Ook de Chineezen maken bij hunne recepten (met en zonder

varkensvleesch, bahmie, kiemloh, enz.) veel gebruik van de zoo zeer

gezochte taugé. Bij de vegetariërs kan ze als salade goeden dienst

doen. (zie no. 135).

126. Walòh.

(de gele pompoen).

Men neemt van de walòh een stuk af als men noodig acht, haalt er het

zaad uit en snijdt het afgesneden deel in kleine stukjes.

Deze worden, gedurende korten tijd, in weinig water, boven een zacht

vuur, spoedig gaar. Van het nat maakt men met citroensap, boter en meel

een stoofsaus en stooft de stukjes walòh hierin nog eenige minuten op.

127. Zuring.

Na het afrissen der blaadjes van de nerven, wascht men ze goed en

laat ze op een vergiet uitlekken. Verder wordt ze als de postelein

(no. 118) behandeld. Men kan de zuring den zoeten smaak geven, door

toevoeging van suiker of stroop. Er zijn velen, die er ook krenten

en rozijnen bijvoegen, of pruimen--in dit laatste geval bindt men de

zuring met maïzena in water aangemaakt.

F. SLASCHOTELS.

128. Aardappelsalade.

Overgeschoten of verschgekookte maar koude aardappelen worden aan

schijfjes gesneden en daarna goed geroerd (gefatigueerd) met de

volgende saus: op het sap van 1 kleine djeroek nipis 2 theelepels

slaolie--op 1 groote of 2 kleine djeroek nipis 3 à 4 theelepels slaolie

benevens een weinigje suiker naar smaak. Met deze olie maakt men het

kruim van een paar aardappels fijn, door alles goed te mengen.

Die saus wordt door de aardappelen geroerd.

Men kan ook de saladesaus no. 65, of een der mayonnaisesauzen no. 63

of no. 64 nemen.

129. Andijviesla.

Zeer malsche andijvie wordt goed gewasschen, schoongemaakt en van alle

onzuiverheden (slakken, enz.) ontdaan en zeer dun gesneden (iris)

als de rampéj. De verdere behandeling en verwerking tot sla is het

door elkander roeren van de fijne andijvie met de saus no. 65 of met

een der beide mayonnaisesauzen.

130. Boonensla.

(Van heeren-, spersie-, prinsesse- of slaboonen).

Gekookte boontjes worden evenals de andijviesalade bereid. Men kan

door de saus een paar gekookte aardappelen heenwrijven of een der

mayonnaisesauzen gebruiken. (No. 63 of 64)

131. Koolsla.

De hartjes van eenige kleine kolen worden zeer fijn gesneden (iris)

als de rampéj en daarna aangemaakt met olie en citroensap in de

opgegeven verhouding (no. 128). Men roert alles goed door elkander

en laat deze sla, vóór ze te gebruiken, een goed half uur staan.

132. Komkommer- of ketimoensla.

Een paar rijpe ketimoens worden met een komkommerschaaf fijngeschaafd

aan zeer dunne schijfjes--òf men snijdt ze met een mes aan zeer

dunne schijfjes,--waarna men ze goed door elkander roert met een der

opgegeven mayonnaisesauzen (no. 63 of no. 64).

133. Salade italienne.

Gekookte knolletjes (lobak), worteltjes (uit blik), bieten, worden

in verschillende figuurtjes gesneden (sterren, enz.) en alles in

vakken geschikt, rondom een pyramide van eenige aardappelenpurée. Om

de verschillende groentevakken stort men een der uitgekozen

mayonnaisesauzen.

134. Salade variée.

Worteltjes, doperwtjes, lobakjes, snijboonen, aspergepunten en

mayonnaisesaus.

Men maakt in een schotel een laag van snijboonen en plaatst daarop--in

het midden--de doperwtjes en aspergepunten, waaroverheen men een paar

lepels mayonnaisesaus stort. De overige opgegeven groenten komen er

in verschillende vakken om heen. Verder wordt er, bij het voordienen

van deze salade, nog mayonnaisesaus gepresenteerd, naar verkiezing

van hen, die meer saus wenschen.

