Een ander middel om ons het landschap gemakkelijk nader te brengen,
ons zijn karakter te laten voelen, is het met de stemming van den
held te doen harmonieeren, of omgekeerd den held in de bijzondere en
momentane stemming van het landschap te laten opgaan. Een jong werk:
"De maegd van Vlaenderen, een nachtgezicht" begint:
"Ik zat alleen op myne kamer, met het hoofd in de handen rustende. Vol
mismoed en wanhoop was myn ziel.... Het stormde daerbuiten,--nacht
was het op de straten, nacht ook in myn hart. Lydend en akelig
droomend, herdacht ik het verleden, het zynde en het komende lot myns
vaderlands." In een latere novelle loopt een meisje haar vreugde om
het leven uit te zingen: "Ook het goede meisje geraekte zonder het te
weten, in eenstemmigheid met de vrolyke natuer. Van tyd tot tyd zong
zy, met zekere geestdrift, eenige toonen van het een of ander lied, of
sprak enkele woorden om de opgeruimdheid haers harten lucht te geven."
Meer dan versmaat is proza geschikt om een landschap in zijn voorkomen
(niet enkel in zijn uitwerking, als aandoening) weer te geven. Een
landschap is rustig en onbewogen. Zijn omtrekken zijn bestendig. Zijn
kleuren kunnen dàn alleen, hier in een bloemenweide, daar in een rivier
of in een hemelhoek, zich uitvieren. Proza kan minutieus bij elke
kleinigheid verwijlen, en toch door de indeeling van zijn zinnen,
de ordonnantie van de denkbeelden, de hoofdzakelijke schoonheden
onderlijnen. Het is aan minder uiterlijke regels onderworpen. Is
de taal lenig en helder genoeg, dan wordt de schrijver niet verder
weerhouden door het zoeken en volhouden van bijzondere vormen. Hij
heeft alleen wat hij ziet eenvoudig neer te schrijven.
Conscience was dikwijls een uitmuntend prozaschrijver. Komt in zijn
eerste werken slechts zelden een grooter verschiet voor, een heide,
een veld, bevattelijk voorgesteld, we treffen reeds in den "Leeuw van
Vlaenderen" goede beelden: "De lucht was met zulk een zuiver blauw
gekleurd, dat het oog hare diepten niet meten kon. De zon klom glansryk
op de kim, en de verliefde tortelduif dronk de laetste dauwdruppels
van de groene bladeren der boomen."
"De bladeren der boomen!" Ook in het "Wonderjaer" gebruikt hij die
uitdrukking: Terwijl een ruiter schuilt, wordt "de lucht klaerder, de
donder had zich verwyderd,--evenwel sloeg de regen nog met geweld in
de bladeren der boomen." Even natuurlijk als het loover om de takken
staat, worden voor ons de boomen gesteld; de regen valt op de bladeren
of vogelen kwinkeleeren er, en aanstonds zien we de stammen er bij,
die uit den grond heffen, en de heerlijke aarde.
Een mooie zin, die een vollediger beeld geeft, is in "De arme edelman"
(1851): "de statige eiken ontplooien hun laet gebladerte, de alpenrooze
staet in vollen bloei, de syringa's bezwangeren de lucht met malsche
geuren."
In "De Loteling" zagen we de heide zich om de reizenden uitstrekken. In
"Moeder Job" (1856), wanneer geen rekening wordt gehouden met onjuiste
woorden en on-Nederlandsche wendingen, vinden we eenvoudig-mooie
beschrijvingen:
"Aen de straet, onder de schaduwe van hooge Linden, stond het woonhuis
met zyne groene geschilderde vensterramen; daer achter verlengden zich
aen de eene zyde de stallingen, waerin tien schoone koeijen en dry
peerden zich bevonden, alsook de wyde schuer die welhaest den nieuwen
oogst zou ontvangen. Langs den anderen kant was de achterhof afgesloten
door de eigentlyke Brouwery met hare bergplaetsen, waerby eene hooge
pomp stond om het water uit den bornput in de ketels te verheffen. Een
weinig verder, veldewaerts in, tusschen velerlei bloeijende heesters
en sierlyke gebosschen, verhief zich een lustpriëel, dat met de
liefelyke ranken van het Geitenblad was overdekt.--Men kan aen de
uitgestrektheid van den grond, die hier, als bloemtuin, enkel tot
vermaek en uitspanning was bestemd, genoegzaem bemerken dat het
huisgezin der Jobs welvarend was en een onbekommerd leven genoot.. ..
Eenige dagen na de Prysschieting in den Gulden Arend was Jan,
de knecht, op den achterhof der Brouwery bezig met pompen; zyne
bewegingen waren bywylen zeer langzaem, en weleens onderbrak hy zynen
arbeid, als hadde een aengrypende gedachte hem weggerukt. Dan bleef
hy met het oog op de houten goot gerigt,--waerin het water bruisend
heenvlood,--mymerend staen, tot dat het ophouden van het geruisch
hem uit zyne verstrooidheid deed opspringen, en hy weder den zwaren
arm der pomp in de hoogte hief.
Op eenige stappen van daer rolde een oude Kuiper de tonnen, welke hy
dien dag hersteld of gezuiverd had, naer de poort der brouwery.--Geen
ander wezen was er op den breeden achterhof te bemerken.
Alhoewel de laetste stralen der avondzonne hare purpertoonen over de
gebouwen wierp, en liefelyk tusschen het loover van den huiswyngaerd
tintelde, er heerschte eene ongewoone en droeve stilte, slechts
onderbroken door het scherp gekrysch der pomp en door het eentoonige
geruisch van het vlietend water."
In dezelfde novelle wordt, met liefde, een hoek van den tuin
beschreven:
"De zonne ging achter de Westerkim verdwynen; maer zy zond nog, in
roosverwige toonen, de natuer haren blyden avondgroet. Het priëel,
onder welks doorschynend loover Rosina hare innige bede murmelde,
scheen overgoten met purper en met goud; haer omringde eene wolk van
zoete frissche geuren, die uit al het gebloemte in verkwikkende walmen
zich verhieven; de vogelen, voor dat zy zouden slapen gaen, dartelden
nog tusschen het gebladerte, en sommigen wierpen de peerlende klanken
hunner stem het verzwakkende daglicht tegen...."