Natuurlijk neemt men dan de helft van de in het vorige nummer opgegeven

hoeveelheden.

Ook deze koek wordt, hoewel oneigenaardig, "ketelkoek" of "zakkoek"

genoemd.

Men eet ze ook met keukenstroop of met boter en suiker.

190. Knoedels.

100 gram meel, 1 ei, suiker en melk.

Het ei wordt geklutst tot schuim en met het meel goed door elkander

gewerkt tot een dik deeg. Is dit deeg te dun of slap, dan voegt men

er nog wat meel bij.

Vervolgens legt men dit deeg op een met meel bestreken plank, strijkt

het goed uit, rolt het nog eens op en neemt er hoeveelheden van af,

die men tot balletjes (kepel) kneedt. De balletjes kookt men in kokende

melk op, tot ze gaar en dik worden. Men voegt er, onder het opkoken,

suiker bij.

Deze knoedels worden, met suiker bestrooid, genuttigd. In de melk

kan men wat vanille medekoken.

191. Flensjes.

1 ons bloem, 3 eieren, een paar kopjes melk, een weinig zout, boter.

Men klutst de 3 eieren gedurende 5 minuten met zout en voegt er de

bloem, al roerende lepel voor lepel, bij, zoodat het "beslag" niet

klontert. Vervolgens roert men er, langzaam aan, de melk bij. Van

dit beslag bakt men, in boter, zeer dunne pannekoeken, "flensjes"

genaamd, en zorgt dat ze aan beide zijden lichtbruin zien.

192. Flensjes met vulsel.

(gelei, gestoofde vruchten, enz.).

Hetzelfde beslag, dezelfde bereiding; zijn de flensjes gaar, dan doet

men er wat vulsel in en vouwt of rolt ze op.

193. Flensjestaart.

Dezelfde gevulde en gereed gemaakte flensjes worden in een met boter

besmeerden "basi-kasar" in rijen, kruiselings, op elkander geplaatst,

met wat vanillevla overgoten, dan met paneermeel bestrooid, waarbij

een kluitje boter er bovenop; daarna in den oven (pan-bàkàr) van

boven lichtgeel laten bakken.

194. Pannekoeken.

1 pond bloem, 4 à 5 eieren, 1 1/4 flesch melk, 'n paar lepels legèn,

zout, boter.

Men doet de bloem in een kom; de eieren worden geklutst en langzaam

aan door de bloem geroerd; vervolgens wordt hierdoor de melk geroerd,

met de legèn. (Dooiers en wit kan men ook elk afzonderlijk kloppen

of klutsen.)

Men laat nu dit beslag eenigen tijd (± 1/2 uur) rijzen en bakt daarna

de pannekoeken in een platte, pan, waarin boter of genuaolie goed

heet is gemaakt.

Men kan ook, om de pannekoeken smakelijker en luchtiger te krijgen,

gesmolten boter door het beslag mederoeren.

Men gebruikt de pannekoeken met suiker of stroop.

Van de pannekoeken kan men tal van variatiën bereiden, naarmate van

hetgeen er in het beslag bij wordt gevoegd: als

a. pannekoeken met krenten,

b. ,, ,, sucade,

c. ,, ,, kaneel geroerd, enz., enz.

195. Poffertjes.

Een halfpond tarwebloem, 3 eieren, 1/2 theelepeltje zout, 1 kopje

gesmolten boter, (voor gist neme men 1 à 2 lepels legèn) en zooveel

lauwe melk, dat men van dit alles een deeg maakt, alsof men pannekoeken

zal bakken.

Men klutst eerst de 3 eierdooiers stevig, waarna men er het meel,

de boter, het zout en de melk doorheen roert; is dit goed vermengd,

dat doet men er de legèn bij en het tot schuim geklopte wit der 3

eieren; alles wederom goed door elkander roeren en het dan 1/2 uur

op een warme plaats laten rijzen.

Is het genoegzaam gerezen, dan bakt men dit beslag in een flink met

boter bestreken en heeten poffertjespan. Aan beide kanten gaar bakken.

Men eet ze met boter en suiker bestrooid.

En zoo komt men geleidelijk tot de

K. PUDDINGEN, TAARTEN EN VERDERE GEBAKKEN.

Puddingen worden met een of andere saus genuttigd en komen warm of

koud op tafel.

