Niet zonder eenig gevoel van plastiek is de beschrijving van een paar
gevechten, als het volgende, waardoor Machteld, de dochter van den
graaf van Vlaanderen, uit de handen van haar schakers wordt verlost:
"Zonder op dien roep te letten keerde de soldenier zijn paard ter
zyde en zocht alzoo uit de baen te springen;--maar het zweerd van den
ridder viel met eene verdubbelde kracht op zynen helm, en kloof hem
het hoofd tot by de schouders. Het bloed sprong in twee dikke stralen
uit den nek van den ruiter, en viel terug op het hoofd en het witte
kleed der maegd, hare fijne blonde lokken werden er gansch door
bevochtigd.... De geslachte Franschman viel uit den zadel.... en
het meisje werd nog met nydigheid tegen het harnas gedrukt. Na
een vluchtig oogenblik lieten de armen van het lyk haar los; vrouw
en lyk rolden beiden op den grond..... Het gevecht scheen nu nog
hardnekkiger te worden, want by het zien van het rookende bloed,
wierden deze strydbare mannen als door razerny vervoerd: de peerden
werden heen en weêr geslingerd en brieschten bij elken slag, die op hun
yzeren deksel neederviel. Het meisje lag zonder gevoel tusschen hunne
voeten.... Verwonderlyk was het dat de peerden haar niet kwetsten,
want zy stampten om en by haer, doch raekten hare uytgestrekte leden
niet, alleenlyk stampten deze dieren de aerde der baen in de hoogte,
en bedekten de wangen der maegd met slyk en stof.
"Dit gevecht had slechts eenige oogenblikken geduerd, want de slagen
der stryders waren zonder tusschenpoos geweest; diensvolgens was
de zon nog niet boven de kim, en de velden waren nog niet met hare
stralen verlicht, echter klommen de dampen reeds boven het woud,
en de toppen der boomen kleurden zich met lieflyker groen."
Men bemerkt, naar romantisch recept, de rol die de bezielde natuur
speelt in de gebeurtenissen: de zon dringt flauw door bij het begin van
het gevecht; dan klimmen de dampen boven het woud, en de toppen der
boomen kleuren zich met klaarder groen. Eindelijk is de zon boven de
kim gerezen, en hare stralen verlichten de velden met heldere kleuren.
Een bijzondere zorg wordt natuurlijk besteed aan de beschrijving van
den Slag der Gulden Sporen. Tegenover de vereenigde Vlamingen bevindt
zich het Fransche leger. "De ruiters waren zoo menigvuldig dat een
korenveld minder (h)aren draegt dan er speren boven de vyandelijke
benden uitstaken. De peerden der voorste gelederen stampten ongeduldig
met de voeten, en besproeiden hunne yzeren deksels met witte vlokken
schuim. De bazuinen zonden hun galmende toonen als in een feestgejuich
door de zuchtende boomen van het Neerlanderbosch,--en zweepend speelde
de wind in de wentelende vouwen der wimpels en banieren. De stem der
veldheeren kwam dit krygsgerucht by poozen beheerschen, terwyl soms
de wapenkreet: Noël! Noël! Frankryk! Frankryk! uit eene bende opging,
en al ander geschal verdoofde."
"De Leeuw van Vlaenderen" kon, haastig als hij werd geschreven,
moeilijk beter zijn. Er is geen bezonkenheid in kunnen komen. Alleen
een beeld, een vluchtig gezicht van een landschap, het gevoel van den
strijd, waar de jonge schrijver bij was met al zijn enthousiasme, zijn
genoegzaam geslaagd. Een beoordeelaar van den tijd spreekt nochtans
met lof over de weeke "intrigue amoureuse, dont les chapitres servent
de point de repos entre les scènes de guerre et de carnage." [2]
Wij bemerken weinig van het innerlijk leven van de personages. Zij zijn
hoofdzakelijk door hun uiterlijk van elkaar onderscheiden. Wanneer
we hen in gedachten verrassen, overwegen ze enkel de belangen
van het vaderland, zij staan niet langer in betrekking met de
dagelijksche nooden en vreugden van het leven; zij worden vaten van
vaderlandsliefde, en daardoor ontstaat eentonigheid in de meeste
gesprekken. Zij ontmoeten elkander meest onder den open hemel; zoodat
de antieke stad of de opgaande zon hun motieven voor een treffende
voorstelling kunnen leenen.
De groote verdienste van het verhaal ligt in de kennis van het
verleden, die het de lezende Vlamingen bracht. Van zijn verschijning
dagteekent een verhoogde belangstelling in de vaderlandsche
geschiedenis. Mooier dan in het Wonderjaer, vonden de Vlamingen in
den Leeuw van Vlaenderen een taal terug, die ze voor letterkundig
gebruik ongeschikt hielden, en op dit meer bezonnen werk hadden met
meerder reden de woorden kunnen toegepast worden van een aan Conscience
onbekend lezer, die hem in 1837 schreef:
"Monsieur, lorsque au mois de mai les journaux rendirent un compte
flatteur de votre roman historique "In 't Wonderjaer," j'étais
loin de pressentir que bientôt j'en ferais l'objet d'un agréable
délassement. Grande a été ma surprise, d'y retrouver (à peu de
mots près) ma langue maternelle dans toute sa pureté, dans sa noble
simplicité.... Oui, Monsieur, disons-le sans hésiter, vous avez réussi,
complètement réussi, à faire revivre, à faire goûter la langue que
je balbutiais au berceau, et que je retrouve avec une joie secrète
après un coupable oubli de 22 ans." [3]