51. Gewelde botersaus.

Men kookt water en neemt b. v. op 1 ons boter 1 kopje kokend

water. Men slaat de boter tot schuim of room en doet er, steeds

langzaam roerende, het kokende water door. Deze gewelde boter moet

er zeer gebonden uitzien.

52. Bruine botersaus.

Een lepel boter en een lepel meel. (Voor één persoon; naar het aantal

personen neemt men natuurlijk meer boter en meel).

Men laat de boter bruin worden in een pan, laat ze even afkoelen,

doet er een weinig heet water, al roerende bij en, om de saus dik te

maken, voegt men er het meel bij, dat met water is aangelengd. Men

roert dan verder deze saus, tot ze dik wordt.

Sommigen voegen een scheutje soja aan deze saus toe.

53. Witte botersaus.

Bloem, boter en kokend water.

Van bloem en boter wordt een dik deeg gemaakt, dat men vervolgens door

kokend water roert, tot alles een witte, dikke gebonden saus wordt.

54. Champignonsaus.

Boter, bloem, gebakken uitjes, citroensap of peterselie, zout naar

smaak, het nat der champignons uit blik.

Het meel (bloem) wordt in boter bruin gefruit; daarna doet men er

langzaam aan het opgewarmde champignonsnat bij; nu hakt men de helft

van den inhoud van het blik zoo ragfijn mogelijk en roert deze gehakte

champignons met de fijngehakte gebakken uitjes goed door elkander en

voegt dit, al roerende door de saus.

Deze saus giet men over het gerecht, dat bereid wordt, terwijl de

andere helft der champignons in boter wordt gestoofd en als versiering

dient van het gerecht. In de rondte er om heen geschikt.

55. Eiersaus.

4 eieren, 2 lepels boter, op elk ei 1 lepel water, (hier dus 4 lepels

water), zout naar verkiezing, en citroensap naar smaak.

N. B. In plaats van 4 eieren kan men 2 eieren en 1 lepel maïzena of

bloem nemen, die met koud water is aangemaakt.

De eieren 5 minuten kloppen; daarna doet men er een tikje zout in,

dan het water en, 't laatst, het citroensap. Steeds kloppen.

Deze saus doet men, al roerende in een pan en deze, door blijvende

roeren, au bain Marie, tot de saus is gebonden en het schuim is

opgelost.

Nu neemt men de pan uit den bain Marie en roert voorzichtig de boter

door deze saus, tot zij geheel is versmolten.

56. Kappertjessaus.

2 à 4 eetlepels kappertjes en het nat der kappertjes.

Dezelfde bereiding als de champignonssaus. Alleen behoeven de

kappertjes niet--als de champignons--te worden fijngemaakt of gehakt.

57. Peterseliesaus.

Een lepel gehakte peterselie, warme witte-botersaus.

De warme botersaus wordt, even vóór het opdienen, vermengd met de

fijngehakte peterselie, die men er door heen roert.

58. Tomatensaus.

4 of 6 tomaten, bloem, boter, fijngesneden gebakken uitjes (òf

citroensap).

De tomaten wasschen, in vieren snijden en in zooveel water opzetten,

dat zij precies onder water staan. Als ze gaar zijn, worden ze door

eene zeef fijngemaakt. (Het water werpe men niet weg--kan voor soep

dienen!)

Nu fruit men boter en bloem bruin, doet er de gezifte tomaten,

de uien en een weinig tomatennat bij en roert alles goed dooreen,

op een zacht vuurtje, tot de saus gebonden is.

Wil men deze saus rood of rose laten zijn, dan late men de uitjes

achterwege en gebruikt citroensap, terwijl men boter en bloem wit

(niet bruin) fruit.

59. Uiensaus (witte).

Witte botersaus, gestoofde uien, boter. (Bombay uien).

Uien schillen, aan schijfjes snijden en met boter en een weinig

water stoven. Daarna maakt men witte botersaus (no. 53) en roert er

de gestoofde uien door heen.

60. Uiensaus (bruine).

Bruine botersaus en gebakken, fijngesneden uien.

Men voegt de gebakken uien bij de gemaakte bruine botersaus (no. 52)

en roert dit samen, al kokende, door elkander.