1. WARME PUDDINGEN.

196. Aardappelpudding.

20 groote aardappelen, 5 eierdooiers, 6 lepels boter, 1 ons

fijngestampte amandelen (of kenaries), 5 lepels suiker, 2 lepels

honig, 1 à 2 lepels legèn, 4 of 5 gestampte bitterkoekjes, het tot

sneeuw geklopte wit der 5 eieren, grenadine- òf vruchtensapsaus.

De aardappelen schillen en met een weinig zout gaar koken, daarna

fijn maken tot purée en vermengen met de boter, de amandelen en de

bitterkoekjes. Dan klutst men de eierdooiers met de suiker en de

legèn samen op en roert dit door bovengemaakt aardappelbeslag; het

laatst roert men er het tot sneeuw geklopte eiwit door. Een kwartier

lang alles toegedekt laten rijzen.

Nu neemt men een puddingvorm, besmeert dien aan de wanden en onder met

boter en bestrooit dien met beschuitkruim. Deze vorm wordt voor 2/3

met het aardappelbeslag gevuld, daarna 1 1/2 à 2 uur "au bain Marie"

gekookt. Is ze gaar, dan wordt de pudding uit den vorm gestort,

op een vuurvaste schaal geplaatst en in den oven verwarmd, tot ze

wat droog en daarbij bruin is geworden. Men dient er grenadine-

of frambozensapsaus bij voor.

N.B. In plaats van bitterkoekjes kan men ook geraspte citroenschillen

nemen.

197. Amandelpudding.

1/2 pond bloem, 1/2 L. melk, 1/2 L. water, 3 lepels boter, 3 of 4

lepels suiker, 1 geraspte citroenschil, 4 ons gepelde fijngesneden

amandelen (of kenaries), 1 kopje gestampte beschuit, 4 of 5 geklutste

eierdooiers en het afzonderlijk geklopte eiwit, boter of olie,

beschuitkruim.

Men maakt de bloem aan met water. Dan wordt de melk gekookt en daarna

de aangemaakte bloem en de boter er door heen geroerd; vervolgens

voegt men er de suiker en de geraspte citroenschil bij, terwijl men,

al roerende, de melk ± 1/4 uur laat doorkoken, tot het meel gaar

is. Nu zet men dit mengsel af en laat het wat bekoelen; roert er

vervolgens het gestampte beschuit, de fijngesneden amandelen en de

geklutste eierdooiers door en, als alles goed is vermengd, eindelijk

ook het tot sneeuw geklopte eiwit.

Dit deeg doet men in een met boter of olie bestreken en met

beschuitkruim bestrooiden puddingvorm en laat het 1 1/2 uur koken.

198. Broodpudding.

Oudbakken brood, 3 à 4 eieren, 1 kopje suiker, een zeer weinigje zout

(1/4 theelepeltje), 1/2 stokje vanille, 1 theelepel kaneel in poeder,

(3 à 4 lepels gepelde amandelen), 1 ons rozijnen, 2 lepels boter èn

1 kopje gesmolten boter, beschuitkruim, melk.

Het brood weekt men in de warme melk. Men klutst de eieren en roert

deze, met de suiker en het zout, door het geweekte brood, terwijl men

er ook de kaneel en het stukje vanille en het kopje gesmolten boter

verder doorheen roert. Daarna voegt men er de rozijnen (zoomede de

gepelde amandelen) bij, al roerende.

Alles in een puddingvorm doen, die beboterd en bekruimd is en ±

twee uren laten koken.

Met suiker, vanille- of vruchtensaus te gebruiken.

199. Laz-Olas.

1 1/4 flesch melk, 6 lepels maïzena, 3 à 4 lepels suiker, 1/4

stokje vanille, 3 eieren, een tikje zout, 1 lepel boter, gelei of

vruchtenmoes.

De eene flesch melk wordt met de suiker en de vanille gekookt. De

maïzena maakt men met de 1/4 flesch melk aan, roert er het tikje

zout door en 3 geklutste eierdooiers en stort dit alles, al roerende,

door de kokende melk. Men maakt te voren de vuurvaste schaal gereed,

met de lepel boter er in, stort dan een gedeelte van het beslag in

de schaal, doet daarop een paar lepels vruchtenmoes, die men er over

verdeelt en dan weer een laag beslag, zoo laag om laag voortgaande,

tot het beslag is verbruikt. Men brengt het warm op tafel. (Men kan

ook Marie-beschuiten nemen en daarop het moes, dan weer beslag, enz.).

