Gaarne worden we in het landschap aan leven herinnerd, maar is het
op zichzelve ooit wel heelemaal levenloos? In "Eenige bladzyden uit
het boek der natuer" wordt dan het landschap ontleed in de vogels
die over zijn hemel vliegen, in de insekten die gonzen van den eenen
kant naar den anderen, in bloemen en gras. Het wordt beschouwd als
iets dat leeft, waarvan het uitzicht als een gelaat betrekken kan,
en dat den eenen dag anders is dan den anderen. Hier wordt het geheel
gegeven op zich zelve, dieren en de spraak der planten vervangen de
levenbrengende menschen:
"Gedurende dien nacht, terwyl ik gerust sliep, had een onweder de lucht
met eene nieuwe levengevende kracht bezwangerd, en het dorstig aerdryk
gedrenkt en gelaefd. Nog viel de regen zachtjes uit den overtrokken
hemel, toen ik myne bedstede frisch en bly ontsprong.
"Wel twintigmael doorwandelde ik den hof om aendachtiglyk na te speuren
wat nieuw voorkomen de regen nu aen de natuerwezens had gegeven. De
bloemen waren gesloten, vele planten hadden zelfs hunne bladeren
geheel opgevouwen; geen vogel zong den goeden morgen zyne makkers
tegen, geen vlinder fladderde om het gebloemte: alles scheen wachtend,
beweegloos en zwygend. Iets plegtigs was er in de algemeene stilte die
my omringde.--Door een geheime kracht tot droomen en denken gedwongen,
schuilde ik onder een afdak en zat welhaest mymerend en met het hoofd
op de handen, in harmony met de wachtende natuer.
"Eindelyk, na meer dan een uer, hield de regen op, zonder dat echter
de zonne door de wolken boorde. Nu begon hier en daer een eenzame
galm, als met wantrouwen zich te laten hooren; allengskens voegden
vele andere stemmen zich erby. Het was alsof ergens een slaperige
toonkunstenaer op een onmeetbaer klavier zyne handen liet dwalen,
in afwachting dat het teeken hem wierd gegeven.
Eensklaps schoof de laetste wolk voor de zonneschyf weg; een prachtige
stralengloed beglanste de glinsterende kruiden en lokte bloemen en
bladen open."
Behoefte naar leven, een begrijpen, dat alle vorm verandert, en
een aanvoelen van de harmonie der beweging is in dit fragment te
bespeuren en wordt nog duidelijker--alhoewel naïef--op menig andere
plaats uitgedrukt. Natuur kan niet zonder verandering. Geen landschap
of er bewegen bladeren of kruiden. Op alle bladzijden van dit "Boek
der natuer" staat dood of geboorte, en vergaan of heffen planten hun
kiemen omhoog.
In "Knagelijntje" wordt van een heideplantje gesproken, alsof het
werkelijk leefde en menschelijk gevoel had. "Och, moeder," zegt het
kleine ratje, "ik wenschte dat ik een Heidebloemken ware! Dan zou
de wind ook, van 's morgens tot 's avonds, met my spelen en myne
bellekens doen waggelen; ik zou de blauwe lucht zien en de lieve
biekens zouden mij ook komen kussen en streelen...." Het heidebloemken
heeft menschelijke zinnen. Wel is het maar een sprookje, waar deze
voorstelling in voorkomt, maar nog elders wordt de zichtbare natuur,
in haar geheel, als bezield voorgesteld, omdat de schrijver dichterlijk
door haar wordt aangedaan, door haar hulsel heen dus een begrip ziet,
schoonheid of eeuwige werkelijkheid. Een diepere beteekenis, doordat
ze met menschenlotgeval in onmiddellijke aanraking wordt gebracht,
verkrijgt ze in het aangehaalde fragment uit "De Loteling," waar het
meisje den brief leest. Evenzeer wordt een eenheid uit de verspreide
verschijnselen afgeleid in "Het boetende meisje;" zij drukken
de stemming uit van een mensch. Hetzelfde dichterlijk begrijpen,
dezelfde sympathie, maakt in het sprookje de verpersoonlijking van
het bloempje waarschijnlijk. De eenvoudige plant wordt erdoor een
bestaansrede, een belangrijkheid toegekend. Wij zijn niet ver meer van
een pantheïstisch gevoel verwijderd. De zon speelt een overwegenden
rol in deze wereldbeschrijving. Zij regelt, als een andere godheid,
de gebeurtenissen; zij bepaalt er den duur van. Het Grinselhof in
"De arme edelman" is door zijn oorspronkelijke bewoners verlaten, de
inboedel werd verkocht. Hier begint een nieuw hoofdstuk, waar de zon
alles situeert: "(Zij) moest nog slechts een vierde harer dagelyksche
baan doorloopen om de westerkim te bereiken. Op het Grinselhof heeft
eene doodsche stilte het baatzuchtig gewoel der schacheraars vervangen;
geen mensch is nog in de eenzame paden des tuins zigtbaer; de poort
staet op slot, alles is in zijne gewoone rust teruggekeerd;--men zou
zeggen dat niets is gebeurd."