135. Taugésla.

De taugé wordt half gaar (stengah mateng) gekookt en als gewone salade

verwerkt met een saus van citroensap en Genuaolie en, naar verkiezing,

een gekookt ei er door fijn gewreven.

136. Salade (gewone).

Kropsla. Van deze de buitenste bladeren verwijderen, de sla verder

goed schoonmaken, de blaadjes van de harde nerven afrissen, ze laten

uitlekken op een vergiet--of met de hand goed uitpersen (meres)

en verder met de vegetarische saus van citroensap, slaolie en een

fijngewreven aardappel bereiden en door elkander roeren. Men kan ook

mayonnaisesaus gebruiken.

137. Tomatensla.

Na de rijpe tomaten te hebben gewasschen, snijdt men ze aan dunne

schijven en bedekt deze met een der verschillende opgegeven sauzen. Men

laat de aangemaakte sla een goed uur staan, vóór het gebruik.

Men dient deze salade voor met kleine, uitgezochte kropjes salade,

om de tomaten geschikt.

Nog een voor Indië bijzonder geschikte salade is de

138. Palmietsla.

De jonge palmiet wordt aan kleine stukjes en reepjes gesneden en

verder geheel behandeld als de taugésla (no. 135).

N.B. Ter versiering van al deze verschillende slasoorten kan men een

of twee gekookte, gepelde eieren in 4e of 6e parten deelen en deze

over de salade netjes arrangeeren.

Bij

139. Vruchtensla

worden geen schijfjes eieren ter versiering gebruikt. Men kiest

daartoe de volgende vruchten: tomaten, mangga en ananas.

De tomaten worden aan zeer dunne schijfjes gesneden en deze bedruppeld

met citroensap.

Vervolgens worden de geschilde mangga's en ananas aan zeer kleine

stukjes gesneden en door de tomaten heen geroerd.

Van vele Indische vruchten kan men goede vegetarische saladen maken:

mangga, ananas, djeroeks (keprok, matjan enz.), djamblang (zonder

pitten, maar met zout) roekem, lobi-lobi, gendaria, djamboesoorten,

enz.

140. Zwitsersche sla.

Kropsla, zwitsersche geraspte kaas en mayonnaisesaus.

Men roert de kaas gedurende 10 minuten goed met de mayonnaisesaus

door elkander en fatigeert hiermede de kropslaatjes.

G. GESTOOFDE VRUCHTEN, COMPÔTES EN MOEZEN.

(boeboers).

1. GESTOOFDE VRUCHTEN.

141. Abrikozen. (gedroogde).

De abrikozen worden gewasschen en in water geweekt. Men stooft ze op

in hetzelfde weekwater en voegt er suiker naar smaak bij. Wil men ze

rood gestoofd hebben, dan voegt men er een heel of half splitglas--naar

de hoeveelheid abrikozen--bessensap aan toe.

Ook de

142. Pruimen (gedroogde),

ondergaan dezelfde bereiding; het bessensap wordt er, voor den

aangenameren smaak en voor de jus, bijgevoegd.

143. Ananas-stoof.

1 of 2 rijpe ananassen, het sap van 1 djeroek nipis, suiker en water.

De vruchten worden goed geschild, schoongemaakt en aan stukken

gesneden; reepen van 1/2 vingerlengte. Dan perst men er het citroensap

over, kookt ze met wat water en suiker goed gaar.

144. Gestoofde appeltjes.

Gedroogde zure appelen worden goed schoongemaakt, zoo noodig de

enkelen van de restant klokkenhuisjes en schilfers ontdaan en een

nacht in water geweekt. In datzelfde water moeten zij worden gestoofd

met suiker en een citroenschilletje.

Men bindt ze met wat maïzena, met water aangemaakt.

145. Gestoofde bananen (pisang).

Eenige stuks pisang-radja (1/2 of 1/1 sisir) worden geschild, aan

stukken schuin gesneden en met een weinig suiker, bessensap en wat

citroensap gestoofd.

Men kan ze binden met wat met water aangelengde maïzena.

146. Blimbing-assem. Stoof.

Groene, geen rijpe blimbings worden goed geprikt, met suiker

bestrooid--laag om laag--en een nacht zoo gelaten.