61. Zure saus.

Zie eiersaus (no. 55).

62. Stoofsauzen

in het algemeen, worden bereid door de samenvoeging en verdere

bereiding van boter, bloem en het nat van een of andere groente.

Het hangt er natuurlijk van af, voor welk gerecht deze saussoort moet

worden gebruikt. Bij witte sauzen, b.v. voor knolletjes, bloemkool,

schorseneeren, zorge men, dat het meel of de bloem niet bruin wordt

gefruit. Bij bruine boonen wordt de saus dus natuurlijk bruin gefruit.

2. KOUDE SAUZEN.

63. Mayonnaise.

4 eierdooiers, 2 kopjes sla- of olijfolie (d. i. Genuaolie),

citroensap.

De 4 eierdooiers worden gedurende 1/4 uur geklopt en dan langzaam,

lepelsgewijze, steeds roerende, toegevoegd aan de slaolie, waarna

men er, aanhoudend roerende, druppelsgewijze het citroensap bij voegt.

64. Tweede mayonnaisesaus.

Een eierdooier, 3/4 lepel bloem, 1 klein kopje water, 1 klein kopje

melk, 2 lepels Genuaolie, citroensap, gehakte peterselie.

Men klopt den dooier flink met de bloem en voegt er, langzaam aan,

het water, de melk en één lepel Genuaolie, al roerende, bij. Onder

gestadig roeren op een zacht vuur koken, tot alles gebonden is. Is deze

saus daarna koud geworden, dan doet men er de andere lepel slaolie,

het citroensap en de gehakte peterselie, al roerende, bij.

65. Saladesaus.

1 hardgekookt ei, 1 rauw ei, 2 kopjes melk, 2 lepels citroensap.

Men wrijft het gekookte ei fijn, liefst door eene zeef, en vermengt

het met het rauwe ei en de melk. Daarna verwarmt men dit mengsel boven

een zacht vuurtje, al roerende, tot het dik wordt. Het mag niet koken.

Met stort vervolgens deze saus in een schaal, laat ze bekoelen en

roert er, koud geworden, de 2 lepels citroensap door.

3. ZOETE SAUZEN.

Vruchtensauzen.

Deze sauzen kan men van alle versche vruchten, jams of marmelades

maken, b.v. van ananas, enkele djeroeksoorten. (De meeste Indische

vruchten leenen er zich helaas niet toe, omdat zij, hoewel rijp en

zoet, niet veel smaak hebben en geen geur voor "sauzen", zooals de

Europeesche vruchten). Hoe zoude een sirikaja-, een namnam-, een

doekoe-, een ramboetan-, een papajasaus smaken? Men zou toch altijd

zijn toevlucht moeten nemen tot eenige essence, b.v. marasquino,

oranjebloesemwater enz. Daarom worden vele sauzen door de vegetariërs

gemaakt van jams, marmelades en vruchten op water, ook van sappen en

siropen. En zoo heeft men:

66. Aardbeiensaus.

1/1 of 1/2 blik of potje aardbeienjam, 1 kopje water, 1 lepel

aangemaakte sago of maïzena. Een weinigje citroensap.

Men roert, op een zacht vuur, de jam met het water en het citroensap

samen, bindt het, zoo noodig, met de aangemaakte sago of maïzena.

Op dezelfde wijze maakt men:

67. Abrikozensaus,

68. Grenadinesaus (van siroop),

69. Frambozensaus,

70. Kersensaus en

71. Pruimensaus.

Dezelfde bestanddeelen (als de sausnaam aangeeft) en bereiding.

Zoo maakt men ook van de vruchtensappen sauzen, b. v.

72. Frambozensaus, enz.

73. Guavesaus.

4 of 5 rijpe djamboe-bidji, een paar lepels suiker, water, een paar

lepels aangemaakte maïzena, citroensap.

De gele (rijpe) djamboe-bidji's worden zeer dun geschild, daarna

met suiker en water gestoofd, tot ze gaar zijn. Hierna zeeft men de

vruchten, met het nat, door de zeef.

Het gezifte wordt dan opgekookt met het citroensap en, naar verkiezing,

met de maïzena gebonden.

