Het deeg wordt met de eierdooiers goed dooreengemengd, tot het een

gelijke massa van ééne kleur is geworden; daarna doet men er de

suiker door, zooveel als men denkt, dat het zoet genoeg is en de

gesmolten boter.

Alles goed terdege door elkander mengen, tot het beslag begint te

rijzen. Nu bestrijkt men een broedervorm met boter, bestrooit dien

met beschuitkruim en doet er het beslag in. Op een warme plaats nog

eene 2 vingers hoog laten rijzen. Bakken in een pan-pengorèngan onder

en boven vuur, tot het gaar is. Bijna koud uit den vorm storten.

228. Klapperkoekjes.

1 geraspte geschilde klapper (alléén het wit), 1 of 2 eieren, 2 lepels

suiker, 2 à 3 lepels bloem, 1/2 ons gestampte amandelen, weinig zout

en boter.

Al deze ingrediënten worden te samen tot een deeg verwerkt en goed

gekneed. Dit deeg kan men uitrollen en er kleine koekjes van steken,

die men op een met boter bestreken schaal of plaat in den heeten oven,

aan weerszijden bruin bakt.

229. Klappermacronen. (polo's).

1/2 pond witte suiker, 1/2 pond geraspte witte klapper ('t buitenste

zwarte weggesneden, zóó, dat alléén 't wit blijft) het stijfgeklopte

wit van 8 eieren, een lepel rozewater, wit papier met boter bestreken

of, als men het krijgen kan, het onbrandbare "schrijnspapier".

De geraspte klapper wordt met de suiker gestampt, waarna men er het

rozewater door doet. Men spreidt dit deeg op eene plank of op een

bord uit, sprenkelt er nog wat rozewater over en vermengt dit deeg

goed met de 8 geklopte eiwitten.

Dit beslag doet men lepel voor lepel, elk hoopje afzonderlijk, op

het witte, met boter bestreken papier en bakt de macronen dan goed

gaar in een pan-pengorèngan, met onder en boven vuur (bàrrà-bàrrà).

Ze moeten er lichtgeel of lichtbruin uitzien.

230. Klappertaart.

5 jonge klappers, 1/2 flesch melk, 3 à 4 lepels meel, 3 à 4 lepels

suiker, 8 eierdooiers, 4 lepels boter, het tot sneeuw geklopte wit

der 8 eieren, beschuitkruim. (Krenten, rozijnen).

Men kookt de melk met de suiker op, roert daarna het meel met een

weinig melk aan, klutst de eierdooiers, laat de gekookte warme

melk intusschen bekoelen en voegt hier dan het meel en de eieren

al roerende, door. Nu schept men, met een lepel, uit de opengemaakte

klappers, het jonge nog zachte en glibberige vleesch, dat er glasachtig

uitziet en doet dit, met de boter, door het beslag heen. (Sommigen

roeren door dit beslag bovendien nog schoongewasschen krenten en

rozijnen, hoewel deze beide toevoegsels den smaak van de klappers

zullen bederven).

Nu stort men het beslag in een taartenpan (piring kasar) met het

geslagen eiwit, als een rand er om heen, en bakt het in den oven,

tot het van boven lichtbruin of lichtgeel is geworden. (± 1 uur).

Het geslagen eiwit kan men echter ook door het beslag heenroeren,

wat het gebak luchtiger maakt. Dat wit wordt 't laatst door het

beslag geroerd.

231. Omelet soufflé.

8 eieren, waarvan het wit tot schuim geklopt, de geraspte schil en

het sap van een halve citroen (òf in plaats daarvan 2 theelepels

oranjebloesemwater), 3 lepels suiker.

Men roert, gedurende een kwartier, de 8 eierdooiers met de suiker

goed door elkander, voegt daarna, steeds roerende, er de geraspte

schil en het sap van de halve citroen bij en roert er het laatst,

vluchtig, het stijfgeklopte eiwit door.

Nu doet men het beslag in een pannekoekpan, die met boter is besmeerd

en bakt het in den warmen oven. Is de omelet van boven lichtbruin,

dan neemt men de pan uit den oven, zet deze op het vuur en vouwt de

omelet dubbel.