Daarna stooft men ze met het eigen water, wat er af is gekomen,

met nog wat water er bij en suiker naar smaak.

Men voegt er 1/4 glas ananasstroop bij, laat het zoo zachtjes

doorstoven, tot de blimbings gaar zijn. Men kan ze met wat aangemaakte

maïzena binden.

147. Gestoofde djamboe's.

Voornamelijk de djamboe-bol en de djamboe-bidji. Van deze laatste

haalt men de pitjes eerst goed weg en snijdt dan de djamboes aan

stukjes. Bij de djamboe-bol doet men suiker en, voor de kleur, een

weinig bessensap en kookt ze in water verder gaar. Men kan ze binden

met arrowroot of maïzena.

De djamboe-bidji of Guave wordt geschild--van de pitjes ontdaan

(naar verkiezing) en in water met suiker--desnoods ook met wat

bessensap--gaargestoofd. Ook deze djamboestoof kan men dik maken of

"binden", zooals overal elders reeds is aangegeven.

148. Gendaria, gestoofde.

Deze Indische wilde pruimensoort wordt goed schoongemaakt en, met de

schil en pit gekookt in weinig water en suiker naar smaak. Ze worden

te voren geprikt en mogen niet lang koken, daar ze spoedig gaar zijn.

149. Pepaja, gestoofde.

Halfrijpe pepaja's (mengkel) worden geschild, gehalveerd, van de

pitjes ontdaan en met wat water, suiker en citroensap, boven een niet

te hard vuur, gaar gestoofd.

150. Ramboetans, gestoofde.

De beste soort ramboetans voor dit gerecht is de ramboetan-atjéh. Ook

de ramboetan-boeloe kan men stoven. Men schilt de ramboetans en stooft

ze in hun geheel, met de pit er in, gaar, in wat water, suiker en

citroensap òf bessensap.

Men kan ze, naar verkiezing, binden met wat aangemaakte arrowroot

of maïzena.

151. Tjeriméj, gestoofde.

Rijpe tjeriméj's worden goed schoongemaakt, gewasschen en met water,

suiker en een weinig citroensap gaar gestoofd. Men kan ze met maïzena

binden of verdikken.

152. Woenie, gestoofde.

De Indische zwarte bessen, (woenie's) worden gewasschen en gaar

gestoofd in weinig water met suiker. Naar verkiezing kan men ze binden

en er voor den smaak citroensap (of ook kaneel) bijvoegen.

De ware vegetariërs gebruiken bij de stoofvruchten, bij voorkeur het

eigen water waarin de vruchten zijn gewasschen en geweekt en doen

er zoo weinig mogelijk suiker of eenig andere zoetigheid bij, om den

natuurlijken vruchtensmaak niet te laten verloren gaan. Zij nemen om

te "zuren", nooit chemische, doch altijd plantenzuren zooals citroen-

of bessensap.

153. 2. COMPÔTES

zijn, in 't algemeen, al deze zelfde gestoofde vruchten, maar dikker

gemaakt door méér arrowroot, gelatine, agar-agar of maïzena; de

vruchtengerechten komen echter dan koud op tafel.

Perziken, abrikozen, reine claudes, aardbeien, pruimen, moerbeien,

allen op water, worden zóó uit de flacons in glazen compôteschaaltjes

overgestort en voorgediend.

3. MOEZEN.

boeboers of papsoorten

(van gekookte en rauwe vruchten.)

154. Advocaat, rauwe, koude moes.

Rijpe advocaten worden geschild, schoongemaakt, van de pit ontdaan en

het vleesch der vruchten door eene zeef fijn gewreven. Men vermengt

ze daarna met suiker en citroensap.

155. Kawèsta of madja, rauwe, koude moes.

De vruchten slaat men stuk en haalt het binnenste met een lepel uit

de harde schaal.

Dat binnenste ziet er geelbruin en zwartbruin uit, gelijkt veel op

een bruine moes met vele kleine pitjes. Dit vruchtenvleesch lengt men

met water aan en bereidt ze verder met goela djawa tot een rauwe moes.

