Uit den aard der zaak zal een menu voor vegetariërs niet en

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project

Gutenberg (This book was produced from scanned images of

public domain material from the Google Books project.)

VISSER'S NEDERLANDSCH-INDISCH VEGETARISCH KOOKBOEK

DOOR

Mevr. J. M. J. CATENIUS--VAN DER MEIJDEN.

Schrijfster van de bekroonde werken:

"Het Volledig Nederlandsen-Indisch Kookboek", "De Specerijen en

Ingrediënten der Rijsttafel", "Ons Huis in Indië", enz.

Lauréate van het "Institut International d'alimentation, de

cuisine et d'hygiëne à Paris."

WELTEVREDEN - AMERSFOORT

N.V. BOEKHANDEL VISSER & Co.

1911.

In 1909 reeds verscheidene maanden bezig aan de samenstelling van

een degelijk Vegetarisch Kookboek voor de tropen, dat tot dusverre

niet bestaat, werd mijne aandacht getroffen door de vraag no. 132

(in het blauwe gedeelte van het "Damesweekblad voor Indië" no. 4,

dd. 5 Aug. 1909), waarin gevraagd wordt naar zoo'n specifiek Indisch

Vegetariërsboek.

Toen was mijn besluit genomen en werkte ik stelselmatig door, tot ik

aan een beproefd, volledig Vegetarisch kookboek het leven gaf en dat,

naar ik hoop, in antwoord op bovenaangehaalde vraag, in vruchtbare

aarde zal vallen, vooral omdat het vegetarisme in Indië, trouwens

overal, telkens meer aanhangers wint. Voor uitsluitend gebruik in

Indië bestemd, wordt ook alles met versche kruiden bereid. Voor

Holland eischt echter de toepassing een speciale kennis der gemalen

en flauwer smakende specerijen, zoodat een onervaren kookster veelal

mistast in de verhoudingen die, ook onderling, tusschen de specerijen,

geheel anders worden; wèl het voornaamste bij alle bereiding.

Mijn bijzonderen dank betuig ik aan den Directeur en den Bibliothecaris

van het Koloniaal Museum te Haarlem, voor hunne gewaardeerde hulp en

zeer belangrijke diensten.

's Gravenhage, Zoutmanstr. 52.

1911. J. M. J. C. v. d. M.

INHOUD.

Blz.

Inleidend Woord 1

De vegetarische menu's 10

I. De Hollandsch-Indische vegetarische keuken.

A. Soepen (grondstoffen) 13

1 Aardappelsoep 14

2 Bieten- of krootensoep 14

3 Boonensoep (br. en witte boonen) 14

4 Bajem- of spinaziesoep 15

5 Champignonssoep 15

6 Duitsch-Amerikaansche soep 15

7 Erwtensoep (katjang-idjoe-soep) 16

8 Groentesoep 16

9 Koolsoep 17

10 Linzensoep 17

11 Macaronisoep 17

12 Prei- en selderijsoep 18

13 Sesawiesoep 18

14 Tomatensoep 18

15 Uiensoep 18

16 Uiensoep met roux 19

17 Vermicellisoep 19

Zoete soepen.

18 Abrikozensoep 19

19 Bidarasoep 20

20 Chocoladesoep 20

21 Citroensoep 20

22 Karnemelksoep 21

23 Zoete zuringsoep 21

B. Voorgerechten.

24 Aardappelcroquetten 22

25 Bruine boonencroquetten 22

26 Witte boonencroquetten 23

27 Erwtencroquetten 23

28 Koolcroquetten 23

29 Koolcroquetten, gevuld met purée 23

30 Linzencroquetten 23

31 Pasteitjes, gevulde 23

32 Idem, idem 24

33 Eierpasteitjes 24

34 Rijstcroquetten 25

35 Schijngehakt, van gekookte aardappelen 25

36 Schijngehakt, van linzen (Katjang Kòrò) 25

37 Spinazie- of bajemcroquetten 26

C. Eiergerechten.

38 Zacht gekookte eieren 26

39 Hard gekookte eieren 26

40 Roereieren 27

41 Gebakken eieren 27

42 Columbus eieren 27

43 Kampersteur 28

44 Omelet 28

45 Omelet met kaas 28

46 Fransche omelet (omelet met peterselie) 28

47 Spiegeleieren 29

48 Verloren eieren 29

49 Zwitsersche eieren 29

D. Sauzen, Vla's, Crêmes. 30

1e Warme sauzen.

50 Botersaus 30

51 Gewelde botersaus 30

52 Bruine botersaus 30

53 Witte botersaus 31

54 Champignonsaus 31

55 Eiersaus 31

56 Kappertjessaus 32

57 Peterseliesaus 32

58 Tomatensaus 32

59 Uiensaus (witte) 33

60 Uiensaus (bruine) 33

61 Zure saus 33

62 Stoofsauzen 33

2e Koude sauzen.

63 Mayonnaise 34

64 Tweede mayonnaisesaus 34

65 Saladesaus 34

3e Zoete sauzen.

Vruchtensauzen. 34

66 Aardbeiensaus 35

67 Abrikozensaus 35

68 Grenadinesaus (van Grenadinesiroop) 35

69 Frambozensaus 35

70 Kersensaus 35

71 Pruimensaus 35

72 Frambozensaus 35

73 Guavesaus 36

74 Terra-Cottasaus 36

75 Pêle-mêlesaus 36

4e Melksauzen.

77 Amandelsaus 37

78 Citroensaus 37

79 Vanillesaus 37

Vla's.

80 Bessenvla 38

81 Citroenvla 38

82 Vanillevla 39

Crêmes.