Bij zachtgekookte rijst smaakt deze saus zeer goed.

74. Terra-cotta-saus.

(van bessensap gemaakt).

Een splitglas bessensap, 1/2 splitglas water, 1 à 2 lepels aangemaakte

maïzena, 3 à 4 lepels suiker, 1 stukje kaneel, (vingerlengte).

Het bessensap wordt met het water, de suiker en het kaneel gekookt,

daarna met de aangemaakte maïzena aangelengd en dit samen geroerd,

tot de saus dik wordt.

75. Caramelsaus.

4 à 5 lepels witte suiker, 2 lepels water, 1/3 flesch melk, 2 lepels

maïzena òf 3 geklutste eierdooiers.

Men braadt de suiker droog in een wadjan, tot ze lichtbruin ziet,

voegt er zachtjes, al roerende, het water bij en daarna de eierdooiers

en de melk. Doorroeren tot de saus gebonden is.

76. Pêle-mêle-saus.

(Vruchtensaus).

1/4 flesch frambozenstroop, 1/4 flesch bessensap, 1/4 pond suiker, 1

pijpje kaneel, een half liqueurglaasje citroensap, 2 lepels aangemaakte

sago of maïzena.

Men kookt te zamen op de frambozenstroop, het bessensap, de suiker

en het kaneel.

Als dit gekookte begint op te borrelen, bindt men het met

de aangemaakte sago of maïzena en voegt er, al roerende, het

liqueurglaasje citroensap bij.

4. MELKSAUZEN.

77. Amandelsaus.

Een halve flesch melk, een lepel maïzena, een rolletje amandelpers

(of een handvol geraspte of fijngestampte zoete amandelen, kenari's

of ketapang) suiker naar smaak.

Men breekt of ontbolstert de kenari's of de ketapang, haalt er de

schilletjes (velletjes) af en stampt ze fijn in een loempang batoe.

Nu kookt men de melk met de amandelpers (of met de gestampte kenari's)

onder toevoeging van een lepel aangemaakte maïzena, tot de saus dik

is geworden. Laat deze dan bekoelen en roert er vervolgens naar smaak,

zooveel suiker bij, als men verkiest.

78. Citroensaus.

De geraspte schil van een djeroek-nipis of djeroek-keprok. Een halve

flesch melk, suiker naar smaak en 1 à 1 1/2 lepel aangemaakte maïzena.

De geraspte schil wordt met de melk gekookt, daarna gezeefd; men

doet er dan suiker naar smaak bij en bindt de saus met de aangemaakte

maïzena.

79. Vanillesaus.

1 stokje vanille, 1/2 flesch melk, 4 à 6 lepels suiker, 3 eierdooiers,

1 à 1 1/2 lepel aangemaakte maïzena.

De melk koken met de vanille en de suiker. Men klopt intusschen de

eierdooiers, roert de maïzena door de kokende melk en als deze dik

begint te worden, voegt men er, al roerende, de eierdooiers bij.

VLA'S.

80. Bessenvla.

1/2 flesch bessensap, 3 geklopte eierdooiers, 1 1/2 eetlepel

aangemaakte maïzena, 2 ons rozijnen, suiker naar smaak.

De rozijnen worden goed gewasschen en een nacht geweekt; de 1/2 flesch

bessensap wordt daarna met het rozijnenwater te vuur gezet. Daarna

worden, onder het koken, de eierdooiers en de maïzena met een paar

lepels suiker, er door geroerd. Als deze vla dik begint te worden,

voegt men er de rozijnen, al roerende, bij.

81. Citroenvla.

5 eieren, 1 1/2 ons suiker, 1/4 liter water, het sap van 3 citroenen,

geklopt eiwit.

Men klopt de vijf eierdooiers met de suiker tot een witte massa, doet

daarna het water er bij en kookt dit in een pannetje "au bain Marie".

Als deze vla warm begint te worden, doet men er, al roerende, het

citroensap bij en, als de vla dik begint te worden, de helft van het

stijfgeklopte eiwit. Doorroeren!

Is de vla dik geworden, dan wordt ze op een vlaschotel gestort en de

andere helft van het stijfgeklopte eiwit er netjes om heen geschikt.