156. Zuurzak, rauwe, koude moes.

De groote, rijpe vrucht wordt in dikke mooten gesneden, de schil

er van afgehaald en daarna het vleesch, dat men als groote dikke

vlokken af kan halen, van de zwarte pitten ontdaan en door eene zeef

fijn gewreven.

Men vermengt deze vruchtenpap met citroensap en suiker en roert alles

goed door elkander.

157. Tamarinde moes.

de bekende "boeboer-assem" (gekookte moes.)

Eenige plakken rijpe tamarinde (assem) zooals die op de passars

verkrijgbaar zijn, (dan wel versche oude assem) worden goed uit

elkander gehaald, van de onzuiverheden en pitten ontdaan en met water

tot moes gaar gekookt. Het moes wordt dan door een zeef gewreven en

verder opgekookt met de noodige goela djawa. Is het moes niet dik

genoeg, dan kan men het binden met aangemaakte maïzena.

De "boeboer-assem" is in vele huishoudingen een zeer gezocht en

gezond nagerecht.

In vele inrichtingen, scholen enz. in Indië komt deze boeboer vaak

des avonds op tafel als een "toetje", zooals in Europa de karnemelk

met stroop.

158. Dadelmoes.

(boeboer-korma).

Rijpe, gesuikerde of geconfijte dadels, (korma), zooals men die op

de passars aantreft, worden uit elkander gehaald, gezuiverd, van de

langwerpige pitten ontdaan en met water opgekookt, daarna gezift

(door een tanggok) en met aangemaakte maïzena wat gebonden. Naar

smaak kan men er wat goela-djawa bij koken.

159. Gendariamoes.

(Indische pruimenmoes).

Rijpe geelachtige gendaria's worden goed schoongemaakt, van de

steeltjes ontdaan en dan kortop met water opgezet, waarbij men, onder

het koken, witte suiker voegt. Als ze gaar zijn, laat men ze wat

afkoelen, haalt er de pitjes uit en wrijft het vleesch der vruchten

door een zeef fijn.

Daarna kan men dit moes nog eens met wat goela djawa opkoken.

160. Kedoengdoengmoes.

Eenige rijpe kedoengdoengs worden geschild, schoongemaakt en in

heet water te weeken gelegd, desnoods zachtjes gestoofd. Men zift

ze daarna fijn en maakt van het moes een pap met wat dikke assem-

of ananassiroop en suiker naar smaak.

161. Manggamoes.

(boeboer-mangga).

8 à 10 half rijpe mangga's (mengkel) water, suiker, een weinig

djeroeksap en arrowroot of maïzena (aangemaakte) om te binden.

De mangga's (liefst mangga wangie) worden goed schoongemaakt, geschild,

in de helft gesneden, de groote pit (pelem) verwijderd en daarna

opgezet met water, tot ze gaar zijn gekookt. Daarna worden de stukken

mangga door een zeef fijngewreven en met suiker en citroensap opgekookt

en, zoo noodig, gebonden met de aangemaakte arrowroot of maïzena.

162. Abrikozenmoes.

Hetzelfde als hiervoren (no. 161) maken en alles door een zeef

fijnwrijven.

163. Appelmoes.

Hetzelfde als onder no. 161 maken en daarna de gestoofde stukjes

appelen door een zeef fijnwrijven.

Velen geven de voorkeur aan manggamoes--de Indische appelmoes.

164. Pruimenmoes.

Men doet evenals met de gedroogde pruimen (zie no. 142) en wrijft

alles door eene zeef fijn, zoodat de pitten achterblijven.

H. EENIGE SAMENGESTELDE GERECHTEN IN VUURVASTEN SCHOTEL.

165. Appelmoes met brood.

Men doet, in een vuurvasten schotel, laag om laag, met een weinig

boter op den bodem, brood, dan appelmoes, daarna weer brood dan een

laagje moes, de bovenste laag brood. Men laat den schotel 3/4 uur in

den niet te heeten oven bruin worden.

Het brood kan versch zijn, doch bij voorkeur neemt men oudbakken,

tot kruim gestampt brood.

Dezen schotel kan men varieeren b. v.