83 Crême of melkvla 39

84 Crême brûlée 39

85 Sago-crême 40

86 Vanille-crême 40

E. Groenten en plantendeelen.

87 de Aardakker (Koemeli) 40

88 Aardeikels (Katjangsoorten) 41

89 Aardvruchten (obi) 41

90 Aardappels 41

91 Gebakken aardappelen 42

92 Aardappelenpurée 42

93 Hutspotsoorten van aardappelen (11 soorten) 42

94 Asperges 43

95 Andijvie (sesawie) 43

96 Bieten of krooten 43

97 Bieten met gedr. zure appelen 43

98 Bloemkool 43

99 Brusselslof of cichorei 44

100 Boerekool (laboebladeren) 44

101 Bombay uien 44

102 Boonen 44

103 Bruine en witte boonen (katjang djògò) 45

104 Boonen (snij-) 45

105 Doperwten 45

106 Jonge djagoengpitten (maïs) 45

107 Erwten en capucijnders 46

108 Knollen (lobak) 46

109 Kool 46

110 Koolrabi 46

111 Komkommers 47

112 Kropsla 47

113 Laboe 47

114 Liefdesappels of tomaten 47

115 Palmiet 48

116 Pepaja 48

117 Peulen (katjang kapri) 48

118 Postelein (krokot of gèllang) 48

119 Prinsesseboonen 49

120 Roode kool (blikgroente) 49

121 Selderij 49

122 Salade (stoof) 49

123 Schorseneeren 49

124 Spinazie (bajem) 49

125 Taugé 50

126 Walòh (de gele pompoen) 50

127 Zuring 50

F. Slaschotels.

128 Aardappelsalade 51

129 Andijviesalade 51

130 Boonensla 52

131 Koolsla 52

132 Komkommersla 52

133 Salade italienne 52

134 Salade variée 52

135 Taugésla 53

136 Salade (gewone) 53

137 Tomatensla 53

138 Palmietsla 54

139 Vruchtensla 54

140 Zwitsersche sla 54

G. Gestoofde vruchten, compôtes en moezen.

1. Gestoofde vruchten.

141 Abrikozen (Gedroogde) 55

142 Pruimen (idem) 55

143 Ananas (stoof) 55

144 Gestoofde appeltjes 55

145 Gestoofde bananen (pisang) 56

146 Blimbing assem stoof 56

147 Gestoofde djamboes 56

148 Gendaria, gestoofde 56

149 Pepaja, gestoofde 57

150 Ramboetans, gestoofde 57

151 Tjeriméj, gestoofde 56

152 Woenie, gestoofde 57

153 2. Compôtes 58

3. Moezen.

154 Advocaat, rauw 58

155 Kawèsta, ,, 58

156 Zuurzak, ,, 59

157 Tamarinde moes (boeboer-assem), gekookt 59

158 Dadelmoes, gekookt 59

159 Gendariamoes, gekookt 60

160 Kedoengdoengmoes, gekookt 60

161 Manggamoes, ,, 60

162 Abrikozenmoes, ,, 60

163 Appelmoes, ,, 61

164 Pruimenmoes, ,, 61

H. Eenige gerechten in den schotel of pan.

165 Appelmoes met brood 61

166 Idem met brood en krenten 61

167 Manggamoes met brood 62

168 Bloemkool met aardappelpurée 62

169 Groenten m. id 62

170 Macaroni m. kaas 63

171 Tomaten m. brood 63

172 Uien en aardappelen 63

I. Nagerechten.

173 Broodpap 64

174 Boekweitegort m. melk 64

175 Gewone gort 64

176 Griesmeelpap 65

177 Haverdegortpap 65

178 Havermout 65

179 Deensche brij 65

180 Maïzenapap 66

181 Boeboer soemsoem (Holl.) 66

182 Rijst met krenten 66

183 Rijst met karnemelk 67

184 Rijstenbrij 67

185 Saffraanrijst 67

185a Prinses Julianarijst 68

186 Tapiocapap 68

187 Vermicellipap 68

188 Jan in den zak I 68

189 Jan in den zak II 69

190 Knoedels 70

191 Flensjes 70

192 Flensjes met vulsel 70

193 Flensjestaart 70

194 Pannekoeken 71

195 Poffertjes 71

K. Puddingen, taarten en verdere gebakken.

1. Warme puddingen.

196 Aardappelpudding 72

197 Amandelpudding 73

198 Broodpudding 74

199 Laz Olas 74

200 Macaronipudding 75

201 Rijstpudding 75

202 Sagopudding 76

203 Vruchtensappudding 76

204 Zwampudding 77

2. Koude puddingen.

205 Abrikozenpudding 77

206 Agar-agar 78

207 Amandelpudding 78

208 Ananaspudding 79

209 Blanc-manger 80

210 Chocoladepudding 80

211 Citroenpudding 80

212 Citroenrijstpudding 81

213 Griesmeelpudding 81

214 Maïzenapudding 82

215 Riz à la Condé 82

216 Rödgröd 83

217 Sucre brûlé 83

3. Taarten en gebak.

218 Aardappeltaartjes 83

219 Aardappelkoekjes 84

220 Aardappelcroquetten (Parijsche) 84

221 Amandeltaart 85

222 Anijskoek (seed cake) 85

223 Beignets 86

224 Beschuittaart 86

225 Biscuits d'anis (anijsbeschuitjes) 86

226 Brillantine taartjes 87

227 Broeder 87

228 Klapperkoekjes 88

229 Klappermacronen (polo's) 88

230 Klappertaart 88

231 Omelet soufflé 89

232 Moscovisch gebak 90

233 Roomtaart 90

234 Soezen 91

235 Theebanket 91

236 Tulband 92

237 Wafelen 93

237a Wentelteefjes 93

238 Zandtaart 94

239 Zandtaartjes 94

II. Indische vegetarische keuken.

(Alles met versche specerijen, kruiden, enz.)

L. De rijsttafel met bijgerechten. 95

240 Rijst (nasi) 96

241 Nasi goerie 98

242 Nasi gorèng 98

243 Nasi koening 99

244 Nasi tim 99

245 Ketan (kleefrijst) 99

246 Gablok 100

247 Lemper 100

M. Sajoers.

248 Sajoer assem 100

249 Sajoer bajem (of sajoer menie) 101

250 Sajoer bòbòr 101

251 Sajoer bajem djagoeng 101

252 Sajoer boontjes 102

253 Sajoer blindjoe 102

254 Sajoer kèllor 102

255 Sajoer klèntang 103

256 Sajoer kloewak (brongkòs) 103

257 Sajoer lemeng 103

258 Sajoer loddèh 104

259 Piendang telor 104

260 Toemis van groenten 105

261 Toemis van andijvie enz. 105

262 Toemis pollong 106

263 Toemis boontjes 106

264 Toemis katjang kapri 106

N. Enkele kerriesoorten.

265 Amé kemoeté 106

266 Kerrie laksa telor 106

267 Kerrie tèrong 107

O. Gekookte groenten voor lalap's.

268 Lalap andijvie 107

269 Verschillende lalaps (8 soorten) 107

P. Schijnsambalans.

(of gado's.)

270 Gado gorèng bawang 107

271 Gado gorèng blimbing 108

272 Gado gorèng boontjes 108

273 Gado gorèng katjang pandjang 109

274 Gado ketimoen 109

275 Gado gorèng klappa 109

276 Gado klappa mentah 110

277 Gado gorèng pepaja 110

278 Gado gorèng petéh 111

279 Gado poja 111

280 Gado gorèng telor 111

281 Gado gorèng dadar 112

282 Gado gorèng tjeplok 112

Q. Eenige petjels.

283 Petjel mangga moeda (trantjam) 112

284 Petjel selderij 113

285 Petjel taugé 113

286 Djanganan 113

R. Eenige bebòtòks.

287 Bebòtòk Betawi 113

288 Bebòtòk djantong pisang 114

289 Bebòtòk djawa (met kool-Banda) 114

290 Bebòtòk kool 115

291 Bebòtòk timbool van geraspten klapper 115

S. Andere bijgerechten.

292 Seroendèng katjang bras 116

293 Seroendèng djagoeng 116

294 Frikadel djagoeng 116

295 Rempah klappa 117

296 Gefarceerde ketimoens 117

297 Gefarceerde tèrongs 118

298 Gepofte tèrong 118

298a Kroepoek blindjoe 119

T. Eiergerechten.

299 Dadar djawa (omelet) 119

300 Dadar isi (kaber koebertoe) 119

U. Chineesch.

301 Bahmie 120

302 Kiemloh 121

303 Tjoan tahoe 121

304 Laksa tjina 122

V. Boeboers, Kwé-kwés.

305 Boeboer assem 123

306 Boeboer salak of tjòtjò 123

307 Boeboer santen 123

308 Boeboer soemsoem 124

309 Boeboer pieso 124

310 Dawet of tjèndol 125

Kwé-kwé's.