Men bestuift de omelet, die op een schaal is geplaatst, met

poedersuiker en dient ze dan warm voor.

Men kan het beslag ook in een beboterden, vuurvasten schotel of schaal

bakken; ± 20 minuten.

Is de omelet gaar, dan doet men er een verwarmd deksel op en brengt

ze zoo binnen, om te voorkomen, dat het gebak zal neêrslaan.

232. Moscovisch gebak.

1 ons suiker, 1 ons bloem, 1 1/4 ons boter, 5 eieren; krenten, sucade,

rozijnen, citroenschil geraspt.

De suiker wordt met een theelepeltje geraspte citroenschil, 4

eierdooiers en één heel ei ongeveer 10 minuten stevig geklutst. De

boter wordt met meel goed door elkander gekneed. Hierdoor doet men

dan 1 eetlepel gehakte sucade, evenveel gewasschen krenten en evenveel

gewasschen rozijnen. Men klopt het wit der 4 overgebleven eieren stijf

en roert dat stevig door het suiker- en het boter-en-meel-beslag. Nu

doet men dit beslag in een vooruit beboterden springvorm, dien men

voor 2/3 vult, bakt het één uur in een matig heeten oven, tot het

gebak gaar is en bestrooit het dan met poedersuiker.

Ter overtuiging dat het gebak gaar is, kan men er met den vinger even

op drukken. Hoe vaster, des te gaarder.

233. Roomtaart.

Men maakt een taartenkorst, die men vooruit in een pan-pengorèngan

gaar bakt. Voor de vla (room) neemt men vanillevla, gemaakt van 1/2

flesch melk, 1 stukje vanille, 8 eierdooiers, 6 lepels suiker en 1

lepel maïzena.

Voor deze vlabereiding zie men no. 82. Deze vla stort men in den

gebakken taartenkorst. Koud er in storten en eenigen tijd laten staan,

tot de vla stolt en dik wordt.

234. Soezen.

1 ons boter, 1 ons meel, 2 kopjes melk, 6 eieren, poedersuiker.

De boter wordt met de melk op het vuur te smelten gezet. Als dit

kookt, laat men er, al roerende, met beetjes, het meel in uitstorten

en blijft men doorroeren, tot alles een stevige massa is geworden;

dan neemt men het van het vuur af.

Nu roert men er, stuk voor stuk, 4 eieren door, telkens de massa

roerende.

Op een gebakplaat of blik, met boter besmeerd, doet men vervolgens

bolletjes van het gemaakte beslag, bestrijkt deze met wat geklopt

eigeel, bestrooit ze met poedersuiker en bakt ze gaar in een matig

verwarmden oven. Als ze gaar en bekoeld zijn, knipt men ze op zijde

half open en kan men ze vullen met vanillevla of room, dan wel met

confituren; of men kan ze met rozenstroop nuttigen.

235. Theebanket.

6 lepels meel, 2 lepels boter, 4 lepels poedersuiker, (1/4 theelepeltje

zout), een geklopt ei, 1 theelepeltje rozen- of oranjebloesemwater.

In het meel maakt men een kuil, doet er de boter in en verwerkt

dit, met de poedersuiker, het ei en het oranjebloesemwater tot een

deeg. Men werkt dit deeg goed dooreen, in kleine gedeelten, die men

later bij elkaar voegt en dit weer flink kneedt en dooreen werkt,

waarna men dit mengsel eenige minuten laat staan. Daarna strooit men

op een schoone tafel wat meel, legt er den bol deeg op en rolt dit,

met den deegrol, plat uit. Daarna weer alles toevouwen en wederom

uitrollen en zoo eenige malen herhalen, tot het deeg gelijk van kleur

is en zeer dun is uitgerold.

Hiervan steekt men met vormpjes en glaasjes allerlei figuren, of men

kan ze in vormpjes doen.

Op een beboterden plaat of een beboterd stuk wit papier in den matig

warmen oven laten bakken, tot de gebakjes gaar zijn.

236. Tulband.

1 pond meel, 1 paar lepels legèn, 1/2 pond boter, 1 ons suiker,

1/2 ons krenten, 1/2 ons rozijnen, 1/2 ons gesneden sucade, 3 kopjes

lauwe melk, 3 eieren, poedersuiker en een tikje zout, beschuitkruim.