166. Appelmoes met brood en krenten.

Men neemt dan dunne sneedjes wit brood, welke men even met water

vochtig maakt, (besprenkelt), legt deze sneedjes onder in den

vuurvasten schotel, welks bodem met wat boter is bestreken en doet

op het brood een laagje appelmoes en daarop een laagje goed geweekte

gekookte krenten. Daarop wederom brood, dan wat appelmoes, krenten,

enz. afwisselend. Bovenste laag moet brood zijn. Men kan ook de

sneedjes brood in vanillesaus weeken.

In den oven laten, tot het brood bovenop een mooie lichtbruine

kleur heeft.

Op dezelfde wijze kan men

167. Manggamoes met brood

maken. In plaats van appelmoes neemt men dan boeboer-mangga.

168. Bloemkool met aardappelpurée.

Gekookte bloemkool (uit de flacon of flesch), het water worde niet

weggeworpen. Aardappelpurée.

In den vuurvasten schotel doet men een laagje boter, daarop een

laagje purée, welke vermengd is met bloemkoolnat, daarop de stukjes

gekookte bloemkool, dan weer de bereide purée en zoo voort, laag om

laag. Bovenop wat purée en hierover wat gestampt beschuitkruim met

een weinigje boter. Men plaatst den bereiden schotel in den oven,

laat ze gaar worden, tot de bovenkorst er bruin of lichtbruin uitziet.

169. Groenten met aardappelpurée.

Allerlei overgeschoten groenten (behalve kool) en aardappelpurée.

In een vuurvasten schotel, met op den bodem een weinig boter, doet

men een laag aardappelpurée, die met water en boter is bereid. De

gekookte groenten (peentjes, doperwtjes, peulen, snijboontjes,

aspergepuntjes enz.) worden samen gevoegd, fijngehakt en met boter

en citroensap vermengd en deze, laag om laag, op de purée gedaan

d. i. purée, groenten, purée, enz. Op de bovenste laag, purée, doet

men wat beschuitkruim met een kluitje boter. In den oven den korst

bruin of lichtbruin laten worden.

170. Macaroni met kaas.

Men kookt de macaroni, die gewasschen en in stukken is gebroken,

niet te gaar in water met een weinigje zout. Dan laat men de halfgare

macaroni in een vergiet goed uitlekken en doet daarvan één laag--de

onderste--in een vuurvasten schotel, waar, op den bodem, een weinigje

boter is gedaan. Dan neemt men de overige macaroni, snijdt deze aan

stukjes en vermengt dit met geraspte kaas en 2 of meer geklutste

eierdooiers. Deze massa doet men op de onderste laag macaroni,

klutst het wit van de eieren stijf en plaatst dit op de massa. Laat

dan alles in den oven gaar worden tot er zich een gele korst bovenop

heeft gevormd.

171. Tomaten met brood.

De tomaten worden, na gewasschen te zijn, in kokend water gelegd. Als

zij bijna week zijn, worden zij er uit gehaald en, over de breedte,

in tweeën gedeeld.

Nu doet men in een met boter besmeerden vuurvasten schotel éérst

een laagje sneedjes wittebrood (de korsten afgesneden) en daarop de

gehalveerde tomaten, dan weêr brood, enz. bovenste laag brood. Hierop

een weinig boter en dan het gerecht in den oven verder laten gaar

worden. Er moet zich bovenop een lichtbruin korstje vertoonen.

172. Uien en aardappelen.

De uien worden fijngesneden, in boter gefruit en, laag om laag,

afwisselend met plakjes of schijfjes aardappelen, in den vuurvasten

schotel gedaan, waar, op den bodem, boter is gestreken. De onderlaag

moet aardappelen zijn, ook de bovenste laag. Hierover beschuitkruim,

met wat boter.

Men plaatst den schotel in den oven en laat het gerecht gaar worden. De

bovenkorst moet er lichtbruin uitzien.

I. NAGERECHTEN.

173. Broodpap.

1 Liter melk op 1 ons brood, aan stukjes gesneden. Deze is de

standvastige verhouding.

Men zet de melk met een weinig water op en laat ze koken.

Als ze kookt, doet men er het brood bij en blijft er aanhoudend in

roeren, tot de pap dik wordt.