311 Ananasprol 125

312 Manggamoesprol 126

313 Chineesche pasteitjes 126

314 Dòdòl 127

315 Gemblong 127

316 Kwé assem 128

316a Kwé bidaran 128

317 Kwé bika 129

318 Kwé bingka 129

319 Kwé boegis 129

320 Kwé klepon 130

321 Kwé lapis djawa 131

322 Kwé loempoer sorga 131

323 Kwé ondé-ondé 132

324 Piloos 132

325 Kwé pisang (lambangsari) 133

326 Kwé poetoe 133

327 Kwé serabi 134

328 Kwé soemping 135

329 Kwé talam 135

330 Kwé talam djagoeng 136

331 Kwé wadjiek 136

332 Tangkoewé 136

333 Tèntèng 137

334 Timoes 137

335 Pisang gorèng 138

W. Indische confituren (manisans).

336 Kolang-kaling 138

337 Verschillende manisans in 6 soorten 139

Over natuurlijke en plantaardige kleurstoffen 140

Iets over de vruchten 142

Ten slotte 146

INLEIDEND WOORD.

Wat is een vegetariër? Iemand, die zich onthoudt van voedings- en

genotmiddelen, tot welker voortbrenging of bereiding dieren moeten

worden gedood.

De vegetariër gebruikt echter wel de dierlijke producten, als melk,

eieren, en al wat daarvan kan worden gemaakt, als kaas, boter enz.

De benaming "vegetariër" is ontleend aan het Latijnsche woord

"vegetus", dat gezond, opgewekt, krachtig, beteekent.

De afleiding is dus niet ontstaan door, noch afgeleid van "vegetabilis"

dat plantenkost beteekent.

Smalend worden de vegetariërs wel eens graseters genoemd, terwijl

de geestige, monotone liedjes van Speenhoff een loopje trachten te

nemen met de volgers van het gezondste leef- en eetrégime ter wereld.

Zijn liedje:

"Maandag boonen

Dinsdag boonen

enz. enz. enz."

is zeer bekend; men schatert het uit van 't lachen, maar vele lachers

zijn reeds bekeerd en maken weer, op hun beurt, bekeerlingen.

Men kan met al de Indische planten, groenten en vruchten, boter

en eieren, gerechten genoeg bereiden, zonder vleesch, visch en

gevogelte. En vooral in het planten- en vruchtenrijke Indië geldt

het vegetarische leven meer nog dan in de koude landen.

Men wordt eerder ziek van vleeschgebruik dan omgekeerd, terwijl

daarbij de matigheid in elk gebruik--mede een vegetarische eisch, die

allengs is geworden een gewoonte--van alle voeding wèl gezonde doch

geen zieke menschen maakt. Men bedenke dat, zelfs bij vruchtgebruik,

Overmaat

Altijd schaadt.

Twee hoofdbeginselen hebben de vegetariërs er toe gebracht, aldus

matig en zonder gebruik van vleesch te leven.

Het eene hoofdbeginsel berust op het Zesde Gebod: "Gij zult niet

doodslaan". Maak geen levend schepsel dood, eene vlieg evenmin

als een schaap, een rund of een duif. Gij kunt een schepsel het

leven niet geven, ontneem het dan ook zijn leven niet! Velen, dit

gebod streng doorvoerend, vinden het gebruik van koemelk eene roof,

gepleegd op de kalveren, wien de moedermelk wordt onthouden. Ergo:

geen melk; daaruit volgt: geen boter, geen kaas, enz. Die op dit

systeem voortbouwen, gebruiken, streng genomen, ook geen eieren,

omdat er leven, althans de levenskiemen van kuikens in zitten.

Zulke strenge vegetariërs nemen slechts plantaardige voedsels tot zich,

die op velerlei wijzen bereid worden, hetzij gekookt dan wel gebakken,

of ook wel rauw worden genuttigd.

Velen echter versmaden dien strengen vorm en gebruiken, in ruimeren

zin de voedingskwestie opvattende, wel eieren, ook melk en boter,

hoewel zeer vele gerechten en sauzen, in plaats van met boter, met

(Genua)-slaolie worden bereid. Ook gebruiken zij kaas en andere

melkproducten.

Hier, in Indië, waar de klapperolie goedkoop en versch is en bij

de bereiding van de rijsttafel een schier onmisbaar artikel vormt,

is zij het aangewezen surrogaat voor de boter, omdat deze in het

veelvuldig gebruik duur is.

Daar vele Europeanen evenwel niet tegen de versche, zoetige lucht der

klapperolie kunnen, wordt hen aangeraden, de zeer bekende en overal

verkrijgbare Genuaolie (Genuine Oil) te nemen. Deze wordt niet van

de katjangs gemaakt, doch van de fijnste olijven.

Men weet, uit ervaring, hoe de inlanders--onze inheemsche

bevolking--wegens de goedkoopte katjangolie in stede van klapperolie

gebruiken, welke laatste soort zij liever ter markt brengen.

Men neme derhalve boter of olijfolie, onze bekende slaolie.

Tot zooverre, in algemeenen zin, het vegetarische voedsel, beschouwd

uit het eerste oogpunt: "dood geen dier!"

Het andere hoofdbeginsel, gegrond op de natuurkundige kennis van den

mensch, zijn bouw, zijn gebit, zijn verteringsorganen, mijdt alle

vleesch in welken vorm ook, omdat, in de eerste plaats, de mensch

van nature een "vruchten- en planteneter" is.

Zijn gebit namelijk, is voorzien van snij- en maal- of kauwtanden

(de kiezen), niet van slagtanden, bijt- en trektanden, zooals de

viervoetige roofdieren. Bovendien heeft het menschelijk gebit de

malende beweging, evenals de grasetende runderen, enz. d. w. z. de

kaken (kiezen) bewegen zich naar links en rechts over elkander en

kunnen dus het gekauwde vermalen. Roofdieren malen het vleesch niet;

zij rukken het stuk, verslinden het daarna (bijt- en trektanden).

Het menschelijk lichaam is--ik wees er reeds op in mijn werk: "Ons Huis

in Indië" afdeeling voeding--hoofdstuk VI letter b. pag. 57--evenals

eene machine, die onderhouden moet worden door toediening van

brandstof, welke wij, voor ons lichaam, "ons voedsel" noemen.

Dat voedsel bestaat uit eiwitten, koolhydraten, zetmeel,

stikstof, vetten, enz. welke alle bij het spijsverteringsproces

hun aandeel hebben in de verwerking en chemische omzetting dier

"mensch-brandstoffen." Ook ons speeksel oefent daarbij invloed uit

op het voedsel en maakt dit geschikt tot opname in de maag.

De eiwitten nu, van het vleesch afkomstig, kunnen, zonder eenig

nadeel voor de instandhouding van een gezond en krachtig gestel,

door de planteneiwitten worden vervangen.

Men ziet het aan de apensoorten die, in de natuur, niets anders

zijn dan fructivoren (vruchteneters) bij uitnemendheid. Zijn zij

daarom minder sterk in krachtsontwikkeling en lichaamsbouw dan de

menschen? Immers neen! Integendeel. Maar wij, menschen, hebben,

van de vroegste tijden af, ons onoordeelkundig gevoed met alles, wat

de aarde opleverde en nog oplevert, ook met vleesch, dat in allerlei

vormen en op honderde wijzen toebereid ter tafel komt. Alles groepeert

zich in den regel om de vleeschspijzen als hoofdschotels.

De meeste geneesheeren hebben zich reeds lang van de idée en het

begrip losgemaakt, dat vleesch noodig is, dat "vleesch" vleesch maakt

en schrijven tegenwoordig zwakken en herstellenden weinig of heelemaal

geen biefstuk, bouillons, enz. meer voor.