82. Vanillevla.

Dezelfde bereiding als de vanillesaus, maar, om dikker te maken,

gebruikt men meer eieren, melk, suiker en maïzena, b. v. 1 flesch melk,

4 à 6 eierdooiers, een paar lepels suiker en 4 à 5 lepels maïzena.

CRÊMES.

83. Crême of melkvla.

1/2 flesch melk, 1/2 stokje vanille, 1 1/2 ons suiker, 2 lepels

rozewater, 8 eierdooiers.

De melk met de vanille koken; de eierdooiers met de suiker kloppen;

daarna het rozewater er bij doen en dit samen, bij de melk, al

roerende, voegen en alles au bain Marie behandelen. Dik koken.

Is de crême gebonden, dan stort men haar in een vochtig gemaakten

crêmeschotel over.

84. Crême brûlée.

1/2 liter melk, 5 eierdooiers, 2 1/4 ons suiker.

Van 100 gram (1 ons) suiker maakt men caramel. De eierdooiers worden

met de resteerende 1 1/4 ons suiker wit geklopt.

Men warmt deze witgeklopte massa au bain Marie en roert ze tot ze

dik wordt.

Men kookt intusschen de melk en voegt deze, langzaam roerende, bij

de dik geworden massa, zoomede de caramel.

Men blijft dan doorroeren, tot alles een gebonden massa wordt.

De vla overstorten in een glazen schaal en garneeren met geklopt eiwit.

85. Sago-crême.

1/2 flesch melk, een paar lepels suiker, een stukje fijngehakt

citroenschil, een eetlepel sago, 2 eierdooiers.

De melk wordt met de suiker en de fijngehakte citroenschil gekookt

en daarna gezeefd.

De sago wordt dan met 'n paar lepels van deze melk aangemaakt,

daarna met al de melk opgekookt, tot ze doorschijnend begint te

worden, waarna men er de 2 geklopte eierdooiers door heen roert,

erbij zorgende, dat het niet schift.

Alles overstorten in een vlaschotel en warm opdienen.

86. Vanille-crême

is precies gelijk als de vanillevla.

Over het algemeen zijn de crêmes en de vla's geheel aan elkander

gelijk.

E. GROENTEN EN PLANTENDEELEN.

Zoowel voor de Europeesche, als voor de Indische tafel dienen alle,

althans de meeste groenten en plantendeelen.

Welk een rijke verscheidenheid levert Indië niet op? De werken van

Hasskarl, Greshoff en Hekmeijer geven tal van eetbare vruchten,

groenten en plantendeelen op.

87. De aardakker.

(Koemeli of koemeli-kentong--Javaansche aardappel).

Deze zwarte, kleine knolachtige gewassen (de wortels) worden in hun

schil gekookt, dan gepeld en, als de aardappelen, door de inboorlingen

gegeten. Ook Europeanen lusten deze inlandsche aardappelen.

88. Aardeikels.

(Katjang tjina en k. tanah).

Worden gekookt en gepeld, ook geroosterd en gepeld. Ze zijn zeer

voedzaam en zijn bekend als de "katjang-gorèng."

89. Aardvruchten.

(Obi dangdoer, of ketèlla pohon, obi djawa of ketèlla.)

Deze knolgewassen maakt men schoon en kookt ze in de schil. De ketèlla

pohon wordt evenwel eerst geschild. Deze soort is de zoete cassave,

in tegenstelling van de bittere cassave, die, ongekookt, vergiftig

is. Bij koken verdwijnen hare vergiftige eigenschappen.

Uit de cassave wordt, in Zuid Amerika, (ook op Sumatra) meel bereid,

bekend als de "tapioca."

De obi djawa of ketèlla zijn langwerpig van vorm en kunnen vrij groot

worden. Zij worden in de schil gekookt. Men heeft de roode en de

witte obi. De roode is zoeter van smaak en ziet er van binnen geel uit.

De inboorlingen nuttigen ze als aardappels en maken er ook, met

goeladjawa, zoete versnaperingen van. (De kollak).

90. Aardappels.

(Kentang.)