Ook in de besloten stad neemt alles met haar einde en aanvang. Geen
avondleven buiten, in Conscience's werken.
"De zon, die grootste schilderesse der wereld, was bezig achter de
kim haer palet te bereiden; zy vereenigde en mengde er de schoonste
verwen op welke zy bezat, om dien plegtigen dag,--om den eersten
stap van Frans in de baen der kunst, met eenen ongemeenen glans
te beschynen. Weldra wierp zy, door eenen enkelen penseeltoets, de
grysgeele doodverw op haer onmeetbaer panneel.... en de stad Antwerpen
stond, als eene aengelegde schets, zigtbaer in het schemerlicht."
Als er langer tijd tusschen gebeurtenissen verloopt dan die van een
dag tot den anderen, zijn het de winter, of de lente, die een nieuw
evenement inleiden; maar ook de zon komt er dan weer bij, met alle
vogels en de vruchten, die blozen of beginnen te vallen, en onder
haar glimlach kleuren. Op zulken morgen doet zij niet enkel haar
verschijning, maar "verwt de kimme" en wekt alle leven.
Reeds in "Het Wonderjaer" rijst zij oppermachtig.
"(Zij) verhief zich langzaem en heerlyk op den purperen
gezichteinder. Eene harer stralen viel schuins op het vensterglas van
Lodewijks kamer;--en deed des jongelings oogen ontsluiten. Onrustig
rees hy van zyne bedstede, en na zich een' oogenblik voor zynen
schepper te hebben (gebogen), kleedde hy zich, en gordde zich het
wapen aen."
Wij spraken over het gevoel van de natuur als een geheel. Zij kan
worden vereerd om zich zelve. Niet zoozeer om haar vormenschoonheid,
als om haar symbolische beteekenis, haar inhoud. Omstandigheden
kunnen zulk gevoel verwekken. Een der hoogtepunten van Consciences
natuurbeschrijving is, in "Blinde Rosa," de terugkomst van een
uitwijkeling in zijn land. Hij houdt stil niet ver van zijn dorp, dat
achter het oude woud is verscholen. "Het was met vele beuken gegaen als
met de bewooners van het dorp. Jonge boomen hadden de plaets ingenomen
om eenen nieuwen levenskring te doorloopen. Zy waren dus vreemdelingen
voor den reiziger en hem gansch onverschillig. Maer der vogelen zang,
die van alle kanten uit het loover galmde, was nog dezelfde; ook
het klagend gesuis des winds als hy de spelden der masten beweegt,
ook het geritsel der krekels, ook de heidelucht met hare liefelyke
geuren:--de voorwerpen waren veranderd; het eeuwig uitwerksel der
natuer was hetzelfde gebleven!"
Zulke gewaarwording zoekt Conscience. Hij meent dat ze alles doet
vergeten, vijandschap en bekommering. Alleen godsdienstig gevoel kan
zulks bewerken: Natuuraanschouwing wordt eeredienst, die troost.
"Van alles afgescheiden, zich overleveren aan het onvoorziene; tusschen
dichtbewassen heesterbosschen en donkere wouden ronddwalen, zonder te
weten waar men is of waar men komen zal; geen spoor der menschelyke
maatschappij meer ontwaren; alles vergeten, tot de vriendschap zelve,
om zich der vijandschap ook niet meer te herinneren....; wanneer
men van geheimvol ontzag beeft en siddert onder den indruk der
plechtigste stilte,--stilte der groeiende natuur, stilte der lucht,
stilte des lichts zelve,--dan gaat de ziel, de dichterlijke ziel uit
den stoffelijken mensch, en zweeft en zwemt en wiegelt op den lauwen
vloed der rustige droomenzee...."