Al naarmate van hun opname van verschillende voedingsstoffen en

voedselsoorten, worden alle dieren der schepping, ook het redelijke

dier "de mensch", verdeeld in drie hoofdgroepen:

1e. de carnivoren (vleeschverslinders) d. z. de viervoetige roofdieren

en hunne familiën: honden, wolven, katten, enz.

2e. de omnivoren, d. z. de dieren, die alles eten, de mensch vooraan!

3e. de fructivoren [1] d. z. de apen en alles wat slechts of

voornamelijk leeft van vruchten, planten, plantendeelen, gras, enz.

Wat nu de bereiding der voedingsstoffen betreft, is deze verdeeld in:

1e. fruitarisme d.w.z. het gebruik van uitsluitend planten en vruchten

in rauwen toestand. Dus niets gekookt of verder bereid.

2e. végétalisme, dezelfde voedingsstoffen, doch naar verkiezing rauw

of gekookt en verder bereid.

3e. végétarisme, dat, naast de vruchten en planten, ook eieren, melk,

boter, kaas enz. toelaat, met koken en bakken en rauw, waar men zulks

verkiest of noodig acht.

Dit laatste, "végétarisme", wordt in dit werk behandeld. Het is wel een

teeken des tijds, dat overal--nu zelfs in Indië--gevraagd wordt naar

vegetarische recepten. Het eene (de recepten, het koken en bereiden)

hangt nauw samen met het andere gedeelte van het vegetarisch beginsel,

n.l. het vegetarisch leven. Jammer, dat het vegetarisme weinig ernstige

navolging vindt.

In den beginne is de navolging dan ook zeer moeilijk en moet men

geleidelijk er toe overgaan, en nooit, abrupt, in eens. De overgang is

te groot en zou stellig stoornissen teweeg brengen in onze gezondheid,

in onze jarenlange gevolgde gewoonten.

Dat nu en dan daarbij een brokje vleesch wordt gebruikt, zal zelfs

den vegetariër niet schaden, zegt de bekende doctor J. Schrijver in

diens werkje: "De Keuken" (pag. 35-48).

Ik geef den raad: word vegetariër of word het niet, maar àls ge 't

wordt, word het dan goed en streng, zonder uitsluitend fructivoor

te zijn.

Gebruik boter of olijfolie en bereid, waar het noodig is, uw voedsel

door koken, bakken, enz. Waar het niet noodig is (slasoorten) wordt van

zelf, evenals bij vruchtengebruik, niet gekookt, gestoomd of gebakken,

hoewel men het wèl kan doen.

Eindelijk worde hierbij nog aangeteekend dat de ware vegetariër,

behalve het vleesch, het gevogelte en visch, zooveel mogelijk (of

geheel) mijdt het gebruik van zout, alle scherpe en sterke specerijen,

azijn, koffie, thee, alle alcoholica, alle gistende, of beter gegiste

producten, zooals de tapé, de sagoewir, schadelijke, weinig voedende

en zwaar op de maag liggende vruchten (nangka), enz. Hij drinkt zoo

weinig mogelijk, zelfs water in geringe hoeveelheid. Zout verwekt

dorst; zout nalatend zal men weinig dorst behoeven te lesschen.

Alvorens tot de recepten over te gaan, volgen hier nog enkele

raadgevingen van algemeenen aard, voor het vegetarische leven, voor

de inrichting der vegetarische keuken en de oordeelkundige bereiding

der spijzen.

De wenken voor het vegetarische leven, die evengoed voor

niet-vegetariërs gelden, zijn in hoofdzaak de volgende:

1e. Men ete nooit haastig, maar neme er den noodigen tijd voor,

zoodat men het voedsel goed kauwt,

2e. Men onderhoude goed zijn gebit, omdat daarvan de goede

spijsvertering afhangt,

3e. Ouden van dagen en zij die geen of een slecht gebit hebben,

moeten zooveel mogelijk zachte kosten en spijzen gebruiken,

4e. Men geve de kauw- en verduwingsorganen (o. a. bij oude, tandelooze

menschen, hun kakebeen en tong) de noodige rust,

5e. Onderhoud goed den mond en de tanden, door ze rein te houden

(cariolspoeling en borsteling), (zie punt 2),

6e. Spijzen mogen nooit te heet of te koud zijn. Als de vegetariër

drank gebruikt, zij deze ook nimmer te koud of te heet, wijl het

glazuur der tanden er spoedig door wordt aangetast en barstjes zal

vertoonen,

7e. Men zij matig en ete nooit te veel aan den maaltijd,

8e. Er moet minstens 5 à 6 uur verloopen tusschen twee maaltijden,

onverschillig op welken tijd van den dag die maaltijden worden

gehouden,

9e. De vegetariër zal niet eten, als hij er geen behoefte aan voelt;

derhalve vast hij van tijd tot tijd vrijwillig en slaat één maaltijd

over. Zoodoende geeft hij zijn verteringsorganen een poosje rust

(zie punt 4).

Wat de keuken en de bereiding der voeding aangaat, gelden de volgende

voorschriften:

1e. Zindelijkheid op alle vaatwerk en op de te bereiden spijzen. Veel

spoelen en schoonmaken. Beter is watervermors dan spaarzaamheid en

gemakzucht. Het water kost toch niets.

2e. Geen potten, pannen en vaatwerk gebruiken, die aanleiding

tot vergiftiging zouden kunnen geven. Geen koperen of inférieur

geémailleerd vaatwerk.

3e. De bereiding der spijzen moet zoo zijn, dat deze, zelfs zonder

zout, met smaak worden genuttigd.

4e. Men lette er op, dat geene der spijzen te hard koken (op een te

heet vuur te snel koken) omdat de meest smakelijke vluchtige deelen

op deze wijze zich door de lucht verspreiden.

5e. Weekwater werpe men niet weg; evenmin koke men groenten of

andere spijzen af, omdat men met het water de voor de gezondheid zoo

belangrijke voedingszouten roekeloos onnadenkend wegwerpt.

6. Men make nooit de spijzen "smakelijker" door toevoeging van sterke

kruiden of verdere bijvoegsels, omdat deze de verteringsorganen

prikkelen, tot overmatig gebruik van drinken en eten aanzetten en

dikwijls giftige stoffen--in alle geval nadeelige stoffen--bevatten,

die in onze organen voorbijgaande of chronische ongesteldheden kunnen

veroorzaken.

7e. Bij het koken sluite men de potten en pannen goed dicht; dan blijft

de damp (stoom) in den pot, doordringt de spijs en maakt deze goed

gaar. Men gebruike daarbij geen hard gestookt, doch een regelmatig

zacht vuur. Aanbevelenswaardig zijn voor deze behandeling--vooral

van aardappelen en groenten--de goed sluitende stoomkokers, waarvan

verschillende goede soorten bijzonder verkrijgbaar en te bestellen zijn

bij verschillende Hollandsche handelaren in huishoudelijke artikelen en

ijzerwaren, o.a. de stoomkoker Beveridge en de stoomkoker Vingerhoets

en nog andere systemen, welke kokers niet door de dandang of wat ook

zijn te vervangen.