174. Boekweitegort met melk.

1 Liter melk op 1 1/4 ons boekweitegort, een zeer klein weinigje zout.

Men zet de melk op en laat ze koken. Als ze kookt, wordt, bij kleine

beetjes, nu en dan een handje vol, de gort en het zout er in gedaan

en de melk aanhoudend geroerd, tot ze dik is. Als de pap dik is,

wordt ze afgenomen en voorgediend met stroop of suiker.

175. Gewone gort.

1 Liter karnemelk (of melk) op 1 ons gort. De gort wordt een nacht

van te voren, desnoods eenige uren van te voren, in de karnemelk of

in de melk te weeken gezet, waarin ze moet worden gekookt.

Men brengt dan verder de gort in die melk aan den kook en laat ze zoo

doorkoken, tot de korrels gort goed zijn uitgedijd. Twee à drie uren

zachtjes koken.

Men eet deze gort met stroop of suiker.

176. Griesmeelpap.

1 Liter melk op 1 ons griesmeel, een klein weinigje zout. (Men kan er,

naar verkiezing, suiker bijkoken).

De melk wordt gekookt en daarna wordt, beetje bij beetje, het griesmeel

er door geroerd.

Men blijft er in doorroeren tot het meel gaar is en dik wordt.

Deze pap wordt met stroop of suiker gebruikt.

177. Haverdegortpap.

Dezelfde verhouding en dezelfde bereiding als de boekweitegort

(no. 174).

Ze moet op een zacht vuur langer doorkoken dan de boekweitegort.

178. Havermout.

Evenzoo dezelfde verhouding en bereiding als no. 174. Om klonteren te

voorkomen, wordt de mout ook bij beetjes in de kokende melk gedaan en

doorgeroerd. Dik geworden is de pap gereed. Men kan aan de havermout

een eigenaardigen lekkeren smaak geven, door er een weinig saffraan

aan toe te voegen.

179. Deensche brij.

1 1/4 Liter kokend water, 1 ons parelgort, 3/4 splitglas bessensap,

4 à 5 lepels krenten en evenveel rozijnen, 2 à 3 lepels witte suiker.

De parelgort wordt goed gewasschen en bij het kokende water gedaan. Men

laat ze zachtjes 1 à 1 1/2 uur koken. De rozijnen en krenten worden

goed gewasschen en met het bessensap en de suiker er doorheen

geroerd. Wordt de brij te dik, dan doet men er heet water bij.

180. Maïzenapap.

1 Liter melk op 1/2 ons maïzena (4 à 5 lepels)--vaste verhouding,

anders wordt de pap te dik.

Men kookt eerst de melk. Dan maakt men de maïzena aan, met een weinig

(van dezelfde) koude melk en voegt ze daarna bij de geheele hoeveelheid

kokende melk. Men blijve aanhoudend roeren. In eenige minuten is de

maïzena gaar en dik.

Men eet deze pap met suiker, stroop of goeladjawastroop.

Voegt men een weinigje zout bij de pap, die men dan wat dunner moet

koken, dan heeft men een goede vervangster (surrogaat) voor de zoo

zeer in Indië gewilde

181. Boeboer soemsoem,

die men altijd met goeladjawastroop moet gebruiken.

182. Rijst met krenten.

Een half pond rijst, een ons krenten, 2 theelepels zout.

Men neemt, om de rijst goed tot pap gaar te koken, op ééne hoeveelheid

rijst, drie maal dezelfde hoeveelheid water, b.v. 1 kopje rijst op

3 kopjes water.

Moet de rijst gaar en korrelig zijn (geen "pap") dan is de verhouding

1 rijst op 2 water.

Het halve pond rijst wordt, na goed te zijn gewasschen, met zout en

water opgezet in de verhouding als hierboven opgegeven: 1 rijst op

3 water.

De krenten worden gewasschen en 10 minuten met weinig water gekookt. Is

de rijst gaar, dan voegt men er de gekookte krenten bij en roert alles

goed door elkander. Men eet deze rijstepap met suiker (ook wat kaneel

er bij, naar verkiezing.)

183. Rijst met karnemelk.

1 1/2 ons rijst, 1 liter karnemelk.

De rijst wordt schoongewasschen, daarna opgezet met koude

karnemelk. Langzaam doorroeren, tot alles kookt. Men laat daarna de

rijst nog eenigen tijd uitdijen.