Deze welbekende knolsoort wordt gewasschen en al of niet geschild

gekookt. Meestal worden zij geschild.

Men zet de geschilde aardappelen, met een weinig zout, in koud of in

kokend water op. Na ± 20 minuten koken, prikt men er met een vork in,

om te onderzoeken of zij zacht en gaar zijn geworden.

Men zet ze dan af, giet het water af en laat ze, zonder water,

even uitdampen. Men moet den pot nu en dan schudden, dan worden zij

"kruimig."

Van gekookte, in schijfjes gesneden, aardappelen maakt men

91. Gebakken aardappelen

door ze, in boter of Genuaolie, aan beide zijden lichtbruin te bakken.

Men zorge, dat de aardappelen in kokend-heete boter of Genuaolie

worden gebakken.

92. Aardappelenpurée

wordt gemaakt van fijngewreven gekookte aardappelen, heete melk met

of zonder boter.

93. Hutspotsoorten van aardappelen

met verschillende groenten of plantendeelen, maakt men door de gekookte

(of rauwe) aardappelen met een of andere groente te vermengen, als:

a. Aardappelen met knollen,

b. ,, ,, kool,

c. ,, ,, koolrabi,

d. ,, ,, bieten,

e. ,, ,, worteltjes,

f. ,, ,, peterselie,

g. ,, ,, selderie,

h. ,, ,, uien, dan worden de rauwe aardappelen met de

uien samen gekookt,

i. ,, ,, laboebladeren (als boerekool),

k. ,, ,, laboe (zoetig),

l. ,, ,, pisang (echt vegetarisch),

enz. enz. enz.

94. Asperges

uit blik of bereid met stoofsaus, welke saus men uit het asperge-nat

bereidt met boter, pala en wat meel.

95. Andijvie of sesawie.

Wordt op dezelfde wijze gemaakt. Men snijdt de andijvie of sesawie

aan stukken en kookt ze dan af met of zonder zout. Deze groente moet

in haar eigen vocht (het aanhangende water) koken.

Daarna stooft men de andijvie of sesawie, na ze op een vergiet te

hebben laten uitlekken, met een weinigje boter en bloem (desnoods

ook met wat melk er bij) op.

96. Bieten of kroten.

Een of twee bosjes bieten, maïzena, boter, citroensap, water, een

weinigje suiker.

Men schilt de bieten, snijdt ze in schijven, zet ze met een weinig

water en boter op, boven een zacht vuur, tot ze gaar zijn en bindt ze

dan met de aangemaakte maïzena, terwijl er wat suiker en een weinig

citroensap, voor den smaak, wordt bijgevoegd.

97. Bieten met gedroogde zure appelen.

De zure appelen worden een nacht in lauw water geweekt en in datzelfde

water gekookt, met wat suiker naar smaak en één citroenschilletje. Dan

worden zij vermengd met de bieten, die reeds, als onder no. 96,

gekookt zijn en door elkander geschud en daarna in de schaal ter

tafel gebracht.

98. Bloemkool,

wordt in Indië in flacons aangevoerd. Men giet het water af uit

de flacons, kookt nog even de bloemkool op en giet er een witte

bloemkoolsaus over. Deze saus kan men maken van melk, meel, boter,

één geklutst eierdooier en het bloemkoolnat.

99. Brusselslof of cichorei.

Wordt ook uit blik of flesch genomen en, evenals de bloemkool, met

een witte saus bereid. Men kan ze ook enkel met boter behandelen.

100. Boerekool, (van jonge laboebladeren).

Men rist de lange bladeren van de vrij dikke stengels af en kookt

ze op met water en een tikje zout. Men kan er dan, met aardappelen,

hutspot van maken. (Zie no. 93).

101. Bombay-uien.

De uien worden geschild, eene kruis er dwars over gesneden, gestoofd

in water, boter en een weinig zout, tot ze gaar zijn en daarna gebonden

met meel, dat in water is aangelengd. Men kan er een weinig citroensap

bij gebruiken.

Het meel worde bij voorkeur met het uiennat ('t gekookte water)

aangelengd.

102. Boonen

in verschillende benamingen, als heeren-, prinsesse-, sla- of

spersieboonen.

