In 1822 had Delacroix te Parijs zijn Dante en Vergilius
tentoongesteld. In een heftigen strijd met het gevoellooze classicisme,
baande hij zich een weg, gestuwd door nieuwen geestdrift die hij
putte uit vreemde literatuur: Dante, Goethe, Byron, Walter Scott. In
1830 en later leverden de woelingen van den tijd hem het onderwerp
van bewogen tafereelen vol koortsig leven, die zijn opgewondenheid
weergaven. De personages waren niet langer koude symbolen maar plots
aan het leven gegaan. Zijn onweerstaanbare liefdesdrang scheen in hen
een uitweg te hebben gevonden. En toch waren zij niet gegrepen uit
het werkelijk leven, maar in zijn droom ontstaan en door zijn droomen
gevoed. In hun nieuwe conventie klopte de polsslag van den tijd; als
bij hun schepper straalde hun passie over hun omgeving uit en zette
alles in een nieuwen glans. Hun lichaam verried hun gewaarwordingen
en de natuur zelf in het landschap, dat weer met zorg werd behandeld,
stemde overeen met hun gemoed.
Na het romantisme in de letterkunde--dat zeden en uitzicht van de
samenleving vervormd had--was romantisme in de schilderkunst niet
kunnen uitblijven. De opvatting van Delacroix werd door velen erkend;
hij bleef de voorman. Zijn kunst werd, in 1830, door den jongen Wappers
in België ingevoerd, een maand juist vóór de revolutie, wanneer zijn
eerste doek te Brussel veel opzien baarde. Na eenige jaren was zij
er overheerschend. Conscience, voorbereid door zijn lectuur om haar
richting als de zijne te herkennen, werd haar woordvoerder in de pers
en liet onwillekeurig in zijn romans haar qualiteiten en gebreken
weerspiegelen. De natuur en haar bekoorlijkheid worden door hem
erkend en in zijn eerste werken uit hij, uitbundig, zijn onstuimige
vrijheidsliefde en zijn behoefte naar zichtbare schoonheid.
Het getuigt van den innigen omgang die er tusschen schilders en
letterkundigen bestond, dat zooveel artisten aan de wordende Vlaamsche
beweging deelnamen. Hun strijd voor den vergeten geest van Rubens en
het heropwekken van den Nederlandschen zin voor kleur drijft hen op
eenzelfde pad. De noodlottige invloed van David, die te Brussel een
tijd lang als een halfgod werd vereerd, moet te keer gegaan. Het
zoeken naar uitdrukking en lokale kleur doet hen de geschiedenis
bestudeeren en maakt den weg open voor de vaderlandsche romanciers.
De meeste werken, niet alleen van Conscience maar ook van zijn
tijdgenooten, worden overvloedig geïllustreerd. De plaatjes van
"Het Wonderjaer" vertoonen zware gestalten, koppen die van Rubens'
Antwerpsche schilderijen--min het schoone--zijn afgekeken. De Geertruid
in den kerker, die het lijf van haar veegen vader ondersteunt, is
niemand anders dan de mooi weenende Magdalena van de "Afdoening van
het kruis."
Hier en daar treft in dit boekje een tafereel dat zuiver en eenvoudig
is opgemerkt, zoo de beschrijving van een vlakte vóor Antwerpen. "Deze
plaets hiet toen het Luisbekelaer. Het was een wyd stuk land,
in gedaente een driehoek gelyk, waer van de langste zyde door de
Herenthalsche vaert bewaterd werd. Hier waren duizende menschen
verspreid. Allen, behalven vrouwen en kinderen waren gewapend. Velen
lagen op den boord der vaert, en warmden zich in afwachting by de
zachte morgendstralen: anderen te paerd, renden langzaem het wyde
veld over."
