem), kwènnie en kebembem (inférieure
manggasoorten), boewah rotan, klappa kopjor, gòwòk, doerian (zeer
verhittend), ketjapie.
Er zijn vele vegetariërs, die beweren, dat verkoelende vruchten geen
kwaad hoegenaamd doen en dat de kwestie van ziek worden, in tijden
van besmettelijke ziekten--waartoe ook de cholera behoort--de schuld
niet ligt aan de vruchten, wel aan de gebruikers zelf. Men vergete
nimmer, dat de vruchten op de markt van hand tot hand gaan, dat velen
der handelaren geïnfecteerde handen (kunnen) hebben en dat men dus:
1o. de vruchten goed moet afwasschen, 2o. ze even, met schil en al,
in warm water moet dompelen en afdrogen, 3o. de handen reinigen
met zeep en warm water en dàn eerst de vrucht moet schillen. Het
vruchtvleesch bevat geen smetstoffen. Hoe het zij, men doe met deze
raadgevingen zijn voordeel en, gebruikt men al eens een vrucht van
de 2e of 3e soort, men er slechts een "proefje" van neme.
TEN SLOTTE
nog het volgende:
Bij mij thuis leven wij grootendeels vegetarisch. Er is wel vleesch,
doch zeer weinig, op tafel. Van visch en kip is geen sprake, alleen
nu en dan een stukje visch; daarentegen veel boonen en meelspijzen,
groenten, vruchten en jams.
Men weet dan wat men eet en dat, hetgeen men nuttigt, zooveel mogelijk
van het plantenrijk komt.
"Maar, als wij heerlijk klaargemaakte vleeschschotels krijgen,
bijvoorbeeld in groote hôtels en restaurants," werpt men mij tegen,
"dan weten wij toch óók, wat wij eten?"
--"Jawel! Dat staat nog te bezien," antwoord ik. "Het papier
is geduldig en wat op het rijke menu met den naam van een duren
vleesch- of wildschotel prijkt, honderd tegen één, dat al dat moois
vervalscht--erger nog--bereid is uit allerlei afval, dat kunstig is
bijgeknoeid en u als delicatessen peperduur wordt voorgediend. Ik
haal thans een aardig stuk aan, zeer lezenswaard. Het is uit het
Bataviasch Nieuwsblad van 26 Augustus 1910, 5e Blad en voert tot titel:
Die smakelijke Parijsche Keuken!
"Wie herinnert zich niet de lakonieke opmerking van Jules Verne's
onsterfelijken Phileas Fogg, toen hij een hazepeper geproefd had,
die een knipmessende restaurateur hem had voorgezet:
--In Egypte werden de katten als heilige dieren beschouwd. Dat was
een gelukkige tijd....
--Voor de katten, mylord?
--Ja, maar óók voor de reizigers.
Er was een tijd, dat de fransche keuken roem kon dragen op haar
degelijkheid. In dien tijd geen hazepeper zonder haas, geen ossehaas
zonder os, geen blinde vink zonder.... neen, dat niet, maar toch in
dien tijd geen iets zonder iets. Er was b.v. die beroemde pot-au-feu,
de langzaam, zacht getrokken bouillon, waarnaar zelfs hij, die geen
grooten horizon voor zijn gedachten heeft, die een beetje erg huiselijk
is, een "pot-au-feu" genoemd werd. Die pot-au-feu verstoffelijkte al
de intensiteit van het fransche familieleven.
En nu! Die geurige, krachtige, opwekkende schotel is vervangen door
het bijmengsel van allerlei extracten van misschien bij Buffon wel
onbekende beesten. Op de étiquette van den flacon met die extracten
staat wel een schaap of een os, maar daarin zit een onsmakelijk vocht
met een afschuwelijke lucht. Een lepelvol van deze geheimzinnige
vloeistof en een liter kokend water, ziedaar wat men u in Frankrijk
thans aanbiedt in de plaats van den aartsvaderlijken bouillon, die
een eerzame keukenmaagd ons dampend en geurig opdiende na acht uren
geduldige bewerking.