Worden alle op dezelfde wijze bereid. Men haalt ze af, breekt ze

en verwijdert er alle draadjes van, dan wascht men ze en zet ze met

water en wat zout op, boven een zacht vuur. Als ze gaar zijn, is het

water gewoonlijk ingekookt. Dan worden ze met wat boter, gedurende

een paar minuten opgestoofd en nu en dan in den pot geschud.

103. Bruine en witte boonen.

(katjang djògò).

De boonen worden geweekt en daarna in 't zelfde water gekookt. Versche

boonen behoeven niet te worden geweekt. Het water moet ± 2 vingers

breedte boven de boonen staan. Zijn de boonen half gaar, dan voegt

men er een weinig zout bij. Men laat ze dan verder gaar koken.

Witte boonen (gedroogde) worden geweekt en ondergaan overigens

dezelfde bereiding.

Voor maaglijders, toch liefhebbers van bruine boonen, wordt de raad

gegeven, de boonen niet in hun geheel te laten, maar ze te pletten,

te zeeven of ziften en er, met een kluitje boter, purée van te maken.

104. Boonen. (Snij-)

(katjang boontjies).

Worden met het snijboonmesje fijngesneden (geschaafd) en, naar de

hoeveelheid, opgezet met 'n paar kopjes water, 'n paar lepels boter en

een weinig zout en suiker, naar smaak. Men laat ze dan, dichtgedekt,

gaarstoven. Nu en dan moeten zij (in den pot) worden omgeschud.

105. Doperwten.

Gewoonlijk uit blik. De fijnste en jonge Indische doperwten,

b. v. die uit Tjipanas, zijn nog vrij hard. Zij worden met een

weinig van het eigen nat en wat boter gaargestoofd, gedurende eenige

minuten. Liefhebbers van jonge erwtjes doen er dan nog een weinigje

suiker bij.

106. Jonge Djagoengpitten.

(maïs.)

Van eenige jonge djagoengs snijdt men de pitjes af van de kolven en

worden deze pitjes in een weinig water gekookt of gestoomd en daarna

met boter, suiker en een weinig zout opgestoofd.

107. Erwten en capucijners,

worden, evenals de bruine en witte boonen, geweekt en verder gekookt

en bereid.

In den regel maakt men van de erwten een purée. Van de erwten maakt

men de snert of erwtensoep.

108. Knollen.

(lobak).

Men schilt de lobaks, snijdt ze daarna aan schijfjes of reepjes,

wascht ze en zet ze met weinig water op een zacht vuur.

Men gebruikt deze knollen met eene melksaus. (witte bloemkoolsaus,

zie bij no. 98; ook no. 62).

109. Kool.

De kool wordt schoongemaakt, van de buitenste bladeren ontdaan, in

vieren gesneden en met water en een weinig zout, op een zacht vuur

gekookt, tot ze bijna gaar is.

Als de kool bijna gaar is, wordt ze er uitgehaald en laat men ze op een

vergiet uitdruipen. Daarna wordt ze gehakt en verder gestoofd in met

boter lichtgeel gefruite bloem en melk (of in het eigen kooknat). Men

laat ze dan nog goed gaarstoven.

110. Kool rabi of raba.

Koolrapen, een soort knolraap, die na schoongemaakt te zijn tot groente

wordt aangewend. 2 of 3 koolrabi, witte melksaus (no. 62), boter.

Koolrapen worden geschild, in lange stukjes gesneden en in boter

gestoofd. Met melksaus gebruikt, als de knollen (no. 108).

111. Komkommers.

(ketimoen of bonteng).

De komkommers worden geschild, aan stukken gesneden (de harten (pitjes)

er uitgehaald) en gaargestoomd in een weinig water met een weinig

zout. Als ze gaar zijn, stooft men ze verder op met een eiersaus,

(zie no. 55) en laat ze zoo nog eenige minuten op een zacht vuurtje

sutteren.

Ze worden echter weinig als gestoofde groenten bij aardappelen

gebruikt.