Familiën in Holland, die, naar Indië terugkeerend, aldaar vegetarisch

willen gaan leven, raad ik ten zeerste aan, zich bij zoo'n handelaar

te voorzien van een oven, waarin houtblokjes of areng wordt gestookt,

dààr tevens een der stoomkokers van de bekende systemen te koopen en

zich verder op de hoogte te stellen van de zoogenaamde hooikist, waarin

het gedeeltelijk gare eten geheel gaar wordt, met behoud van kracht,

geur en nat. Ook zulk een hooikist kan men, naast tal van andere

huishoudelijke zaken voor de keuken en goedang, bij verschillende

firma's bekomen. Ik voorzie mij overal van alles, billijk en tot

mijne bijzondere tevredenheid.

DE VEGETARISCHE MENU'S.

Uit den aard der zaak zal een menu voor vegetariërs niet en nooit

zoo uitgebreid zijn als dat, waarin alle mogelijke voedingsmiddelen

en voedingsstoffen voorkomen. Een gevolg van de omstandigheid, dat

de echte, ware vegetariër het gebruik vermijdt van vleesch, in allen

vorm en soort, van azijn, van vele prikkelende middelen (dus van vele

indische specerijen), zelfs, zooveel mogelijk, van zout, dat echter

wel op tafel staat. Dat het vegetarische maal iemand, die er niet

aan gewend is, eenigszins tegenvalt, zal geen verwondering baren;

maar weldra wordt het gebruik gewoonte en zal hij er zich niet over

te beklagen hebben en er zich gezond, frisch en sterk (spierkrachtig)

bij bevinden.

Het vegetarisme heeft in de laatste twintig jaren zoodanige uitbreiding

gekregen, dat overal in Europa vegetarische keukens en restaurants

zijn verrezen, ja, dat zelfs, om tegemoet te komen aan menschen,

die zeereizen ondernemen naar Amerika en naar Indië en het verdere

Azië, aan boord van verscheidene passagiersbooten (b. v. die der

Rotterdamsche Lloyd: s. s. Sindoro) vegetarische voeding wordt

verstrekt.

Menschen, die het vegetarisch régime volgen, doen altijd goed, om, eer

zij passage naar- of van Indië nemen of bespreken, zich te vergewissen,

dat aan boord ook vegetarisch zal worden voorgediend; voor hen,

die er aan gewend zijn, is zulks eene kwestie van groot belang.

De indeeling der recepten in dit boek is naar de volgorde gerangschikt,

zooals men gewoonlijk het maal gebruikt. De vegetariër wijkt echter

dikwijls af van die volgorde omdat weinig, zoowel in verscheidenheid

van gerechten als in hoeveelheden, bij hem op den voorgrond staat.

Het neemt niet weg, dat een receptenboek de vrije en ruime keuze

moet aanbieden die hier achter in de volgorde voorkomen van: soepen,

voorgerechten, (hors d'oeuvres), eiergerechten, sauzen, vla's,

crêmes, groenten en plantendeelen, vruchten en compôtes, slaschotels,

panspijzen of gerechten in vuurvasten schotel, nagerechten, puddingen,

taarten en enkele gebakken benevens de

Indische vegetarische keuken

in de volgorde van: Rijst, ketan, sajoers, kerrie's, lalaps,

schijnsambalans of gado en gado-gado, petjels, bebòtòks, verdere

bijgerechten, eiergerechten, chineesche gerechten, boeboers, kwé-kwé's

en manisans.

Voorbeelden van Vegetarische menu's.

{ Prij- en selderijsoep

{ Boonen croquetten

{ Hutspot : aardappelen

Holl. Ind. menu { met een of andere groente

{ rijstschoteltje

{ pudding

{ vruchten.

{ Rijst

{ sajoer

{ gado-gado

Indisch menu { schijngehakt

{ omelet (Indische)

{ kwé-kwé

{ pisang.

I.

DE HOLLANDSCH-INDISCHE VEGETARISCHE KEUKEN.

A. SOEPEN. (GRONDSTOFFEN).

Hoewel de soepen niet behooren tot de gerechten, die streng-vegetariërs

gebruiken, mogen enkele daarvan niet onvermeld blijven, vooral omdat

de zoete soepen waaronder de vruchtensoepen, zoo in het végétarische

kader vallen.

Het bezwaar dat soep niet voor de spijsvertering bevorderlijk is,

althans dat voor een degelijke spijsvertering het kauwen der spijzen,

zonder nat, doch met eigen speeksel, noodzakelijk is, is niet van

zoo overwegenden aard, om dit menugedeelte te bannen.

Men begint de maaltijden met eene of andere soep.

Voor de soepen zijn de grondstoffen: boter met meel- of olie met meel

en water.

1 ons boter op 2 lepels meel worden goed vermengd en met kokend

water, onder gestadig omroeren, tot een lijmige roux gemaakt, die

men, op allerlei wijzen en met verschillende bestanddeelen, verder

kan bereiden tot soepen en zelfs tot sauzen.

Voor bruine soepen en bruine sauzen moet het meel te voren worden

gefruit d.i. bruin of lichtbruin gebrand.

1. Aardappelensoep.

Een tiental stuks overgeschoten aardappelen maakt men, met heet

water, fijn en zift dit. Vervolgens hakt men een paar worteltjes

en wat peterselie fijn en voegt dit bij het vorige nat. Nu neemt

men, volgens eigen idee, wat bruine roux, lengt dit met een weinig

water aan, voegt er het nat bij, en laat alles samen koken, tot de

worteltjes--en peterselie gaar zijn.

N. B. Men kan ook rauwe aardappelen raspen en ze daarna met zeer

weinig zout en water koken. De verdere bereiding en toevoeging van

de bruine roux blijven dezelfde.

2. Bieten- of krotensoep.

Men kookt eenige (10 à 12 tal kleine) bieten in ruim water, waarna

men ze schilt of afstroopt en in zeer kleine stukjes hakt. Men kan

ook--en dat is beter--de biet eerst schillen, wasschen, in schijfjes

snijden en ze daarna in ruim water op een zacht vuur koken.

Daarna fruit men bloem en één fijngesneden uitje in boter lichtbruin,

doet er wat bietennat bij, vervolgens weer wat, en dit herhalen,

tot de soep de gewenschte dikte heeft.

Hierna voegt men er de fijngehakte biet bij met wat boter, een scheutje

soja en een tikje zout naar smaak.

Men laat de soep dan nog een oogenblikje doorkoken en dient er

geroosterde stukjes brood bij.

3. Boonensoep.

(Bruine en witte boonen.)

Katjang-djògò (Ind. bruine boonen); een overgeschoten hoeveelheid

van den vorigen dag wrijft men met een bordje vol gefruite uien en

wat kokend water door eene zeef fijn. Men doet er dan, naar smaak,

wat soja en boter bij en laat dit samen nog een kwartiertje koken,

tot de soep de gewenschte dikte heeft.

4. Bajem- of Spinaziesoep.

De bajem wordt goed schoongemaakt, gekookt zonder water, onder

toevoeging van zeer weinig zout. Daarna neemt men, in plaats van meel,

zeer fijnkorrelige gebroken rijst (de z. g. "menir"), kookt dit met

de bajem en een weinig boter naar smaak, tot eene dikke soep. Voor

den smaak zondigt men als vegetariër niet, als men een klein stukje

foelie in de soep laat medekoken.

5. Champignonssoep.

(djamoer--koeping tikoes).