Het meel wordt met de lauwe melk en de legèn door elkander geroerd,

waarna men dit beslag even laat rijzen.

Nu smelt men 2 ons van de boter en roert deze, met de suiker, de

krenten, rozijnen zonder pitten en de sucade, zoomede de 3 geklutste

eieren en het tikje zout door het beslag.

In een tulbandvorm, met boter besmeerd en met beschuitkruim bestrooid,

doet men het beslag en laat dit, toegedekt, eenigen tijd rijzen.

Men bakt het ± 1 uur in een goed verwarmden oven en steekt er, ter

overtuiging, met een naald in. Als zich geen beslag aan de naald hecht,

is de tulband gaar.

237. Wafelen.

1 pond boter, ± 4 lepels legèn, 1/2 flesch lauwe melk, 12 geklutste

eieren, 2 pond gezifte tarwebloem, zout naar smaak, poedersuiker.

Men laat de boter half smelten en roert ze met een houten lepel

tot ze dik (als pomade) wordt. Hierin doet men, één voor één, de 12

geklutste eieren, al roerende, tot alles een luchtige, schuimachtige

massa wordt. Het meel roert men vervolgens met de legèn in de melk

tot een dun beslag en vermengt dit met het boterbeslag. Men laat dit

beslag even rijzen en vermengt dit met één lepel suiker. Nu neemt men

een schoon, warm wafelijzer, bestrijkt dit aan ééne zijde met boter,

giet er een lepel beslag in, sluit het ijzer dicht en bakt de wafel

op goed heet vuur, gedurende 2 minuten, daarna op de andere zijde

ook 2 minuten. Is de wafel geel gebakken, dan licht men ze uit het

ijzer en bestrooit ze met poedersuiker.

237a. Wentelteefjes.

12 sneedjes oud brood, 2 of 3 eieren, een paar kopjes melk, 1/2 stokje

vanille, witte suiker, boter.

Het stokje vanille doet men in de melk en kookt deze even op. Is ze

lauw geworden, dan klutst men er de 2 of 3 eieren door. De sneedjes

brood ontdoet men van de korst, besmeert ze aan weerskanten met boter

en weekt ze in de melksaus.

Daarna bakt men ze aan weerszijden bruin in kokende boter of olijfolie.

Men gebruikt ze warm, met suiker.

238. Zandtaart.

1/2 pond goed drooge, gezifte bloem, 1/2 pond boter, 1/2 pond suiker,

6 eieren, poedersuiker, 1 theelepeltje geraspte citroenschil.

Men smelt de boter even, in eene kom, boven wat wasem. De suiker

wordt fijngestampt en door de boter gedaan.

Daarna doet men er 4 heele eieren en 2 eierdooiers door, ook de

geraspte citroenschil en het gezifte meel. Alles goed door elkander

mengen. Een taartenvorm met boter bestrijken en er het beslag in

doen. In een matig warmen oven ± 1 uur bakken. Gaar uit den vorm

nemen, laten bekoelen en besuikeren. Men voegt ook wel krenten onder

het beslag.

239. Zandtaartjes.

Hetzelfde beslag en dezelfde volgorde bij de bereiding, maar in plaats

van een taartenvorm, neemt men kleine vormpjes.

Zijn ze zoo klein gebakken als de bekende assemkoekjes, dan heeten ze

"zandkoekjes".

II.

INDISCHE VEGETARISCHE KEUKEN.

(MET VERSCHE KRUIDEN).

L. DE RIJSTTAFEL MET VEGETARISCHE BIJGERECHTEN.

Een Indisch vegetarisch menu, van uitsluitend echt inlandsche

gerechten--een "rijsttafel" dus--kan, uit den aard der zaak, niet zoo

volledig zijn, als een goed bereid maal, waar het vleesch, in tal

van vormen op tafel komt. Rund-, varkensvleesch, kip, visch en wat

bovendien daarvan bijzonder wordt bereid, maken de overvloedigheid

dikwijls overdreven.

Bant men nu al deze voedingsartikelen en daarbij nog de lomboks en

sambals, ook de sterk gekruide specerijen, "wat blijft er dan over

van de vegetarische rijsttafel?" vraagt men zich af.

