Als we over de fouten heenzien, van taal èn stijl, die nu na een
halve eeuw van taalontwikkeling zichtbaar worden, veropenbaart zich
Conscience als een volmaakt verteller. De verteller moet zijn hoorders
kunnen behagen; daarin is hij prachtig geslaagd en hij wist zeer goed,
wàt hij vertellen moest en wàt verzwijgen, om zijn publiek te winnen.
Het hoogtepunt van zijn vertelkunst heeft hij bereikt in "De
grootmoeder--verhalen voor kinderen,"--waar het gevoel nooit
opgeblazen, de vorm nooit romantisch is. Een strooien hutje, twee
kleine sprokkelaars in het winterwoud en het wijde heideveld, waardoor
een ratje loopt dat over zijn bitter leven klaagt, geven den inhoud
van de verhaaltjes. Grootmoeder vertelt aan de kleinen van Janneken
en Mieken.
Doch ook in min geslaagde verhalen--in zulke zelfs als voor ons niet
meer genietbaar zijn--glansen nog mooie beelden.
"Evenals de andere vrouwen droeg zij op haar hoofd een zwaren bussel
kruiden, welke zij uit het koren had gewied; de vurige kolrooskens
en blauwe korenbloemen hingen waggelend op haar voorhoofd of daalden
als kransen der liefde langs haren hals." [7]
Conscience was een droomer, een dichter. Talent en gevoel kunnen
hem niet worden ontzegd. Hij miste nochtans cultuur en wierp zich,
in plaats van zich zelf te ontwikkelen, in den veeleischenden strijd
dien de Vlaamschgezinden hadden begonnen. Maar gebeurde dit niet,
omdat hij er behoefte aan had, zich ook in dién zin uit te leven,
omdat hij in onmiddellijke aanraking wou komen met het volk,--en
omdat hij met reden meende, dat het zóo beter was?
Er kwam later een tijd dat Conscience de buitenlandsche
letterkunde bestudeeren kon. Maar evenals Dickens was hij bang zijn
oorspronkelijkheid te verliezen, nu hij niet jong genoeg meer was om
de mindere eigenschappen van zijn kunde voor andere te verruilen.
Het was hem onmogelijk geweest om uit zijn engere wereld te
geraken. Evenals de meeste van zijn vrienden was hij in zijn jeugd
arm. Boeken konden ze niet koopen. Nooit had in Antwerpen een
Universiteit een kern van beschaving gevormd en nochtans moesten de
Vlaamschgezinden er aan denken het volk vóor te lichten.
Kritiek kon zijn werk niet louteren. In een brief van 1843 prees
hij zelf den goeden geest, die zijn vrienden, de Antwerpsche
Vlaamschgezinden, bezielde: Zij lieten geen Vlaamsch werk verschijnen,
zonder het te prijzen, indien het maar eenigszins een onderzoek
kon doorstaan. Nooit keurden zij af "wat voor de tael der vaderen
werd gedaen." In de jaren van onophoudelijke werkzaamheid in
maatschappelijken zin heeft hij nochtans zijn beste literair werk
geleverd. Hij had toen het volle geloof in zijn eigen krachten. Zijn
romans droegen er toe bij om het volk verstandiger te maken en vatbaar
voor zijn redeneering, als hij het op hoogere belangen wees. Zijn
optreden in volksvergaderingen en feesten stichtte een sfeer van
belangstelling en vereering om hem en maakte de beste propaganda voor
zijn geschreven werken.
In de kleine woningen van de Kempen, waar sinds zijn heengaan meer
dennen en lorken staan en minder beuken, en meer weiden groenen waar
vroeger de heide zich uitstrekte, hangt in de kamer de armelijke prent,
waarop Baas Gansendonck vóór de knielende sprokkelaarster staat, of
Trien met moeite den brief aan haar geliefde schrijft. Wel mocht hij,
in 1881, wanneer bij het verschijnen van zijn honderdste boekdeel
de Vlamingen uit alle steden en dorpen naar Brussel kwamen om hem te
huldigen, hun optocht met den triomftocht van een Romeinschen keizer
vergelijken. Het wonder was gewrocht, dat in elk dorp, in iedere
werkmanswijk Vlaamsche boeken werden gelezen. De romans van Conscience
vervulden de menschen met een bijzonder geluk: in vertrouwde woorden,
op eene bevattelijke wijze den gang van de wereld te hooren verklaren
en tot eene nog onbekende fierheid te worden opgewekt, om een groot
verleden dat wêer kon komen,--als het werk, dat hij prachtig begon,
in latere geslachten voltrokken werd.