De champignons (echte, uit een flaconnetje) worden aan stukjes

gesneden en met het eigen water en gewoon water daarbij, nog wat

opgekookt. Vervolgens neemt men wat gefruite uitjes, een weinig bruine

roux, maakt dit aan met wat champignon-nat, tot het dik wordt, doet

er een weinig boter, soja, zout en de champignons bij en laat daarna

alles nog 10 minuten goed doorkoken.

Bij djamoer- en koeping-tikoessoep hakt men deze ingrediënten fijn

en voegt er wat laksa of soôn, zoomede wat selderij of koetjaï

bij. Vervolgens de bereiding (o. a. met bruine roux) als hierboven.

6. Duitsch-Amerikaansche soep.

Overgeschoten oud brood en restant worteltjes (uit blik) van den

vorigen dag worden samen met wat zout in water gekookt. Dan, als het

gaar is, alles door eene zeef wringen en dit even opkoken met wat

boter. De soep moet warm worden voorgediend.

7. Erwtensoep.

(katjang-idjoesoep).

Groene of grauwe erwten, dan wel spliterwten of de gewone

katjang-idjoe.

Deze boonensoort wordt in water met wat zout en 4 of 5 rauwe, geschilde

aardappelen in ruim koud water gaar gekookt.

(Gedroogde erwten, ook de katjang-idjoe, worden den avond te voren

schoongemaakt en te weeken gezet. Den volgenden dag kookt men ze--als

hierboven--in datzelfde weekwater gaar).

Op 1/2 liter erwten of katjang neemt men ± 2 à 3 flesschen water en

4-5 aardappelen.

Zijn de boonen gaar, dan worden zij met de aardappelen door eene zeef

gewreven. Men voegt er daarna een paar lepels fijngehakte selderij en

prij bij en laat ze op een zacht vuur nog een goed half uur doorkoken.

Voor den smaak kan men er wat boter (c. q. ook wat zout) aan toevoegen.

Men presenteert stukjes geroosterd brood bij de erwtensoep, en,

naar verkiezing, ook in slaolie gebakken uien.

8. Groentesoep.

Verschillende versche of gedroogde groenten, met of zonder toevoeging

van 1 à 1 1/2 kopje rijst, (selderij, boontjes, worteltjes, spinazie,

postelein, enz.) Alle groenten worden fijngehakt en met de rijst en

een weinig zout, in 1 1/2 liter water gekookt.

Men voegt, als de rijst gaar is, wat boter, soja en nog wat zout bij

deze soep en laat ze daarna nog eenige minuten doorkoken, tot ze wat

dik wordt.

Men kan ook groentesoep maken met stukjes rauwe aardappelen en deze,

na koken, binden met wat vermicelli, griesmeel, dan wel met wat

maïzena (met water aangemaakt) of met wat witte roux. (Zie hiervoren:

grondstoffen pag. 11).

Gedroogde groenten moeten natuurlijk schoongemaakt en daarna eenigen

tijd te weeken worden gezet.

9. Koolsoep.

Rauwe kool wordt fijngesneden en in boter gefruit; daarna wordt ze met

kokend water opgezet, onder toevoeging van wat gebakken uien. Is de

kool gaar, dan wordt de soep gebonden met wat bloem en laat men haar,

boven een zacht vuur, nog eenigen tijd doorkoken.

Men dient bij deze soep stukjes geroosterd brood voor.

10. Linzensoep

maakt men evenals de boonensoep. Voor de linzen gebruikt men de

gedopte erwten van de katjang kòrò of -kàrà.

11. Macaronisoep.

Een ons macaroni; men kookt ze in 1 1/2 flesch water met wat zout. Men

breekt daartoe de stangen macaroni in stukjes, doet deze op in kokend

water en roert er nu en dan in.

Men bindt de soep met wat witte roux en voegt er, voor den smaak,

een paar stukjes foelie bij. Men kan ook, in plaats van de foelie,

wat gehakte peterselie en een weinig soja bij deze soep voegen.

12. Prei- en selderij soep.

Prei en selderij worden schoongemaakt, in stukken gesneden en met

wat zout in water gekookt. Men kan deze soep binden met rijst of met

witte roux. Men kan er een weinig zout naar smaak bijvoegen en dient

deze soep voor met stukjes geroosterd brood.

13. Sesawie soep.

De sesawie wordt goed gewasschen, schoon gemaakt, gesneden en in

ruim water met wat zout gaar gekookt. Dan voegt men er wat zout,

soja en een kluitje boter bij en braadt daarna deze soep met een

weinig bruine roux, tot zij de gewenschte dikte heeft.

14. Tomatensoep.

Zes à acht tomaten worden in water gaar gekookt en daarna door eene

zeef gewreven.

Vervolgens fruit men een paar fijngesneden uitjes in wat boter en

zift ook deze, die men bij de tomatenpurée doet. Dan kookt men dit

alles samen op met nog een weinig boter en bindt ze verder met wat

maïzena of wat bruine roux.

Men dient bij de tomatensoep kleine stukjes geroosterd brood voor.

N.B. Sommigen voegen bij de tomaten wat gekookte in stukjes gebroken

macaroni òf gekookte selderij, dan wel worteltjes of peterselie en

soja, wederom anderen voegen er fijn gemaakte aardappelen--met wat

soja--bij.

15. Uiensoep.

6-8 uien van middelmatige grootte maakt men goed schoon, snijdt ze

aan stukken en zet ze met wat water en boter (onder toevoeging van

een weinigje zout) op en laat alles goed koken, tot de uien gaar

zijn. Men giet er dan zooveel kokend water bij, als men soep noodig

heeft, voor 2 à 3--hoogstens 5 personen.

Om deze soep dik te krijgen gebruikt men wat aangemaakte maïzena en

voegt er stukjes lichtbruin geroosterd brood bij en laat dit samen

nog even opkoken.

16. Uiensoep met roux.

Deze soep wordt bereid met gefruite uien, meel en wat boter; giet er

kokend water op en laat alles dan een half uur koken.

Om den smaak te verhoogen, voegt men er een beetje citroensap naar

smaak bij. Is de soep niet genoeg gebonden, dan doet men er wat

gestampte beschuit bij, of nog een lepel meel, met water aangelengd.

Men kan er geroosterd brood bij presenteeren.

17. Vermicellisoep

wordt op dezelfde wijze bereid en met dezelfde ingrediënten als de

macaronisoep, met dien verstande natuurlijk, dat nu, in plaats van

macaroni, vermicelli wordt genomen.

ZOETE SOEPEN.

18. Abrikozensoep.

3/4 à 1 ons gedroogde abrikozen (die men tegenwoordig ook in Indië

kan krijgen) wascht men af en zet ze een nacht in het water.

Nu neemt men een kopje vol parelgort, die men weekt en ze ruim één uur

kookt; voeg er dan de abrikozen met het water en suiker naar smaak bij

en laat dit samen nog 1 à 2 uren, op een matig vuur, zachtjes koken.

Abrikozen in flacons behoeven natuurlijk niet te worden geweekt; men

ontdoet ze van de pitten en voegt ze, met het nat en zonder suiker

bij de gekookte parelgort.

19. Bidarasoep.

20 à 30 rijpe bidara's, van de pitten ontdaan, worden goed

schoongewasschen en met koud water opgezet. Als ze gaar zijn, worden

ze door eene zeef gewreven, daarna met zooveel heet of kokend water

aangelengd, tot de soep de vereischte dikte heeft, doet er wat suiker

en citroensap bij en stort de soep dan over in de terrine.