112. Kropsla.

De kroppen worden van de buitenste harde bladeren ontdaan, vervolgens

goed met frisch water schoongemaakt en er flink doorheen gehaald,

om zand en diertjes (slakken) te verwijderen. Zijn ze schoon, dan

worden ze gekookt in ruim water met wat zout; vervolgens laat men ze

op een vergiet uitlekken en stooft men ze in een vuurvasten schotel

met boter en bovenop wat beschuitkruim. Men kan er naar verkiezing

een weinigje zout aan toevoegen.

113. Laboe.

De laboe wordt geschild, in stukjes gesneden en verder bereid als

knollen (no. 108) of als de komkommers (no. 111).

114. Liefdesappels of tomaten.

(een zeer gezocht vegetarisch eten).

Groote, rijpe tomaten worden in warm water even opgekookt, daarna

van het dunne schilletje ontdaan en verder gestoofd in een pan met

boter. Dichtgedekt.

Men kan ze, desgewild, met wat aangemaakte maïzena, binden.

115. Palmiet. (de top der arèn- en klapperboomen.)

De jonge, zachte (witte) palmiet wordt even schoongemaakt, aan stukjes

gesneden en verder gekookt, gestoofd en bereid als de knolletjes

(no. 108).

116. Pepaja.

Jonge pepaja's worden geschild, aan reepen gesneden, in water en

weinig zout gekookt en daarna met een bloemkoolsaus (no. 98) begoten

en zoo voorgediend. (Gelijken op de holl. knolletjes.)

117. Peulen.

(katjang kapri).

Peulen uit blik stooft men met boter en een tikje suiker op.

Versche peulen worden als sla- en prinsesseboonen (no. 102)

behandeld. Men zet ze op met een weinig water, boter, suiker en zout,

en schudt den pot nu en dan om.

118. Postelein.

(krokot of gèllang).

Wordt gewasschen en zonder water opgezet. Men moet ze vooral eerst

terdege van al het onkruid zuiveren. Na het wasschen laat men de

postelein op een vergiet goed uitlekken, waarna men ze pas, zonder

water, opzet. Op een zacht vuur zal de postelein gaan smelten. Als

ze gaar is, wordt ze weêr op het vergiet gedaan en van het nat met

in boter lichtgeel gefruite bloem, maakt men een saus, waarin dan de

postelein verder wordt gaargestoofd.

119. Prinsesseboonen.

Zie boonen (no. 102).

120. Roode kool. (blikgroente).

Wordt met boter, bessensap, suiker en een weinig zout samen

opgestoofd. In de plaats van bessensap kan men citroensap gebruiken.

121. Selderij.

Men wascht de selderij en snijdt ze in stukken van een vinger lengte.

Men zet ze op met weinig water en weinig zout, boven een zacht vuur. Na

een groot kwartier is ze gaar en legt men ze op een vergiet. Van het

nat maakt men een sausje van boter en bloem, waarin men de selderij

verder laat gaarstoven.

122. Salade. (als stoofgroente).

De salade goed schoonmaken van vuil en diertjes, ook van de buitenste

harde bladeren ontdoen en ze daarna koken, stoven en verder behandelen

als de andijvie (no. 95).

123. Schorseneren. (blikgroente).

Worden als de knollen behandeld, gestoofd en met een witte stoofsaus

(no. 98) overgoten en aldus voorgediend.

124. Spinazie.

(bajem).

Moet goed worden schoongemaakt, van alle vuil, diertjes en onkruid

ontdaan en verder zonder water, maar met een weinigje zout worden

opgezet. De verdere behandeling geschiedt als bij de postelein

(no. 118).

In plaats van bloem in boter gefruit neemt men wel eens beschuitkruim

of stukjes brood, die men met het spinazienat fijnmaakt.

Als de spinazie wordt voorgediend, garneert men het gerecht met

stukjes bruingefruit brood en in vierde parten gesneden gepelde

gekookte eieren.

125. Taugé.

(uitspruitsels van de katjang idjoe).

Hoewel niet direct als groente in het dagelijksch leven gebruikt,

speelt zij een voorname rol in de indische (en als salade) in de

europeesche keuken. Ze wordt met een weinig zout opgezet en half gaar

gekookt, zoo, dat de spruitsels nog knappen.

Visser's Nederlandsch-Indisch Vegetarisch Kookboek · 第 2 / 9 段