Daartegenover stel ik de vraag: "Wat kan er--zonder vleezen en de

sambals--al niet gemaakt worden van den klapper, van de soorten van

blindjoe, van de djagoeng, van de eieren, de vruchten en van de enkele

wèl getolereerde niet sterke kruiden en specerijen?"

Men beproeve het eens en make een smakelijke rijsttafel volgens de in

't kort hier aangegeven verschillende recepten.

Ik teeken nog aan, dat ten allen tijde in Indië maaglijders zijn

en worden aangekweekt, menschen die de sterkgekruide en met vleesch

overladen rijsttafel "overheerlijk" vinden en er niet van af kunnen

blijven. Ofschoon de doctoren een streng dieet voorschrijven, wordt

door de meesten dier in-zieke menschen dagelijks gezondigd tegen

de wetten van matigheid, van onthouding, omdat de verleiding hun te

sterk is.

Zelfs in Holland, waar zij dan voor buik- en maagziekten hun twee- of

meerjarig verlof doorbrengen, waar zij streng vegetarisch-Hollandsch

gezond en matig kunnen leven, versmaden zij de indische scherpe

rijsttafel geenszins, doch vergasten zich er des te meer op en de

indische toko's van sambelans en kroepoeks, van zuren, manisans en

tal van ongerechtigheden bloeien om 't hardst.

Men zal van zelf wel begrijpen, dat het zeer moeilijk valt, een

scherpe grens te trekken tusschen de te sterke, de sterke en de minst

sterke specerijen. Zoo vind ik het gebruik van een stukje koenjit

(voor kleursel) van ketoembar en djienten geen hoofdzonde voor den

vegetariër; evenzoo kan er een stukje laos en wat serèh nog best door.

Is de ui niet dikwerf erg sterk en prikkelend, zóó, dat men ze

met tranen in de oogen schilt? Welnu, als dat bij het bereiden van

vegetarische schotels niet hindert, dan zullen kleine doses der minst

sterke kruiden evenmin een beletsel zijn voor den niet al te veel

eischenden vegetariër. Ik heb ook, hier en daar, een weinigje zout

in de recepten genoemd. Die dit niet wil nemen, late ze weg evenals

de minst sterke specerijen.

240. Rijst. (nasi).

Elke huisvrouw is voldoende bekend met het wasschen, schoonmaken

en het opzetten van de rauwe rijst (bras), hetzij op z'n Europeesch

gekookt dan wel op z'n Indisch gestoomd (met dandang en koekoesan)

of gekookt (nasi liwet).

Ik verwijs naar mijn Nieuw Volledig Nederlandsch-Indisch

Kookboek. Bovendien weet elke inlandsche vrouw de rijst uitmuntend

gereed te maken. Bij deze rijstbereiding sta ik dus niet langer stil.

Men heeft drie variëteiten in de rijst: de witte, de roode en de

zwarte rijst.

Men verkrijgt de rijst door de padi (of gaba) te ontbolsteren. De

korrels rijst komen dan, na de bewerking (het stampen van de gaba)

in heele en gebroken stukken te voorschijn. De heele korrels vormen

de bras, de gebroken stukken noemt men menir en deze worden nog

onderscheiden in grove (menir kasar) en fijne (menir aloes).

De tot meel gestampte of gemalen rijst vormt het rijstmeel of de

"tepong-bras".

Van de kleefrijst (de ketan) bestaan ook drie soorten: de witte, roode

en zwarte ketan. Ook deze levert de menir; deze ketan, ook de menir,

fijngestampt geeft de tepong-ketan, (ketanmeel).

De van het stampen afkomende zemelen noemt men dedek, die wederom

wordt onderscheiden in fijne en grove dedek.

De eerste wordt in zéér enkele indische kwé-kwé's gebruikt; de grove

soort geeft men de dieren te eten, voornamelijk het pluimvee.

Algemeen: teneinde bij de vegetarische rijsttafel zooveel mogelijk

het gemis der lomboks en sambelans te vergoeden, make men rijkelijk

gebruik van uien, onder allerlei bereidingen.

241. Nasi goerie.

Rijst, santen, een weinig zout.