20. Chocoladesoep.

Op 1 flesch melk neemt men een volle lepel chocoladepoeder en 3 à 4

lepels suiker. Men roert eerst de chocolade en de suiker samen met

een weinigje water aan, kookt vervolgens de melk, doet er een stukje

vanille in, roert er de aangelengde chocolade met suiker door en

bindt dit alles met 1 of 2 lepels aangemaakte maïzena.

Men dient deze soep koud of, naar verkiezing, warm voor en presenteert

er ronde beschuiten bij.

21. Citroensoep.

Sago-bidji wordt met koud water ruim opgezet en gedurende twee uren

gekookt; doet er het sap van 2 citroenen en suiker bij, ter verhooging

van den smaak.

Om de soep te kleuren, raspt men de schil van 1 djeroek nipis en van

1 djeroek-keprok er in. Men laat deze soep dan nog even opkoken en

dient ze warm voor, waarbij men, naar verkiezing, beschuit kan rond

laten gaan.

22. Karnemelksoep.

1 liter karnemelk, 1 ei, meel, suiker en wittebrood. (Men kan er ook

grutten of parelgort in koken--dan wordt deze soep met keukenstroop

gegeten.)

De karnemelk wordt, onder gedurig roeren, verwarmd. Hierna maakt men

meel met wat koude melk aan, klutst een ei, roert dit er door heen

en roert dit alles door de heete karnemelk.

Men kan de soep nu met suiker aanmaken, goed roerende, en warm ter

tafel brengen.

Gewoonlijk gebruikt men er wittebrood bij, dat in het soepbord

gebrokkeld is en waarover de soep wordt gedaan.

23. Zoete zuringsoep.

De zuring, in Indië ook bekend als "soering", moet goed worden

schoongemaakt en gewasschen, niet van de stelen afgerist en met weinig

water opgezet, zoo dat ze, kokende, insmelt.

Als ze versmolten is, wordt ze door eene zeef fijn gewreven; daarna

voegt men er krenten, rozijnen en suiker naar smaak bij en bindt ze

met wat maïzena met water aangelengd. De krenten en rozijnen moeten

natuurlijk eerst van de steeltjes en vuil, afval en stof worden

ontdaan en goed in heet water geweekt. Zijn ze goed uitgezet, dan

voegt men ze pas bij de zuring.

Men laat alles nog een goed kwartier doorkoken en roert er, vóór het

opdienen, een weinigje boter door.

B. VOORGERECHTEN.

24. Aardappelcroquetten.

Overgeschoten of versch gekookte koude aardappelen moeten door eene

zeef fijngewreven, daarna vermengd met een paar rauwe eieren, een

weinig melk, een lepel gehakte peterselie en een weinig zout.

Men roert dit alles goed samen door elkander tot een stevig

deeg. Dan neemt men met een lepel stukken van het deeg af en rolt die

stukken langwerpig uit, tot er langwerpig-ronde balletjes van zijn

gemaakt. Deze worden dan gedoopt in geklopt eiwit, dan door paneermeel

gewenteld en eindelijk in Genuaolie gebakken, evenals oliebollen.

N.B. Men beschouwt, over het algemeen, deze croquettensoorten als

een uitstekende overgang voor vleescheters tot het vegetarisme.

25. Bruine boonen-croquetten.

Gekookte bruine boonen worden door eene zeef fijngewreven, daarna met

een paar rauwe eieren en in boter gefruite gesneden uien en zooveel

beschuitkruim of fijngemaakte aardappelen, als noodig blijkt, vermengd

en gekneed, tot het een dik deeg wordt. Men voegt door het deeg eenig

zout. De verdere behandeling geschiedt als bij aardappelcroquetten.

Men neme ook hiervoor Genuaolie.

26. Witte boonencroquetten

worden met dezelfde bestanddeelen en op dezelfde wijze bereid als de

bruine boonencroquetten.

27. Erwtencroquetten

worden evenals de beide vorige soorten behandeld, zoowel wat

bestanddeelen als bakken betreft.

28. Koolcroquetten.

Jonge kool fijngehakt en gaar gekookt; 1 paar rauwe en 1 paar gekookte

eieren vermengd met fijngemaakte gekookte aardappelen; een weinig zout.

Verder is de behandeling, na goede vermenging van al deze

bestanddeelen, als die van de aardappelcroquetten. (Genuaolie).

29. Koolcroquetten, gevuld met purée.

Men kookt de kool niet te gaar, neemt de kool per blad af en doet

in elk blad een purée (ééne lepel) van erwten, boonen, linzen,

rolt het dicht en steekt het verder met een bieting vast. Dan doet

men de koolcroquetten in geslagen eiwit, wentelt ze vervolgens in

beschuitkruim of paneermeel en bakt ze verder in boter of Genuaolie

lichtbruin in de koekepan.

30. Linzencroquetten.

De gedopte erwten van de katjang-kòrò worden gekookt en verder

behandeld, gerold, enz. als de bruine boonen-croquetten.

31. Pasteitjes met champignons gevuld.

Men kneedt eerst een deeg van 250 gram bloem en 250 gram boter--of

minder, maar altijd evenveel bloem als boter--en rolt het deeg uit

tot 1 cM. dikte, waarna men met een bierglas of iets anders, ronde

vormpjes uit het deeg steekt.

Van de champignons maakt men eene ragoût (witte dikke saus zie no. 54)

en vult hiermede de ronde vormpjes deeg, die dan worden dichtgemaakt

met een deegdekseltje. Op het dekseltje smeert men wat geslagen

eierdooier en bakt dan de pasteitjes in den heeten oven lichtbruin.

32. Pasteitjes met kastanjes gevuld.

Dezelfde pasteitjes, wat bestanddeelen en bereiding betreft. Van de

kastanjes, die gewasschen, gekruist en gekookt, daarna uitgehaald

zijn, maakt men met wat boter een purée--is deze purée te vast,

dan verdunt of vermengt men ze met een geklutst ei en stooft de

kastanjepurée op. Met deze purée worden de pasteitjes--evenals in

no. 31, gevuld. Daarna dezelfde behandeling als in no. 31.

33. Eier-pasteitjes.

4 of 5 hardgekookte eieren, in vierde parten gesneden, boter, bloem,

melk, fijngehakte peterselie, een weinig zout en een tikje suiker;

12 pasteivormpjes van deeg.

Bloem en boter worden, op een zacht vuur, met melk samengeroerd tot

alles gebonden is.

Daarna doet men er een lepel fijngehakte peterselie door, vervolgens,

zeer voorzichtig, de in vierde parten gesneden hard gekookte

eieren. Nog gedurende een kwartier laat men dit boven een zacht vuur

doorstoven en vult dan hiermede de pasteitjes, die men gemaakt heeft

als in boven beschreven recepten reeds is aangegeven.

Verder geschiedt het bakken in den oven als hierboven vermeld.

34. Rijstcroquetten.

Droog gekookte rijst, 1 of 2 eieren, 1 kluitje boter, 1 lepel

fijngehakte peterselie of koetjaï, 1 lepel soja, een weinigje zout.

Van alle ingrediënten bij elkander wordt een deeg gemaakt en van

dit deeg steekt men stukken af, die men tot langwerpige balletjes

kneedt. Verder geschiedt de behandeling als bij de aardappelcroquetten.