200. Macaroni- (of vermicelli) pudding.

1 1/2 ons macaroni (òf vermicelli), 6 eieren, 1 L. melk, 2 à 3 lepels

boter, 2 à 3 lepels suiker, 1/2 ons gestampte zoete amandelen (of

amandelpers), citroenschil.

N.B. De amandelen kan men door rozijnen, de citroenschil door vanille

vervangen.

Men kookt de melk met de suiker en de citroenschil. De macaroni

heeft men te voren in water zacht gekookt en door eene zeef laten

uitdruipen. Deze doet men door de kokende melk en laat dan alles

bekoelen.

Dan voegt men er de geklutste eierdooiers, wat boter, de amandelen

en, 't laatst, het stijfgeklopte eiwit bij en roert alles goed door

elkander.

Men doet dit mengsel in een beboterden en met paneermeel bestrooiden

puddingvorm en kookt het dan, 2 uren lang, "au bain Marie."

Te gebruiken met bessensap of vruchtensaus.

201. Rijstpudding.

1 1/4 L. melk, 2 ons rijst, 2 à 3 lepels boter, 4 à 5 lepels suiker,

1/2 citroenschil geraspt (of, in plaats van citroenschil: 1/2 ons

amandelen), 2 geklutste eierdooiers en het geklopte wit daarvan,

beschuitkruim.

Men kookt rijstenbrij van de rijst, de melk, de citroenschil (of de

gesneden amandelen), daarna doet men er de suiker, 2 lepels boter,

de geklopte eierdooiers bij, roert dit alles goed door elkander en

voegt er, 't laatst, het tot schuim geklopte eiwit bij.

Men doet vervolgens de massa in een, met boter bestreken en

beschuitkruim bestrooiden puddingvorm en kookt de pudding 1 1/2 à 2

uur "au bain Marie".

Men eet de pudding met vanille- of met vruchtensaus.

202. Sagopudding.

1 L. half water--half melk, 1 1/2 ons sago-Ambon, 2 lepels boter,

3 of 4 lepels suiker, een weinig oranjebloesemwater òf rozenwater

(1 à 2 theelepels), 3 eierdooiers, beschuitkruim, een zéér klein

weinigje zout.

De sago-Ambon wordt geweekt; de water-en-melk wordt kokend heet

gemaakt en hierin, al roerende, de sago, boter, zout, suiker in het

oranjebloesemwater gedaan. Nadat de sago goed uitgedijd is, neemt

men de pan van het vuur, laat den inhoud eenigszins koud worden en

roert er de geklutste eierdooiers door. Deze massa in een puddingvorm

(beboterd en bestrooid) doen en een uur koken, "au bain Marie".

Men gebruikt er vruchtensaus bij.

203. Vruchtensap pudding.

12 dunne sneedjes brood, de korstjes afgesneden, frambozen-,

woenie- òf ananasstroop, 8 eierdooiers, 3 ons groote rozijnen, 1/2

ons fijngestampte zoete amandelen, 2 lepels geraspt brood, 1 ons

gesmolten boter, een paar lepels suiker, het tot sneeuw geklopte wit

der 8 eieren, meel.

Men bevochtigt de sneedjes brood met de stroop, zoo, dat ze zonder

uit elkander te vallen, er van zijn doortrokken. De rozijnen schoon

wasschen en in warm water weeken. Nu voegt men, in eene kom, het

brood, de rozijnen, amandelen, de gesmolten boter, het geraspte

brood en de eierdooiers bij elkander, ook de suiker (naar smaak)

en als alles goed door elkaar is geroerd, 't laatst het geklopte eiwit.

Deze massa in een beboterden en met meel bestrooiden vorm doen en

een uur "au bain Marie" laten koken.

Voor men de pudding uit den vorm doet, deze eerst wat laten afkoelen,

daar ze anders moeilijk uit den vorm gaat.

204. Zwampudding.

1 ons bloem, 1 ons suiker, 1 ons boter, 7 goed geklopte eierdooiers,

1/2 liter lauwe melk of lauw water. Het tot schuim geklopt wit der

7 eieren; boter en beschuitkruim voor den puddingvorm.

