V.

Een ander middel om ons het landschap gemakkelijk nader te brengen,

ons zijn karakter te laten voelen, is het met de stemming van den

held te doen harmonieeren, of omgekeerd den held in de bijzondere en

momentane stemming van het landschap te laten opgaan. Een jong werk:

"De maegd van Vlaenderen, een nachtgezicht" begint:

"Ik zat alleen op myne kamer, met het hoofd in de handen rustende. Vol

mismoed en wanhoop was myn ziel.... Het stormde daerbuiten,--nacht

was het op de straten, nacht ook in myn hart. Lydend en akelig

droomend, herdacht ik het verleden, het zynde en het komende lot myns

vaderlands." In een latere novelle loopt een meisje haar vreugde om

het leven uit te zingen: "Ook het goede meisje geraekte zonder het te

weten, in eenstemmigheid met de vrolyke natuer. Van tyd tot tyd zong

zy, met zekere geestdrift, eenige toonen van het een of ander lied, of

sprak enkele woorden om de opgeruimdheid haers harten lucht te geven."

Meer dan versmaat is proza geschikt om een landschap in zijn voorkomen

(niet enkel in zijn uitwerking, als aandoening) weer te geven. Een

landschap is rustig en onbewogen. Zijn omtrekken zijn bestendig. Zijn

kleuren kunnen dàn alleen, hier in een bloemenweide, daar in een rivier

of in een hemelhoek, zich uitvieren. Proza kan minutieus bij elke

kleinigheid verwijlen, en toch door de indeeling van zijn zinnen,

de ordonnantie van de denkbeelden, de hoofdzakelijke schoonheden

onderlijnen. Het is aan minder uiterlijke regels onderworpen. Is

de taal lenig en helder genoeg, dan wordt de schrijver niet verder

weerhouden door het zoeken en volhouden van bijzondere vormen. Hij

heeft alleen wat hij ziet eenvoudig neer te schrijven.

Conscience was dikwijls een uitmuntend prozaschrijver. Komt in zijn

eerste werken slechts zelden een grooter verschiet voor, een heide,

een veld, bevattelijk voorgesteld, we treffen reeds in den "Leeuw van

Vlaenderen" goede beelden: "De lucht was met zulk een zuiver blauw

gekleurd, dat het oog hare diepten niet meten kon. De zon klom glansryk

op de kim, en de verliefde tortelduif dronk de laetste dauwdruppels

van de groene bladeren der boomen."

"De bladeren der boomen!" Ook in het "Wonderjaer" gebruikt hij die

uitdrukking: Terwijl een ruiter schuilt, wordt "de lucht klaerder, de

donder had zich verwyderd,--evenwel sloeg de regen nog met geweld in

de bladeren der boomen." Even natuurlijk als het loover om de takken

staat, worden voor ons de boomen gesteld; de regen valt op de bladeren

of vogelen kwinkeleeren er, en aanstonds zien we de stammen er bij,

die uit den grond heffen, en de heerlijke aarde.

Een mooie zin, die een vollediger beeld geeft, is in "De arme edelman"

(1851): "de statige eiken ontplooien hun laet gebladerte, de alpenrooze

staet in vollen bloei, de syringa's bezwangeren de lucht met malsche

geuren."

In "De Loteling" zagen we de heide zich om de reizenden uitstrekken. In

"Moeder Job" (1856), wanneer geen rekening wordt gehouden met onjuiste

woorden en on-Nederlandsche wendingen, vinden we eenvoudig-mooie

beschrijvingen:

"Aen de straet, onder de schaduwe van hooge Linden, stond het woonhuis

met zyne groene geschilderde vensterramen; daer achter verlengden zich

aen de eene zyde de stallingen, waerin tien schoone koeijen en dry

peerden zich bevonden, alsook de wyde schuer die welhaest den nieuwen

oogst zou ontvangen. Langs den anderen kant was de achterhof afgesloten

door de eigentlyke Brouwery met hare bergplaetsen, waerby eene hooge

pomp stond om het water uit den bornput in de ketels te verheffen. Een

weinig verder, veldewaerts in, tusschen velerlei bloeijende heesters

en sierlyke gebosschen, verhief zich een lustpriëel, dat met de

liefelyke ranken van het Geitenblad was overdekt.--Men kan aen de

uitgestrektheid van den grond, die hier, als bloemtuin, enkel tot

vermaek en uitspanning was bestemd, genoegzaem bemerken dat het

huisgezin der Jobs welvarend was en een onbekommerd leven genoot.. ..

Eenige dagen na de Prysschieting in den Gulden Arend was Jan,

de knecht, op den achterhof der Brouwery bezig met pompen; zyne

bewegingen waren bywylen zeer langzaem, en weleens onderbrak hy zynen

arbeid, als hadde een aengrypende gedachte hem weggerukt. Dan bleef

hy met het oog op de houten goot gerigt,--waerin het water bruisend

heenvlood,--mymerend staen, tot dat het ophouden van het geruisch

hem uit zyne verstrooidheid deed opspringen, en hy weder den zwaren

arm der pomp in de hoogte hief.

Op eenige stappen van daer rolde een oude Kuiper de tonnen, welke hy

dien dag hersteld of gezuiverd had, naer de poort der brouwery.--Geen

ander wezen was er op den breeden achterhof te bemerken.

Alhoewel de laetste stralen der avondzonne hare purpertoonen over de

gebouwen wierp, en liefelyk tusschen het loover van den huiswyngaerd

tintelde, er heerschte eene ongewoone en droeve stilte, slechts

onderbroken door het scherp gekrysch der pomp en door het eentoonige

geruisch van het vlietend water."

In dezelfde novelle wordt, met liefde, een hoek van den tuin

beschreven:

"De zonne ging achter de Westerkim verdwynen; maer zy zond nog, in

roosverwige toonen, de natuer haren blyden avondgroet. Het priëel,

onder welks doorschynend loover Rosina hare innige bede murmelde,

scheen overgoten met purper en met goud; haer omringde eene wolk van

zoete frissche geuren, die uit al het gebloemte in verkwikkende walmen

zich verhieven; de vogelen, voor dat zy zouden slapen gaen, dartelden

nog tusschen het gebladerte, en sommigen wierpen de peerlende klanken

hunner stem het verzwakkende daglicht tegen...."

Hendrik Conscience, zijn persoon en zijn werk · 第 17 / 21 题