Zoo is er meer. Kreeftensoep, de hoogheerlijke kreeftensoep, de
ondeugende kreeftensoep, waarbij de Franschen even glimlachen, als
zij ter tafel komt bij groote gelegenheden, ook de kreeftensoep is
vervallen. In de restaurants--want alles, wat we verder bespreken,
komt op rekening van de restaurants; we denken er niet aan kwaad
te spreken van de vriendelijke gezinnen, wier gastvrijheid even
onaangetast als de reputatie harer schotels bij ons voortleeft--in
de restaurants eet ge geen kreeftensoep meer. Wel krijgt ge iets,
dat in kleur en smaak daarmede overeenkomt, doch het is een brouwsel,
gemaakt door middel van een rood poeder, dat men in iedere apotheek
kan koopen. Om de illusie zoo volledig mogelijk te doen zijn, wordt
echter een onttakelde kreeftekop, waarvan een ander eerst het vleesch
heeft afgepeuzeld, in de soepterrine geworpen en zoo komt het, dat
ge u afvraagt, waarom de kellner, die met het opdragen belast is,
ternauwernood zijn lachen kan laten...
En na de soep de visch, de visch, die duur is en dus voor een
fijnen schotel geldt. Welnu, langen tijd--ook deze illusie moet ge
laten varen--was ook die fijne visch namaak. In sommige parijsche
restauraties schijnt men gedurende langen tijd tong en tarbot
vervaardigd te hebben uit afgezoute stokvisch, die heel netjes was
aangebracht op kunstig gemaakte, de vischgraten zeer nabij komende,
fijne kammetjes.
Is het wonder, dat bij een dergelijk imitatie-systeem boter een meer en
meer verdwijnend luxe-artikel wordt en plaats maakt voor kaarsvet met
een mengseltje, terwijl de hanekammetjes van de bekende vol-au-vents
nooit oftenimmer op de hoofden der morgenwekkers zijn gegroeid, doch
doodeenvoudig met een emportepièce uitgeslagen zijn in de binnenlang
van een of ander kalfsverhemelte?
Zoo wordt de vindingrijkheid van den mensch in den dienst gesteld
van het bedrog en de wereld om zoo te zeggen onderstboven gezet.
Een kijkje achter de schermen van de parijsche restauratiekeukens
is voor het groote publiek inderdaad mogelijk geworden door het
werk van een man, die te Parijs een persoon van gezag was in de
kringen van viveurs en boulevardiers. Die man was een Parijzenaar bij
uitnemendheid, een echte "Parisien parisiénant", eene soort, die in de
groote hoofdstad van Frankrijk, waar van alles te vinden is, slechts
schaars wordt aangetroffen. Er waren weinig menschen, die Parijs zóó
goed kenden als hij. Allerlei typeerende boeken, honderden, om niet te
zeggen duizenden courantenartikelen getuigden van zijn fijne pen, zijn
opmerkingsgave, zijn boulevard-blague, zijn geestes- en woorden-ironie.
Hij was een even duchtig strijder met snerpende replieken en
onverwacht-verbazende woordspelingen als met den schermdegen,
doch bij dat alles lag over zijn gezicht de opgewekte glimlach van
iemand, die het leven amusant en zijn medemenschen niet onamusant
vindt. Hij was bekend als een der "fijne tongen" van de mondaine
restaurants. Groot was dan ook de verwondering toen hij, Aurelien
Scholl, op een goeden dag een allercurieust boekje deed verschijnen,
waarin hij meedoogenloos, maar met den spotlach van een overmoedigen
jongen, de geheimen toonde van de parijsche restauratie-keuken.
Hij had eens rondgekeken, inlichtingen gevraagd, zich de "dessous" van
het zaakje eens laten wijzen. Daarbij ontdekte hij veel wonderlijks,
zelfs veel onaangenaams, maar met zijn onveranderlijk goed humeur
en zijn philosophische onverschilligheid had hij dat alles bekeken
met de oogen van een daarbij niet betrokken toeschouwer. Of hij had
het aangenomen als iets, dat er nu eenmaal bij behoort, zooals een
theedruppel op een pas schoon ontbijtservetje of een jus-spat op een
hagelblank overhemd.
En hij vertelde. Hij vertelde van een "keuken schilderkunst", door een
der voornaamste restauraties te Parijs uitgevonden. Die eetgelegenheid
had een schilder van beroep onder hare helpers opgenomen en, toen het
bekend werd, deden in navolging weldra de restaurateurs van allerlei
rang hetzelfde en engageerden keukenschilders in verschillenden graad
van artisticiteit.