Een ongebreidelde en kinderlijke romantiek vult het verhaal met
onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Een rooverhoofdman vertelt zijn
ongelukkig leven: "En menigmael heb ik op 's meisjes bede, den
groenen lindeboom onder de klanken eener weemoedige ballade doen
zuchten." Het liefje wordt geschaakt. Zijn "roozenkleur" vergaat
onder zijn tranen, "en kwynend en door mistroostigheid afgemat",
wandelt hij "door de dichte bosschen," waar hij vol bittere smart
op het gras nederzinkt. Onteerd komt het kind terug en sterft: "Daer
lag dit lieve roosje tusschen vier geele wassen keerssen te zieltogen."
Het grootste gebrek van het werk is zijn onbeholpen taal: "Door het
zien dezer hoog verheven muren en zware traliën, waeraen de bleeke
stralen der maen een droeve kleur gaven, smolt Geertruids hart weg,
by het denken dat haren vader dáer binnen was." Conscience speelt met
haar woorden als een blinde met kleuren, zet "zoodra (aussitôt)" voor
"onmiddellijk," "suizen" voor "fluisteren," spreekt van "een opgepropt
(boordevol) drinkvat," en laat den wijn, den regen en de tranen bij
beken stroomen over tafel, kleederen en wangen.
En nochtans is de taal nog zuiver, vergeleken bij wat in de
dagbladen van die dagen geschreven werd. De volksman, die het boek
in handen kreeg, moet er zeker verpoozing en vreugde in gevonden
hebben. Hij hoort hoe "het kraken der deuren en vensters, die in de
buurt geopend werden, alleen de stilte stoorden, die nog in de half
verlichte Keizerstraet heerschte." Behalve door zulke beelden die hem
aangenaam-bekend in de ooren klinken, wordt hij bekoord door een roes
van woorden en lieve gebaren. Het primitieve verhaal wil boeiend zijn,
het is naief gekleurd, argeloos en heftig. Dit was wel wat het volk
nog kon begrijpen, en wat het noodig had om terug te worden gevoerd
tot belangstelling voor de geschiedenis en de letterkunde.
Bij "Het Wonderjaer" sluit aan de bundel "Phantazy," hetzelfde
jaar bij L. J. de Cort op de Paddegracht gedrukt. "Korte doch des
te levendiger drama's van krachtige galmen en zoetluidende toonen,"
worden deze schetsen door een zéer toegeeflijk tijdgenoot genoemd. In
tijdschriften verschijnen verder nog enkele schetsen van Conscience,
waar "De Pelgrim in de woestijn" de meest karakteristieke onder is. Het
opstel is een navolging van Lamennais, typisch voor de "Weltschmerz"
en tevens voor het gewild optimisme van den jongen schrijver.
Een afzonderlijke plaats onder zijn eerste voortbrengselen bekleedt de
"Leeuw van Vlaenderen." Hij heeft hem voleind in het huis van de Laet,
in eenzelfde kamer, aan de tafel waar 's avonds zijn vriend gedichten
maakte of artikels schreef voor dagbladen. In dezen heldenroman tracht
Conscience zich boven het weeke te verheffen. Hij beschrijft Adolf
van Nieuwland als een jonge ridder, wiens gelaat "niet door verwyfde
schoonheid bekoorde; hy was niet van die mannen met roozenkleurige
wang en lachenden mond, wien niets behoeft dan een samaer om zich
tot vrouw te herscheppen."
Overigens is de toon van het werk, dat wel eens een epos wordt genoemd,
zoet en kalm:
"In den namiddag verliet Machteld de stad met alle hare dienaren en
vrouwen: dit vertrek gaf aan vele anderen het gedacht, dat zij in
Kortryk veiliger zouden kunnen woonen. Met een werd alles door haer
ingepakt, en de deuren gesloten hebbende, gingen zy met hare kinderen
ter Gendpoort uit.--Ontellyke huisgezinnen liepen in dier voege met
verscheurde voeten op den weg naar Kortryk, en zaeiden hunne bittere
tranen tusschen het gras dat by den boord der baen groeide.