35. Schijngehakt van gekookte aardappelen.

20 gekookte aardappelen, 3 gestampte beschuiten, 1 lepel fijngehakte

peterselie, 2 lepels zeer fijngehakte sjalotjes, 1 rauw en 1 hard

gekookt ei, boter, heet water.

Van de aardappelen, eieren, beschuit, peterselie en sjalotjes maakt men

een deeg en een grooten bal; braadt dezen in boter. Nu en dan bedruipt

men den bal en bakt ze om-en-om, totdat ze overal lichtbruin is. Als

de boter bruin is geworden, voegt men er, nu en dan, een weinig heet

water aan toe, voor de jusbereiding.

36. Schijngehakt van linzen. (katjang kòrò).

Zeer gaar gekookte katjang kòrò (gedopte), een paar lepels zeer fijn

gehakte, bruin gefruite uitjes, 1 lepel fijngehakte peterselie of prei,

1 paar rauwe en 1 paar hard gekookte eieren, een weinig zout, geklutst

eiwit (afzonderlijk), gestampt beschuitkruim, boter of Genuaolie.

De katjangs worden, als ze gaar zijn, door eene zeef fijn gewreven. De

gekookte eieren worden zeer fijn gehakt en met de rauwe eieren, de

uitjes, peterselie (prei) en de katjangpurée tot een deeg verwerkt

en goed gekneed.

Men kan nu dit deeg als een groote bal behandelen of in kleine

balletjes verdeelen.

Deze worden door het eiwit (geklutste) gehaald, in beschuitkruim

gewenteld en in boter (of Genuaolie) aan alle kanten lichtbruin

gebakken.

Dit deeg kan men ook gebruiken voor vulsel van pasteitjes; (zie de

nos. 31 en 32).

37. Spinazie- of bajemcroquetten.

Gekookte spinazie, fijngemaakte gekookte aardappelen (purée), 1 paar

rauwe en 1 paar gekookte eieren, een weinig zout naar smaak, boter,

Genuaolie.

De spinazie fijnhakken en met de aardappelen, eieren, zout en boter

tot een deeg bewerkt en gekneed.

Men maakt er daarna kleine balletjes of croquetjes van en bakt ze dan,

evenals de aardappelcroquetten, in boter of Genuaolie.

C. EIERGERECHTEN.

38. Zacht gekookte eieren.

De eieren moeten gedurende 3 minuten in kokend water worden

gelaten. Men berekent, als vaste maatstaf, dat de tijd wordt genomen,

van af dat de eieren in het kokend water zijn gedompeld.

39. Hard gekookte eieren.

Als hierboven. De kooktijd duurt dan 6 volle minuten.

40. Roereieren of geroerde eieren.

In een koekepan laat men wat boter smelten of olie

verwarmen. Vervolgens klopt men eenige eieren met een weinig zout,

stort ze op de heete boter (of Genuaolie), roert er met een houten

lepel langzaam door, tot alles een behoorlijke dikte verkrijgt en

stort den inhoud daarna over in een schaal.

Men gebruikt deze eieren bij brood.

41. Gebakken eieren.

Eieren, boter en een weinig zout.

Men laat de boter in een pan smelten en heet worden, breekt, drie aan

drie, de eieren in de boter, voegt er boven op wat zout, laat ze aan

weerszijden lichtbruin bakken.

42. Columbus eieren.

8 eieren, een paar lepels citroensap, drie lepels olijfolie, een paar

truffels, peterselie.

Van 2 eierdooiers maakt men met het citroensap en de olie een

mayonnaisesausje.

De zes overige eieren worden hard gekookt, gepeld en, van elk,

een der punten gelijk afgesneden. Dan doet men de mayonnaise op

een plat schaaltje en plaatst, daarop staande, de eieren, met 't

afgesneden puntje naar beneden. Op elk ei een uitgestoken figuurtje

van truffel leggen en verder de schotel garneeren met takjes en

blaadjes peterselie. Men kan bij dit gerecht gewone salade (no. 136)

presenteeren en ook kan men de schotel met blaadjes kropsla garneeren.

43. Kampersteur.

(smakelijke eierschotel).

8 eieren, gebakken, gesneden uien, "witte roux" van boter, melk,

meel en een tikje zout.

De eieren worden hardgekookt, gepeld, aan schijfjes gesneden, bestrooid

met gebakken uien en dit alles in een vuurvast schaaltje gedaan. Men

maakt een witte roux van de opgegeven bestanddeelen en giet deze over

den inhoud van het schaaltje.

Warm ter tafel brengen.

44. Omelet.

4 eieren, op elk ei één lepel melk of water, boter of Genuaolie.

De eieren worden gebroken goed geklutst en de melk (of het water)

er ook mede geklopt.

In een koekepan heeft men de boter of olie gedaan en als deze verhit

is, worden de geklutste eieren er in gestort en de omelet gebakken. Aan

beide kanten zorge men dat ze lichtbruin van kleur wordt.

45. Omelet met kaas.

Dezelfde bestanddeelen als hierboven (no. 44). Men voegt echter bij

het beslag geraspte kaas of deze aan kleine dobbelsteentjes gesneden.

Overigens geschiedt het bakken op dezelfde wijze als onder no. 44.

46. Fransche omelet.

(omelet met peterselie).

Dezelfde bestanddeelen als no. 44, onder bijvoeging van een lepel

fijngehakte peterselie.

Bereiding als hierboven. Begint de omelet te stollen, dan strooit

men er de fijngehakte peterselie over en bakt ze verder gaar, aan

weerszijden lichtbruin.

47. Spiegeleieren.

6 eieren, een paar lepels boter (of Genuaolie), een weinigje zout.

Men warmt de boter in de koekepan; is ze goed heet, dan worden de

eieren gebroken en in de heete boter gestort. Men bakt ze tot het

eiwit is gestold.

De eieren worden op een schaaltje gedaan en er een zeer klein tikje

zout vlugweg over heen gestrooid. (Of heelemaal geen zout).

48. Verloren eieren of eieren met zure saus.

Men zet water op met een klein beetje zout. Als het kookt breekt

men er voorzichtig de eieren één voor één in. Laat ze op een zacht

vuur langzaam gaar worden (± 5 tot 8 minuten). Men doet nu de eieren

voorzichtig op een schotel of een schaaltje en giet daarop zure saus

(zie hierachter no. 61: roux met citroensap).

49. Zwitsersche eieren.

4 of 5 eieren, boter, melk of room, geraspte kaas.

Men doet de boter in een vuurvast schaaltje, dat er goed mede besmeerd

wordt, breekt daarna in het schaaltje de eieren zeer voorzichtig,

zoo, dat zij in hun geheel blijven en giet hierover de melk (of room)

met de paar lepels geraspte kaas vermengd.

Men laat dit gerechtje gedurende een kwartier in den oven gaar worden.

D. SAUZEN, VLA'S, CRÊMES.

Het hoofdbestanddeel van de sauzen der vegetarische keuken is wel

het nat der groenten. Bij de vruchtensauzen domineert natuurlijk

vruchtennat. Het groote boek van Valk-Heinsdijk zegt hieromtrent:

"Vruchtensaus en vla's moeten niet zoozeer vruchten vervangen dan

wel den weg bereiden tot een grooter gebruik van ooft."

1. WARME SAUZEN.

50. Botersaus.

Een paar lepels boter smelten op een zacht vuur. Deze heet: gesmolten

botersaus.

Visser's Nederlandsch-Indisch Vegetarisch Kookboek · 第 1 / 9 段