Van de bloem, suiker, boter en de lauwe melk (water) maakt men een

deeg en roert hierdoor de 7 geklopte eierdooiers; 't laatst voegt

men er het tot schuim geklopt eiwit bij en roert nog eens alles goed

door elkander.

Deze massa storten in een met boter besmeerden vorm. Men zet den vorm

in lauw water, boven een matig vuur, op en laat alles dan 1/2 uur à

3 kwartier "au bain Marie" koken.

Men gebruikt ze met een of andere saus b. v. vruchtensaus.

2. KOUDE PUDDINGEN.

205. Abrikozenpudding.

Men weekt (gedroogde) abrikozen in lauw water en brengt ze in datzelfde

water aan den kook, met zooveel suiker als noodig zal blijken,

om ze zoet te maken. Als ze gaar zijn, worden zij door een zeef

gewreven en met agar-agar of gelatine gebonden, d.w.z.: de agar-agar

wasschen, in stukjes snijden, in warm water doen en, roerende, koken

tot alles versmolten is en ze óók door den zeef wrijven, van ze met

den abrikozenmoes innig te verbinden, samen goed doorroeren en in

een natgemaakten steenen vorm doen. Men laat deze pudding afkoelen.

N.B. Men zie over agar-agar en hare verhouding tot gelatine; Nieuw

Volledig Nederl. Ind. Kookboek: gewichtstafel, vooraan. (Uitgave

C. G. T. van Dorp & Co, Semarang.)

206. Agar-agar.

1 3/4 stang agar-agar, 1 bierglas orgeade, 4 à 5 kopjes melk, suiker

naar smaak, water.

De agar-agar wordt goed schoongemaakt met water en in weinig warm

water versmolten. Nu kookt men de melk met de orgeade in de suiker,

giet daarna de warme agar-agar, door eene zeef, al roerende daarbij en,

als deze massa dik begint te worden, giet men haar in een natgemaakten

steenen vorm en laat ze daarin bekoelen.

Men stort, vóór het gebruik, de pudding uit den vorm op eene schaal

en rangeert er vruchten op water om.

207. Amandelpudding.

1/2 ons tarwebloem, 1/2 ons rijstmeel of 1/2 griesmeel, 1 1/2

ons suiker, 1 ons boter, 6 eieren, 3/4 ons zoete amandelen, melk,

abrikozen--(in 't algemeen) vruchtensaus, geraspte citroenschil.

Bloem, meel, suiker en 3 à 4 lepels boter worden vermengd met 3

theekopjes (van ± 1 dL. inhoud) lauwe melk. Men roert alles goed

door elkander, doet het dan in een pannetje op het vuur en blijft

doorroeren tot de massa van de pan loslaat. Hierbij voegt men, al

roerende, één voor één, de 6 eierdooiers, dan weer een paar lepels

boter en eindelijk de fijngestampte amandelen met een fijngeraspt

stukje citroenschil. Het laatst klopt men door deze massa het stijf

geklopte eiwit van 3 eieren, roert alles goed door elkander en giet

dit beslag in een beboterden en met suiker bestrooiden puddingvorm. Men

laat ze ± 1 1/2 uur "au bain Marie" koken.

Men laat de pudding koud worden en stort ze uit den vorm op eene

schaal.

Men gebruikt deze koude pudding met een vruchtensaus.

208. Ananaspudding.

Een ananas, 3/4 flesch melk, 1 1/4 stang agar-agar (of gelatine),

suiker naar smaak, water (citroensap, 1 theelepel).

De geschilde, schoongemaakte ananas wordt aan kleine vierkante stukjes

gesneden, die met een weinig suiker en water worden afgekookt. Dan

warmt men de melk op; smelt de agar-agar (of de gelatine) en doet

dit bij de melk en voegt er, daarna, de gekookte stukjes ananas met

het water--en zoo noodig nog wat suiker naar smaak--bij.

Al roerende wordt deze massa dik; men stort ze dan over in een

natgemaakten puddingvorm. Laten afkoelen en met of zonder saus

gebruiken.

N.B. Niet te hard koken opdat de ananas haren smaak niet verlieze.