Men gebruikt deze pap met witte suiker.

184. Rijstenbrij.

Op 1 1/4 liter melk 150 gram rijst (voor matig dikke brij.) Wil men

dunne brij hebben, 100 gram en dikke brij, 200 gram rijst op dezelfde

hoeveelheid melk.

De melk wordt gekookt in een schoone pan, die eerst met helder versch

water is omgespoeld en de rijst, die goed is gewasschen, wordt er dan,

al roerende, ingestort.

Men blijft doorroeren, tot de melk is doorgekookt, waarna men de

rijst en melk nog 1 1/2 uur samen zacht laat koken.

Men gebruikt de rijstenbrij met witte suiker.

185. Saffraanrijst.

Dezelfde verhouding als hierboven en voor 10 cents saffraan (bij den

apotheker te ontbieden.)

Dezelfde bereiding als hierboven, no. 184, terwijl men bij de in de

melk gestorte rijst de saffraan voegt en deze laat medekoken.

Deze gele rijstepap wordt met witte suiker gebruikt.

185a. Prinses Julianarijst.

Hetzelfde maar roode kleurstof bij de gele saffraan mengen, voor

de oranjekleur.

186. Tapiocapap.

1 1/4 Liter melk op 1 ons tapioca.

De tapioca wordt gewasschen, in de melk te weeken gezet en daarna

in diezelfde melk gekookt. Nu en dan moet men roeren, ter voorkoming

dat de tapioca aanzet. Is ze gaar, dan laat men het gerecht nog een

à 1 1/2 uur boven een zacht vuurtje doorkoken, opdat de tapioca zich

behoorlijk kan uitzetten.

Ze is, gaar zijnde, doorschijnend-glazig.

Men gebruikt ze met witte suiker.

187. Vermicellipap.

1 Liter melk, vermicelli naar eigen bevinding (± 1 ons.)

Men laat de melk koken, breekt er de vermicelli in en al zacht

roerende, laten gaar worden. (± 3/4 uur à 1 uur.)

Wordt met witte suiker gebruikt.

188. Jan in den zak I.

1 Pond bloem, 1/2 pond krenten, 1/2 pond rozijnen, 3 eieren, 1/2 ons

gist (of 'n paar lepels legèn), 1/2 flesch melk, een weinig zout. Naar

verkiezing 1/2 ons zeer fijngehakt sucade, lauw-warm water.

Men maakt van al de ingrediënten een beslag, als volgt: de bloem

wordt in eene kom gedaan, een kuiltje er in; eieren geklutst en in

het kuiltje gestort. De gist wordt met wat lauwwarme melk aangemaakt

en daarbij gedaan--of men voegt er de legèn bij--. Nu gaat men deze

massa, van het midden uit, roeren, zelfden kant om, en zoo lang roeren,

onder telkens toevoeging van wat melk, tot deze op is en alles een

glad, gelijk deeg is geworden.

Daarna roert men het zout, de krenten, rozijnen en stukjes sucade door

het beslag, dat men dan 3/4 à 1 uur op een warme plaats laat rijzen.

Is ze goed gerezen, dan doet men het beslag in een schoonen linnen

doek of zak, (sarong-bantal), die men van binnen met boter heeft

besmeerd. Den zak bindt men een handbreed (of iets meer) boven

het beslag, toe, om dat te laten uitzetten. Den zak in een pan met

lauwwarm water doen en zoo laten koken. Na 1 1/2 uur omkeeren en

op dezen kant ook laten koken. Onder het koken moet de zak dikwijls

worden opgehaald, opdat hij drijven blijft en niet op den bodem van

den kookketel (of de pan) gaat rusten.

Men haalt, als hij gaar is, den Jan uit den ketel èn uit den zak en

gebruikt hem met keukenstroop.

Een andere wijze van

189. Jan in den zak II

is: het deeg in een met boter ingesmeerden en met paneermeel

bestrooiden puddingvorm te doen en ze dan gedurende 3 uren "au bain

Marie" te koken.

Visser's Nederlandsch-Indisch Vegetarisch Kookboek · 第 3 / 9 段