Helaas, zoo was het. De nederlandsche lezer, die gewoon is zijn
vaderlandsche biefstuk met eetlust en geesteskalmte te verorberen,
alsof hij iets heel gewoons doet, zal wellicht voortaan bij deze
werkzaamheid beseffen, dat hem een groot voorrecht ten deel valt. Want
te Parijs eet men geschilderde biefstuk, evenals geschilderde
eierkoeken, schapenbouten enz.
Ziehier, hoe dat schilderen in zijn werk ging:
Men houdt er te Parijs veel van om vleesch en visch op een rooster
tusschen vuren van houtskool te braden. Nu is het echter moeilijk, om
zulk een laag houtskolen te hebben, dat men tegelijkertijd biefstuk,
eieren, ribbetjes en visch kan roosteren.
Wat wordt er nu gedaan?
De "kunstenaar-schilder" neemt.... eene bruine verf, smeert daar den
rooster meê in, waarop het vleesch of de visch gelegd wordt en drukt
daarna krachtig de twee voorwerpen tegen elkaâr aan; vervolgens gaat
de eetwaar den oven in.
Wanneer het vleesch gaar is, worden verflijnen met een penseel nog
wat aangezwart en daarna komt de biefstuk op tafel en draagt de
onmiskenbare sporen van op den rooster gebraden te zijn.
Wat de omelette betreft, daarmede wordt anders omgesprongen. Terwijl
men vroeger vier eieren noodig had voor een eierkoek, neemt men nu
slechts één eierdoor en het wit van vier eieren. De andere dooiers
worden bewaard, om room en allerlei sausjes te maken.
Maar om nu tot de omelette terug te keeren; het wit wordt door een
onschadelijke verfstof geel gekleurd; daarna bestrijkt de schilder
den buitenkant met oker; een koksjongen schroeit er even met een warm
ijzer over heen, wat de kleur nog verhoogt en klaar is Kees,--ge hebt
eene heerlijke omelette vóór u.
Voor het volgende geven we den heer Aurelien Scholl zelf het woord:
"Onlangs heb ik een schapenbout zien verven en die operatie heeft
mij bijzonder geïnteresseerd. Er moest namelijk een schapenbout van
gemaakt worden, die aan het spit was gebraden.
Na hem met het spit doorstoken te hebben, dat hij er terstond weer
uittrok, nam de kok den schapenbout en gaf dien over met de woorden
"klaar voor het schilderen." De schilder heeft een vijftiental potjes
met verf vóór zich; in ieder is een penseel; daarnaast liggen eenige
harde kwasten.
De kunstenaar bekeek een oogenblik den schapenbout, die men hem bracht;
hij streek met de hand over het voorhoofd, daarna stipte hij zijn
penseel in een potje, dat tot opschrift droeg: "Bruin gebraden"
en schilderde eenige gedeelten donkerbruin op het stuk vleesch,
dat zoo uit den oven kwam.
Hierop nam hij een kwastje en strooide op de breede kanten fijne
korreltjes verkoold vleesch, waardoor de schapenbout lekker croquant
moest worden.
Met een penseel, gedoopt in eene kleur, die "versch bloed" nabootste,
schilderde hij hier en daar kleine openingetjes, waardoor de jus in
breede stralen naar beneden liep. De koksjongen goot toen een paar
lepels vleeschnat over den schotel evenals een weinig beetwortelsap
en door middel van een klein spuitje met drie gaatjes besproeide hij
toen alles met een weinig kokend vet.
Daarna werd de schapenbout "zóó van het spit" een familie voorgezet.
Ternauwernood was deze operatie geëindigd of de heer Scholl had een
nieuwe ervaring. Door de spreekbuis kwam de bestelling:
"Vier ortolanen, vier!"
De opperkok riep:
"Ga gauw Alfred halen; hij is in den ijskelder!"
"Wie is Alfred?"--vroeg ik.
De schilder--de chef-kok had het te druk en gaf nu hier dan daar zijn
bevelen en zijn raad--de schilder lichtte mij in.
"Alfred is de man, die de ortolanen maakt."
Alfred kwam. Men gaf hem vier gedoode musschen. De handige jongen zoog
daarop door een rietje een groote hoeveelheid kippevet op, prikte toen
met het rietje de eene musch na de andere even boven de plek waar de
rug ophoudt, en vulde ze tusschen vel en vleesch met het warme vet.