De rijst wordt in den koekoesan half gaar gekookt (gestoomd), daarna in

een paso gedaan, daarin omgeroerd (di-aron) en daarbij santen en zout

gevoegd, in de verhouding van b.v. op 1 1/2 pond rijst 1 1/2 vingerkom

santen. Is de santen in de rijst getrokken (di sedoe), dan wordt deze

weer in den koekoesan gedaan en verder gekookt, tot ze gaar is.

242. Nasi gorèng.

Gekookte rijst, versche of van den vorigen dag, 20 fijngesneden bawang

mérah, 4 sioeng fijngesneden bawang poetih, 1 1/2 lepel ketoembar,

3/4 lepel djienten, 4 hardgekookte eieren, 2 aan dunne schijfjes

gesneden ketimoens, daon kemangi, seroendèng, no. 292, boter, klapper-

of olijfolie.

De helft van de bawang mérah stampt men fijn met de bawang poetih

(knoflook) de ketoembar en djienten; dan braadt of bakt men de 10

andere bawang mérah in olie bruin.

Nu doet men in de wadjan olie, laat deze koken, doet er daarna de

gestampte uien bij en laat deze bijna geel braden.

Dan voegt men er, beetje voor beetje, de rijst bij, al roerende,

met een paar lepels seroendèng en de helft der gebakken uien.

Alles goed doorroeren, tot de rijst goed is gebraden. Is ze klaar, dan

doet men de rijst op een schaal en versiert haar met de overgebleven

gebakken uien, de daon kemangi, de in vierde parten gesneden gepelde

hardgekookte eieren en de schijfjes ketimoen.

243. Nasi koening.

Een pond rijst, een klapper, water, een weinigje zout, een stukje,

koenjit (om te kleuren), een stukje seréh en 2 daon djeroekpoeroet;

gebraden uitjes, fijngesneden ketimoen, fijngesneden dadar (omelet)

en gebraden katjang-kedelée.

De klapper raspt men en maakt er "santen" van; de koenjit wordt óók

geraspt, door de santen gevoerd en deze daarna gezift. Hierin wordt

de rijst met de seréh, de daon djeroekpoeroet, het weinigje zout en

wat water gaar gekookt (di liwet).

Men plaatst deze gare gele rijst netjes op een schaal en siert den

schotel met gebraden uitjes, de aan reepen gesneden dadar, de schijfjes

ketimoen en de gebraden katjang-kedelée.

244. Nasi tim.

(Voor zieken en kinderen.)

Een kopje rijst, 2 kopjes water, een weinigje zout.

In een timpot (petiman) doet men de rijst, met het water en het

zout en kookt dit samen "au bain Marie" gaar in een grooten, goed

toegedekten pot--gedurende 1/2 uur.

Voor kleine kinderen kan men de rijst met water en een stukje rijpe

pisang radja samen koken.

245. Ketan (Kleefrijst).

De ketan wordt evenals de rijst gestoomd of gekookt, doch met iets

minder water of santen. Zij vormt altijd een toespijs of nagerecht

en wordt dan met goela-djawa genuttigd.

De ketoepat wordt niet behandeld, daar deze soort van gekookte,

saamgeperste rijst een moeilijk, althans zwaar verteerbaar voedsel

vormt en dus on-vegetarisch is.

246. Gablok,

is zacht gekookte rijst in een pisangblad gewikkeld--in

trechtervorm. Bij de rijst koke men 3 stukjes daon-pandan, voor

den goeri-smaak.

247. Lemper

wordt van ketan gemaakt. 1 pond ketan, santen van 2 klappers, 20

fijngesneden bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih,

4 à 5 schijfjes laos, het binnenste van 5 kemiries, 1/2 theelepel

djienten, 1 theelepel ketoembar, 5 lepels geraspte gebraden klapper,

4 djeroekpoeroetbladeren en een paar lepels dikke santen (santen

kentel), gebraden katjang bras of katjang kedelée, boter of olie.

De ketan wordt met de santen gaar gekookt; de uien met al de specerijen

en de klapper fijngestampt, opgebraden in boter of olie (klapper- of

olijf) en, als de uien verslagen zijn, daar de dikke santen bijgevoegd,

tot dit een dikke massa is geworden.