209. Blanc-manger.

1 flesch melk, 1 1/4 stang agar-agar, 1/2 stokje vanille, 1 ons

bitterkoekjes. 3-5 lepels suiker.

De melk wordt even met de vanille opgekookt; daarna roert men er de

suiker en de te voren week-gemaakte bitterkoekjes door. De agar-agar

lost men op, zift ze, roert ze door de massa en giet dat dan over

in een natgemaakten steenen vorm, dien men in de ijskist--of op een

koele plaats--doet.

Bij gebruik stort men den blanc-manger op eene schaal en rangeert er

vruchten op water om heen.

210. Chocoladepudding.

1 flesch melk, 5 lepels maïzena, 6 lepels chocoladepoeder. 4 à 5

lepels suiker. Vanillevla.

Men maakt de maïzena en de chocolade samen aan met een weinig

melk. Het overige van de melk warmt men met de suiker, roert er het

chocolademengsel doorheen en laat dit, al roerende, dik worden. Men

stort alles vervolgens in een natgemaakten steenen vorm, laat het

bekoelen en doet het koud uit den vorm op eene schaal. Men gebruikt

er vanillevla bij.

N.B. In plaats van maïzena kan men er ook 1 1/4 stang agar-agar

voor gebruiken.

211. Citroenpudding.

Het sap van 3 of 4 citroenen (djeroek nipis), 1 1/2 ons suiker, 1/4 ons

bloem, 3 à 4 kopjes water, 4 eierdooiers, bijna 3/4 stang agar-agar (of

12 à 15 blaadjes gelatine), het tot sneeuw geklopte wit van 4 eieren.

Men klopt de 4 eierdooiers met de suiker; maakt de bloem met water

aan, smelt de agar-agar (of gelatine) en roert dit alles bij en door

elkander. Men zet dit dan in een pannetje op het vuur en laat het,

onder aanhoudend roeren, koken. Als het dik begint te worden, roert

men er eerst het citroensap en daarna het stijfgeklopte eiwit door.

Men giet dan alles in een natgemaakten puddingvorm en laat 't dan

bekoelen.

De pudding wordt daarna uit den vorm gestort, op een schaal voorgediend

en zonder eenige saus gebruikt.

212. Citroenrijstpudding, (riz glacé).

1 Liter water, de geraspte schillen van 2 citroenen, 1 1/4 ons rijst,

het sap van 4 citroenen, bijna 1/2 pond suiker.

De rijst goed helder schoonwasschen en daarna, zonder er in te roeren,

gaar koken, met de geraspte citroenschillen en het water.

Is ze gaar dan roert men er het sap der 4 citroenen en de suiker

door. Vervolgens stort men ze over in een natgemaakten schotel (niet

in een puddingvorm), dien men goed dichtdekt en laat ze verder bekoelen

(op ijs).

213. Griesmeelpudding.

1 flesch melk, 1/2 stokje vanille, 1 1/2 ons griesmeel, 1 1/2 ons

suiker; bessensap.

Men kookt de melk op met de suiker en de vanille. Als ze begint te

koken, doet men er, al roerende, langzaamaan, het griesmeel bij en

blijft doorroeren, tot alles een dikke massa wordt, welke men in een

natgemaakten vorm giet en alzoo laat koud worden.

De pudding op een schaal overstorten en met bessensapsaus voordienen.

N.B. Wil men deze pudding luchtig maken, dan roert men er het

stijfgeklopte wit van 3 eieren door.

214. Maïzenapudding (ook een soort blanc-manger).

1 flesch melk, ± 6 lepels maïzena, 4 lepels suiker, 3 eieren, 1/2

stokje vanille, vruchtensaus.

De melk koken met de suiker en de vanille. De maïzena maakt men met

wat water (of melk) aan en door de kokende melk geroerd. Als dit samen

dik begint te worden, roert men er de 3 te voren geklopte eierdooiers

door en stort daarna alles over in een natgemaakten puddingvorm.

Laten bekoelen, uit den vorm storten op eene schaal en voordienen

met vruchtensaus.

N.B. In plaats van de vanille kan men 20 fijngestampte bitterkoekjes

nemen of 1 kopje vol geraspte klapper.

215. Riz à la Condé.

1 1/4 flesch melk, 1 ons rijst, 1 ons suiker, 1 stokje vanille,

3/4 flesch geslagen room, 1 stang agar-agar.