"In minder dan geen tijd waren de musschen onder deze behandeling
ortolanen, zoo dik en vet als men maar begeeren kon, en brachten per
stuk drie francs op."
Een geliefkoosde schotel der parijsche restaurants is de raie au
beurre noir of wel rog in bruin gebraden boter gekookt. Aangezien
echter de rog veel vet opneemt, zou er te veel boter voor noodig
zijn. Daarom wordt op de volgende wijze te werk gegaan: De rog wordt
afzonderlijk gekookt. Daarna smelt men de boter in een pan, die nooit
schoon wordt gemaakt of die met beenzwart is bestreken, zoodat de
boter al zwart is, eer ze smelt. Vervolgens wordt het eene bij het
andere gedaan. Men heeft dus rog, men heeft eveneens bruine boter,
rog in bruin gebraden boter heeft men niet.
De schilders, waar we zooeven over spraken, zijn ook nog voor andere
dingen goed. De vruchten worden door hun zorgen gecorrigeerd van de
gebreken, die de natuur ze mocht hebben gegeven. Vooral de meloenen,
die in stukken gesneden worden opgediend, leenen zich daartoe
uitstekend. Is de meloen te rijp, dan worden tegen den kant van de
schil een paar mooie, groene strepen geschilderd, is hij droog en
meelachtig, dan wordt met behulp van het sap van den te rijpe het
evenwicht hersteld, terwijl de onrijpe door heerlijke oranje verflagen
u doet watertanden.
Maar wat het moeilijkste kunststuk schijnt te zijn in deze
"werken der duisternis", dat is twee spiegeleieren te maken met
één ei. Daartoe wordt bijna de bekwaamheid van een chirurgijn
vereischt. Het komt ook alleen maar voor in de restauraties à prix
fixe. Het is nu eenmaal mode, om niet minder dan twee spiegeleieren
aan de klanten voor te zetten, maar om daarvoor twee eieren te nemen,
is wat duur en hun één enkel te geven, durft men niet. Daardoor zou de
restauratie verloopen. De menschelijke intelligentie gaat echter ver,
er bestaat een middeltje om de eischen van den klant oogenschijnlijk
te bevredigen en tevens de belangen van den restaurateur niet uit
het oog te verliezen.
Men gaat aldus te werk:
De kok neemt een bord, waarop hij een weinig boter heeft laten
smelten. Vervolgens trekt hij met een instrumentje, niet ongelijk
aan den diamant der glazenmakers, een lijn in het midden rondom den
eierdop, die daardoor zoo goed als in tweeën wordt gedeeld. Met een
in olie gedompeld mes snijdt hij nu uiterst snel het ei middendoor
langs de getrokken lijn. Het ei valt daarop in het bord en splitst
zich in twee gelijke deelen.
Maakt nu de klant, die wel twee, doch twee kleine spiegeleieren krijgt,
daarop een aanmerking, dan antwoordt de kellner: "Ja, ziet u, ik ben
de kip niet" en dat kan moeilijk tegengesproken worden.
Ten slotte nog een kleine aanwijzing, die te denken geeft:
Evenals er menschen zijn, die bij voorkeur "adellijke" hazen eten,
vindt men groote liefhebbers van kaas, die verzot zijn op de soorten,
welke in ver gevorderden toestand verkeeren. Vooral zijn zij belust
op de zoogenaamde Roquefort, die eene afgrijselijke lucht van zich
geeft en soms zóó ver gevorderd is, dat zij blauw en groen te gelijk
ziet. "Dan is ze juist op haar lekkerst", zeggen de kenners. Nu gebeurt
het niet zelden, dat er geen roquefort in dien toestand voorhanden
is. Het volgende tooneel (we geven weer het woord aan Aurelien Scholl)
doet zich dan voor:
"Opnieuw liet de stem van den kellner zich hooren:
--Un roquefort amateur.--
"Domme ezels, die klanten. 't Is altijd hetzelfde," bromde de
schilder. "'t Is het seizoen der versche roquefort en nu vragen ze
warempel oude".