Van de ketan vormt men langwerpige ballen, die men vult met een lepel

van bovenbeschreven massa, waarna de ballen worden gesloten en in

pisangbladeren met bietings vastgestoken.

De pakjes ketan worden geroosterd, tot ze gaar zijn.

M. SAJOERS.

248. Sajoerassem.

Katjang pandjang, 3 lepels fijngesneden bawang mérah, 3 sioeng

fijngesneden bawang poetih, naar verkiezing een weinigje zout, 2

schijfjes laos, assemwater van 1 balletje assem kawat ter grootte

van een duivenei.

Men snijdt de katjang pandjang aan stukjes en kookt ze, in een kleine

wadjan, half met water gevuld, gaar. De specerijen worden samen

fijngestampt, bij de katjang pandang gedaan en zooveel assemwater er

bij gevoegd, dat de sajoer smakelijk--zurig--wordt. Men laat alles

dan samen nog even doorkoken.

249. Sajoer bajem of (sajoer menir).

Spinazie, 2 lepels fijngesneden bawang mérah, 2 sioengs fijngesneden

bawang poetih, een paar schijfjes temoe-koentji, santen en zout

(naar smaak en verkiezing!).

De spinazie (bajem) wordt gaar gekookt; de kruiden stampt men samen

fijn, giet van de bajem eenig water weg en voegt er, daarvoor in

de plaats, santen bij benevens de fijngestampte kruiden. Dit samen

laten gaarkoken.

250. Sajoer bòbòr,

is dezelfde sajoer als hiervoren (no 249), maar met toevoeging van

2 lepels rauwe gestampte rijstkorreltjes of "menir".

251. Sajoer bajem djagoeng.

Dezelfde bestanddeelen als van de sajoer bòbòr (no 250) benevens

4 stuks rauwe kemiries; groenten: 1 bord vol fijngesneden reboeng

afgekookt tot het bittere er van is verwijderd, jonge djagoengs,

die men in hun geheel laat.

De bereiding is als die van de sajoer-bajem, (kemiries uithalen en

met de kruiden fijnstampen) overigens alles met elkander opkoken.

252. Sajoer boontjes.

Een bord vol boontjes, heel of fijngesneden, 3 lepels fijngesneden

bawang mérah, 4 sioengs fijngesneden bawang poetih, 4 schijfjes laos,

2 daon salam, zout (naar smaak en naar verkiezing) santen van één

klapper.

De specerijen of kruiden worden samen fijngestampt, de boontjes kookt

men, met weinig water, half gaar, voegt daar de kruiden en de santen

bij en alles samen laten doorkoken, tot de boontjes gaar zijn.

253. Sajoer blindjoe.

(of S: assem blindjoe).

Van de blindjoe worden òf de jonge bladeren en bloemen, òf de vruchtjes

(pitjes) alleen, rijp en onrijp d. i. rood en groen, gebruikt. Hierbij

dezelfde specerijen als onder no 248.

De blindjoe (bladen, òf pitjes) worden eerst afzonderlijk

gaargekookt. Overigens is de bereiding enz. dezer sajoer geheel gelijk

als die van de sajoer assem (no 248). Alles bij elkander voegen en

samen gaarkoken.

254. Sajoer kèllor.

Dezelfde bestanddeelen, wat de kruiden betreft als bij de sajoer assem,

maar voor groenten neemt men kèllor-bladeren en jonge stengels.

Als men deze sajoer maakt, moet men bij het koken der bladeren en

stengels een weinig sirihkalk voegen, om den bitteren smaak weg

te nemen. Overigens geschiedt de verdere bereiding als die van de

sajoer assem.

255. Sajoer klèntang.

De klèntangs zijn de vruchten van den kellor. Als men deze sajoer

maakt, gebruikt men dezelfde bestanddeelen als van de sajoer assem,

maar met toevoeging van een paar kopjes santen.

Eerst de klèntangs schoongemaakt, daarna gekookt en dan dezelfde

bereiding, ook der kruiden, en toevoeging als bij de sajoer assem. Het

laatst voegt men er de santen bij. Samen opkoken.