Abrikozen op water of gestoofde abrikozen.

De rijst goed helder schoonwasschen en met de vanille en de melk

gaarkoken. Men roert daarna de suiker en de opgeloste agar-agar er

door en wrijft vervolgens alles door een zeef fijn.

Nu roert men er den room door en doet dit, laag om laag, met de

abrikozen omwisselend, in een natgemaakten puddingvorm.

In de ijskist koud laten worden.

Men eet de "riz-condé" met een vruchtensaus.

N.B. Men kan deze rijstenbrij ook in kleine vormpjes (b.v. in

chineesche kopjes, "mangkoks") doen en laten bekoelen. De puddinkjes

op een schaal overstorten en abrikozenmoes er om heen doen.

216. Rödgröd.

1 flesch bessensap, 3 kopjes water, 1 ons fijn sago (poeder), 1 3/4

ons suiker, vanillevla.

Men kookt het bessensap met de suiker, lengt de sago aan met water

en, als het bessensap kookt, er de sago doorheen roeren, tot alles

een dikke pap wordt.

Men doet deze pap daarna in een natgemaakten puddingvorm en laat

ze bekoelen.

Koud geworden, uit den vorm op eene schaal storten en ze voordienen

met vanillevla.

217. Sucre brûlé.

1 stang agar-agar (of 24 blaadjes gelatine), 3/4 flesch melk, 1 stokje

vanille, 4 eierdooiers, 5 lepels suiker tot caramel gekookt (zie Nieuw

Voll. N. O. I. Kookboek, 1e druk, pag. 273 onderaan). Vanillesaus.

De agar-agar smelten, de melk en de vanille daarbij voegen en samen

opkoken.

Koud laten worden, de geklopte eierdooiers er doorheen roeren en dan

ziften. Nu moet men voorzichtig de caramel door deze gezifte massa

roeren en alles in een natgemaakten steenen vorm gieten.

Men laat ze koud worden en stort de pudding daarna op een schaal

over. Wordt met vanillevla gebruikt.

3. TAARTEN EN GEBAK.

218. Aardappeltaartjes.

Purée van aardappelen, 4 lepels geraspte kaas, 2 lepels room of 3

stijfgeklopte eiwitten, een paar lepels boter, melk.

Men roert, op het vuur, de purée, de kaas, melk en boter goed door

elkander en, als de boter is versmolten, roert men er, 't laatst,

het geklopte eiwit door.

Daarna neemt men dit beslag van het vuur en vult er kleine

taartenvormpjes mede en laat ze een kwartier lang in den heeten

oven bakken.

219. Aardappelkoekjes.

8 gekookte aardappelen, 6 eierdooiers, 4 lepels parmezaankaas,

een paar in melk geweekte sneedjes brood, beschuitkruim en boter;

tomatensaus of witte saus.

De aardappelen worden fijngemaakt en met de dooiers, de kaas en het

brood tot een deeg verwerkt.

Is het deeg te stijf, dan voegt men er melk aan toe. Men vult met

dit deeg, kleine, met boter besmeerde vormpjes, bestrooit ze met

beschuitkruim en laat ze in den oven ± 1/4 uur bakken.

Warm, worden de koekjes uit de vormpjes gestooten en op een langwerpige

schaal in een kransvorm geschikt, met een tomatensaus (of een witte

saus) in het midden. Men versiert ze met kleine blaadjes peterselie.

220. Aardappelcroquetten (Parijsche).

6 groote uitgezochte gekookte aardappelen, 3 eieren, fleur d'orange,

boter en water, poedersuiker, geklopt eiwit.

Men maakt van de aardappelen purée, warmt ze op met boter en water,

zoodat het een deeg wordt en doet hierbij een paar theelepels fleur

d'orange (oranjebloesemwater). Als 't deeg dik genoeg is, doet men

er, al roerende, een voor een, een eierdooier bij, tot deze alle drie

zijn gebruikt, (voor 2 aardappelen één eierdooier). Dan zet men het

deeg af, laat dit bekoelen en maakt er balletjes (croquetten) van,

die men in 't geklopt eiwit dompelt. Men braadt ze in boter bruin,

dient ze op, met poedersuiker bestrooid.