--En hoe levert ge hem dat nu?--
"Och, men laat langzaam de versche kaas op het fornuis uitdrogen;
ik schilder er dan groene aderen doorheen met de geographische
onzekerheid, die de natuur zelf aangeeft, en dan "bezielt" Victor
de portie".
--Victor? Wie is dat?--
"Dat is een helper in de keuken die er eene verzameling stukjes
hollandsche kaas op na houdt in eene vochtige kast.... Dat leeft en
krioelt daar in de verborgenheid en daar haalt Victor zijn "kolonisten"
van daan, om de roquefort te bevolken".
Hierbij zullen we de geheim-onthullingen der parijsche keuken laten.
Smakelijk eten!"
Zijt ge, na lezing van dat stuk, overtuigd, dat het vegetarisme nog
zoo slecht niet is?
Ga niet of zoo weinig mogelijk naar eethuizen, vooral niet
naar die groote buitenlandsche--Parijsche, Berlijnsche,
Weensche--"smulpaleizen".
Eet thuis, wat er, aan versche groenten en degelijke vruchten,
gekocht is van uwen u bekenden vasten leverancier en kijk alles van
den langganan eerst ter dege na. Men leze, omtrent vervalschingen,
hetgeen ik daarover schreef in mijn werk "De specerijen en ingrediënten
der rijsttafel".
In het weekblad "EENHEID", dd. 10 December 1910, no. 27, vind ik de
volgende behartigingswaardige regelen van Mejuffrouw Johanna Steketee,
onder het hoofd:
HET VEGETARISME
bezien van de ethische en economische zijde
door JOHANNA STEKETEE.
"Waarom vegetariër?
Ach, een vegetariër heeft er natuurlijk duizend redenen tegen een voor.
Allereerst dan: omdat 't gezonder is.
2. Omdat 't voordeeliger is.
Het is gezonder, omdat men bij een groenten- en vruchten-dieet nooit
heeft die gevaren voor besmetting van allerlei aard, waaraan men bij
vleeschgebruik is blootgesteld.
Het is voordeeliger, omdat vleesch duur is.
Er is ook wel goedkoop vleesch!
O zeker.
Maar ziet, hoe hier onze twee eerste pleitredenen in één loopen.
Gebruikt men duur vleesch, dan is het vegetarisme voordeeliger.
Gebruikt men goedkoop vleesch, dan is het vegetarisme veiliger,
aldus gezonder.
Eén voordeel blijft dus altijd aan onze zijde.
Maar laten we nu die gezondheids-reden eens nader uitpluizen.
De mensch is den aap zeer verwant. Lees er Darwin maar eens op na. De
apen zijn steeds vruchteneters geweest. Het gebit der vruchteneters
en dat der vleescheters is zeer verschillend.
Het menschelijk gebit komt overeen met dat der vruchteneters.
De mensch is dus door de natuur aangewezen als
vruchteneter. (Prof. Hartman: die menschähnl. Affen.)
Dat moet dus wel 't gezondste en 't beste voor hem zijn.
Straft elke afwijking van de natuur zich zelf niet?
Men denke slechts aan de kunstmatige voeding der zuigelingen.
Hoeveel verdriet en ellende heeft dat al niet te weeg gebracht!
Trouwens er zijn ook bewijzen te over, dat de vegetarische leefwijze
de gezondste is.
Hoe menigmaal zijn wedstrijden voor krachts-inspanning gewonnen juist
door vegetariërs?
En zie de van hun geboorte af vegetarisch-opgevoede kindertjes eens
aan! Dat is een lust, zoo frisch die kindertjes, de gezichtjes zoo
gaaf, er meest uitzien!
Daartegen wordt er wel eens beweerd, dat er zooveel slecht-uitziende
vegetariërs zijn.
Maar dat bewijst niets en gaat geheel buiten de quaestie om.
Er zijn immers zieke menschen, die ten einde raad hun heil zoeken bij
een vegetarische leefwijze. Ik ben begonnen met de meest-practische
gronden, die kunnen leiden tot het vegetarisme, omdat de mensch in
onzen materialistischen tijd, daarvoor 't gevoeligst is.
Laten we nu het vegetarisme eens van een meer ideëlen kant beschouwen.