256. Sajoer kloewak of kliwiek (of s. "brongkòs").

Van den poetjoengboom heeten de vruchten kloewak of kliwiek, waarvan

de sajoer wordt gemaakt naar dien naam. De vruchten zijn vergiftig, als

ze nog niet door de inlanders zijn bereid. De vruchten zijn steenhard,

driehoekig van vorm, worden voor het gebruik der sajoers stukgeslagen

en het vrij zwarte vleesch er in, voor de sajoer genomen.

4 of 5 kloewakpitten, 3 à 4 schijfjes fijngesneden laos, 1 stuk

ineengedraaide seréh, 1 lepel fijngesneden koenjit, assemwater en

zout (naar verkiezing), 3 lepels fijngesneden bawang mérah, boontjes

of kool.

De uien met de kloewaks (inhoud), de laos, de koenjit en het zout

fijngestampt, vervolgens gebraden.

Daarna voegt men hierbij een paar lepels assemwater en de

schoongemaakte boontjes of kool. Zijn deze groenten ietwat verslagen,

dan doet men er nog wat water bij met het stukje seréh.

Door laten koken, tot de groenten gaar zijn.

257. Sajoer lemeng.

Allerlei soort van groenten (boontjes, ketimoen, bloestroe,

kool, katjang-pandjang, reboeng, enz.) fijngesneden en samen

opgekookt. Tempé, 4 lepels fijngesneden bawang mérah, 3 sioengs

fijngesneden bawang poetih, een paar schijfjes kentjoor, 3 schijfjes

laos, 1/2 lepel ketoembar, 5 stuks gepofte en uitgehaalde kemiries,

1/4 geraspte klapper, santen.

Al de opgegeven kruiden worden samen fijngestampt en met den 1/4

geraspten klapper opgebraden. De tempé wordt in stukjes gesneden

bij de kruiden even mede gebraden, waarna men er de dikke (kentel)

santen bijvoegt en dit samen even laat koken.

Dan doet men al de gekookte groenten hierbij, voegt er nog wat gewone

santen (entjèr) aan toe en kookt alles samen op, tot de tempé gaar is.

258. Sajoer loddèh

kan gemaakt worden van allerlei groenten, of van: reboeng met

petéeboonen en tempé.

3 eetlepels fijngesneden bawang mérah, 3 sioengs fijngesneden bawang

poetih, 1 eetlepel fijngesneden laos, 5 stuks uitgehaalde kemiries,

zout (naar smaak en verkiezing), santen.

De groenten worden bijna gaargekookt--ook de reboeng en de tempé,

als dit voor deze loddèh sajoer wordt gebruikt.

De kruiden worden samen fijngestampt. Het water van de groenten wordt

verwijderd en daarvoor in de plaats de santen genomen, waarbij de

gestampte kruiden worden gevoegd. Samen laten opkoken, tot alles goed

gaar is.

259. Piendang telor.

8 gepofte bawang mérah, 1 stukje gepofte koenjit, 1 sioeng bawang

poetih, 1 stukje assem, 1 theelepel ketoembar, 1 stukje ineengedraaide

seréh, 3 schijfjes laos, 1 daon djeroekpoeroet, klapper- of olijfolie,

4 à 5 glazen water, 8 hardgekookte eieren.

De kruiden worden samen fijngestampt, daarna in de olie opgebraden;

voeg er daarna het water bij met de seréh en de daon djeroekpoeroet

en laat dit alles koken, waarna men er 't laatst de 8 gekookte eieren

bijvoegt.

260. Toemis van groenten.

Een bordvol fijngesneden kool òf een bordvol allerlei andere groenten,

3 eetlepels fijngesneden bawang mérah, 2 lepels klapper- (of andere)

olie, kokend water, zout naar smaak en verkiezing, 2 goedgeklopte

eieren, santen van 1/2 klapper.

De bawang mérah wordt met de olie opgebraden. Hierbij voegt men de

kool--òf de andere groenten--en braadt dit samen op, tot de kool

(groente) verslagen is. Men doet er dan 1 kopje kokend water (met wat

zout) bij. Daarna roert men er de geklutste eieren in en, het laatst,

de santen.

Visser's Nederlandsch-Indisch Vegetarisch Kookboek · 第 5 / 9 段