221. Amandeltaart.

2 1/2 ons bloem, 2 1/2 ons boter witgeslagen, 3 à 4 eierdooiers,

1/2 pond suiker, 1 1/2 ons gestampte zoete amandelen of kenaries,

het geraspte schil van 1 citroen, het stijfgeklopte wit der eieren.

Men maakt de gestampte amandelen (kenaries) aan met de 3 à 4

eierdooiers en de geraspte citroenschil.

Daarna roert men er, lepel voor lepel, de suiker door, dan het meel

(bloem) dat te voren is gezift, vervolgens de witgeklopte boter en,

't laatst, het stijfgeklopte eiwit.

Dit deeg giet men in een met boter bestreken springvorm, laat het ±

50 minuten in den oven gaar worden. Men overtuigt zich, door een

breinaald in de taart te steken; als er zich geen deeg aan de naald

hecht, is de taart gaar.

222. Anijskoek.

(seed-cake.)

1/2 pond bloem, 1/2 pond boter, 1/2 pond suiker, 4 eieren, voor 5

cents adas, beschuitkruim.

De eieren goed klutsen met de suiker, daarna, al roerende, de boter,

bloem en adas (karweizaad) er door heen roeren. Dan een springvorm

met boter besmeren en met beschuitkruim bestrooien en hierin het deeg

doen. Men bakt deze koek in een matig verwarmden oven, tot de koek

van boven bruin is gebakken (± 30 à 35 minuten.)

223. Beignets (van ananas.)

Men maakt een dik pannekoekbeslag van: 1/2 pond bloem, 4 eierdooiers,

3/4 lepel Genuaolie, eenige lepels water (± 3 à 4 d.L) een weinigje

zout en het stijfgeklopte wit der 4 eieren.

Ananasschijfjes, Genuaolie.

Men dompelt de schijfjes ananas in het beslag en bakt ze vervolgens

in de heete Genuaolie.

224. Beschuittaart.

Een kopje vol beschuitkruim (of gestampt, geroosterd, oud, droog

brood) 1/2 flesch melk, 1/2 stokje vanille, een kopje vol suiker, 3

à 4 lepels boter, 4 geslagen eierdooiers en 4 stijfgeklopte eiwitten;

een zeer klein weinigje zout.

Men kookt de melk op met de vanille en de suiker, zet ze dan van het

vuur af en, als ze bijna koud is, roert men er het zout, de boter, de

dooiers en het beschuitkruim door. Is dit alles goed dooreen geroerd,

dan roert men er pas het stijfgeklopte eiwit door. Men stort dit

mengsel in een vuurvasten, met boter bestreken schotel (bassi kàsàr),

laat ze eerst van onder, dan van boven gaar bakken. Is de taart stijf,

dan is ze gaar.

225. Biscuits d'anis. (anijsbeschuitjes)

2 1/2 ons suiker, 10 eierdooiers, 5 lepels bloem, een weinig anijszaad,

muisjes, 8 eiwitten tot schuim geslagen.

De suiker wordt met de eierdooiers hard geklopt, waarna men er het

bloem door heen roert, vervolgens het anijszaad en de geslagen 8

eiwitten, aldoor roerende.

Dan doet men dit beslag in een beboterden vorm en bakt het in

lagen. Als de lagen gebakken zijn, doet men er twee op elkander en

snijdt ze in dunne schijfjes, waarover men rose en witte muisjes

strooit.

226. Brillantine taartjes.

Iets meer dan 1/2 ons rijst (± 6 lood), het sap van 2 citroenen,

een weinig suiker, taartenkorst, vruchtengelei.

Men kookt de rijst goed gaar en doet er het sap der citroenen en een

weinig suiker bij.

Vervolgens maakt men van het taartenkorstdeeg taartjes in kleine

beboterde vormpjes.

Zijn deze gebakken, dan haalt men ze uit de vormpjes en vult ze met

de bereide rijstepap en bedekt deze met vruchtengelei.

227. Broeder.

Een brooddeeg ± 1 pond van 10 cents, (bij den Europ:, inl.: of

chineeschen broodbakker te bestellen), 20 eierdooiers, 1/2 pond

gesmolten boter, fijne witte suiker, 1 of 2 gestampte beschuiten.

Visser's Nederlandsch-Indisch Vegetarisch Kookboek · 第 4 / 9 段