Er is wel niemand, die de gruwelen van het slachten licht zal tellen,
al wordt er ook in den laatsten tijd naar gestreefd op meer-humane,
of laten we liever zeggen, minder pijnlijke wijze (slachten en humaan
kunnen niet samengaan) te slachten en al wordt die methode dan ook al
in vele steden toegepast, op de meeste plaatsen en op het platteland is
het slachten, vooral van varkens, nog een ware gruwel. Wie dat eenmaal
heeft gezien, vergeet 't niet licht. Den eenen en eenigen keer, dat
ik zelf dit vreeselijke schouwspel heb bijgewoond, wierpen de slagers
de ingewanden van 't geslachte dier maar zoo terug in het varkenshok,
waar de eigen jongen van het gedoode dier eraan begonnen te peuzelen.
Wreeder kan het wel niet!
De slagers bedrijven dit werk lachende en gekheid makende wat wel
een bewijs is, welk een ontaardenden invloed het slachten op het
menschelijk karakter heeft. Dit zag ik nog verleden jaar bij mijn
buurman, waar de heele familie 't als een pret beschouwde, toen het
vetgemeste varken in hun tuin een klein eind van het hok verwijderd,
werd geslacht.
Ik denk dat onze nakomelingen met evenveel afschuw op dit bedrijf
zullen terugzien, als wij 't doen op den slavenhandel van vroegere
tijden.
Toen ik een kind was, kon ik wanneer mij vleesch werd voortgezet,
in mijn gedachten het verband hiervan met het slachten niet
wegwisschen. En zoo heeft, zoolang mij heugt, vleesch mij tegengestaan,
en dit te meer, naardat het rooder en bloediger op tafel kwam. Ik
maakte dan ook al vroeg, als was 't dan ook onbewust, propaganda
voor het vegetarisme. Als tienjarig kind voerde ik altijd oppositie
tegen de porties vleesch die ik te verorberen had. Het hielp mij niet
veel. Mijn vader was dokter en helaas de waanmeening toegedaan, dat
vleesch kind en mensch sterk maakten. Heel dikwijls heeft 't vleesch
een lekkere maaltijd voor mij bedorven. Een paar jaar later, toen
ik met mijn moeder alleen was gebleven, [3] had de oppositie betere
uitwerking, maar toch heeft het nog tot mijn achttiende jaar geduurd,
eer ik openlijk een geheel vegetariër was.
Na dien tijd is mijn gezondheid dadelijk veel verbeterd, heelemaal
goed werd ze eerst, toen ik eenige jaren daarna buiten ging wonen,
vegetariërs hooren buiten in de vrije natuur.
Alle persoonlijke redenen en gevoelens, die tot het vegetarisme kunnen
drijven, daargelaten, ligt het vegetarisme ook vooral in de lijn van
den vooruitgang.
Hoeveel bewegingen in onzen tijd getuigen niet van een geest naar
verbetering en veredeling? We denken slechts aan het socialisme in
de verschillende stroomingen, die de sociale toestanden en hierdoor
ook den mensch, trachten te verbeteren. Aan de dierenbescherming,
die zooveel sympathie ondervindt.
Aan de anti-vivisectie, die eens overwinnen zal. Aan de theosophie,
de leer, die, alle godsdiensten vereenigde, tot het doel heeft,
den zedelijken mensch--negeerende het ras of de leer waartoe hij van
geboorte behoort,--te verbeteren en te verheffen.
Aan de drankbestrijding, die onvermoeid voortwerkt om den mensch te
doen inzien de ellende van den drank en te wijzen op de gevolgen,
die tot in het derde en vierde geslacht kunnen voortspruiten uit
drank-misbruik.
Aan de vrouwenbewegingen, die de vrouw roepen tot het groote Leven,
waarvan ze eeuwen verre gehouden is.
Aan al de tentoonstellingen, huisindustrie, land- en tuinbouw, welke
laatste zooveel emotie's heeft wakker geroepen.
Het zijn vooral de landbouw en de tuinbouw, die staan in het teeken
van den vooruitgang. Het verband met het vegetarisme is hier niet
ver te zoeken.
Al de verbeteringen, die op landbouw-gebied worden ingevoerd (denken
we slecht even aan kunstmest, zaad-contrôle, enz.) komen vooral het
vegetarisme ten goede.
"Wat zullen we eten?" is zoolang het vegetarisme bestaat, een
belangrijke vraag geweest voor de vegetariërs.
Ik zie nu echter wel in, dat die vraag geweldig overschat is.