De vorm waaronder zulk gevoel wel alle menschen eigen is, gehechtheid
aan den geboortegrond, is gewoonlijk een factor in Consciences
verhalen. Terugkeerende reizigers worden "door een onbegrijpelijke
aandoening verrast," en blijven ontroerd de daken beschouwen, die
achter het veld bij elkaar staan. Een soldaat ontmoet een meisje van
zijn dorp. Dit komt hem voor oogen staan, zoo klaar dat hij "de zon
op den toren ziet schijnen;" zijn vader is bezig met de stoppels van
het veld te rijven en zijn moeder staat erbij, en hij hoort dat ze
van hem spreken.
Maar de opperste verheerlijking is "Rikke-tikke-tak," waar liefde
van man tot vrouw en van beiden tot de plek die hen omgaf toen ze
onwetend van elkander hielden, tot een poëma van onwrikbare eenheid,
vereeniging van goedheid en geheele overgave, geworden zijn.
Lena, een boerenmeid die ruw behandeld wordt en enkel door den zoon des
huizes beschermd, bemint hem zonder het te weten om zijn goedheid. Zij
droomt op de heide, op een hoogen duin, waar ze in schaduw van kleine
boomen den weg kan volgen, die door de vlakte slingert. Zij neurt
een vreemde wijze waarvan ze niet weet, waar ze die heeft geleerd.
Zij kent haar ouders niet. Haar vader verliet voòr lang het dorp, toen
ze nog een klein kind was. Hij was een hoefsmid, verliet het land toen
zijn vrouw stierf en werd in het Fransche leger officier. Hij zoekt
haar nu over de heele streek. Hij hoort het liedje dat zij zingt en
herkent haar. Zij vergezelt hem, gelukkig, naar het buitenland.
De knaap komt op het hooge plekje peinzen. Hij slaat de armen om den
herdersstaf zoodat hij er kan op leunen. "Uit zyn hart stroomt een
stil gezang over zyne lippen; tusschen het loof der jeneverboomkens
suizen de klanken van het lied. Rikke tikke tak, Rikke tikke toe...."
Ver van de heide begint ook Lena te treuren. Eerst nog maar enkel een
besef, dat de groote heide een leemte nalaat in haar leven. "Van tyd
tot tyd bewogen zich hare lippen werktuigelyk, en het vergeten lied
van Rikke-tikke-tak zweefde onhoorbaer rond haren mond."
Onder den beuk en bij de beken, op de duinen, wordt het beeld van den
verloren vriend duidelijker. Zij kan het zich moeilijk bekennen, omdat
de liefde geen merkbaren vorm aannam voòr haar vertrek. Zij smeekt haar
vader, terug naar de Kempen te keeren, voelend hoe dit land haar bindt.
Ontknooping is een toevallig wederzien van Jan, die zijn dorp en later
het seminarie verliet, en bedelend rondloopt in de stad. Daar hielden
Lena en haar vader stil. Zij hoorden op een avond zijn lied klagen aan
het venster. "Rikke tikke tak, rikke tikke toe...." Zij eischt zijn
bezit op tegenover haar vader die, om hen beiden te redden, toegeeft.
Misschien het mooiste, dat Conscience geschreven heeft, is een bang
verhaal aan den pastor, die Jan aanraadde in het priesterschap zijn
liefde te vergeten. Eens bleef hij acht dagen lang in Brussel. Hij
snelde na deze afwezigheid als een vluchteling naar zijn heide.
"Toen het my toegelaten werd terug te keeren, ging ik nacht en dag
zonder rusten. Als de eerste mael de reuk der schaddevuren my door den
wind werd toegevoerd, begon ik van ontroering als een kind te weenen;
verder, in het midden van het eerste Mastenbosch, wierp ik my geknield
ten gronde en ik dankte God met luider stemme, dat ik myne geliefde
speldeboomen mogt wederzien: ik heb geëten van het eerste heidekruid,
dat ik zag, om den dierbaren plant digter aen het hart te hebben."