Een figuur als die van Conscience ware niet te begrijpen,
zonder voldoende kennis van den toestand der Nederlandsche taal
en der letterkunde in Vlaamsch-België, op het oogenblik van zijn
verschijnen. Treurig was het er meê gesteld en het is haast niet te
verwonderen dat Nederlanders als Bakhuizen van den Brink nog later
van meening waren, dat Conscience en de overige Vlamingen beter zouden
gedaan hebben, voor hun volk in het Fransch te schrijven. Na 1830 waren
de leergangen van Nederlandsche taal- en letterkunde afgeschaft aan
de hoogescholen en gestichten voor middelbaar onderwijs. De Vlaamsche
opschriften op openbare gebouwen werden uitgekapt en door Fransche
vervangen. In 1846 nog had te Brussel een veiling plaats van de
Nederlandsche werken die van vroeger jaren in de regimentsbibliotheken
berustten.
Wel was de Nederlandsche beschaving onder de Spaansche overheersching
in België geknakt en had ze nooit meer den glans bereikt dien ze in
het Noorden verkreeg, maar de liefde van het volk voor zijn taal en
haar beoefening was nog lang blijven leven in de ontelbare kamers
van rhetorica. Onder de regeering van Koning Willem was dan de taal,
nagenoeg niet belemmerd, vooruitgegaan. Van 1803 tot 1815 werden door
rederijkers 26 dichtwedstrijden uitgeschreven, van 1816 tot 1830 wel
46. Na de omwenteling valt alles stil. Geen leven roert er gedurende de
vier eerste jaren van de Belgische onafhankelijkheid. Het dienstnemen
van een groot gedeelte, en niet het onwaardigste, van de Belgische
jeugd, was volgens Jan Frans Willems er een reden van.
Nu was de letterkunde, die in de 17e eeuw en later werd voortgebracht,
niet van groote waarde, maar haar beoefening hield het volk gereed
voor ernstiger eigen beschaving. In den Hollandschen tijd worden
eindelijk aan de hoogeschool van Luik door Kinker en aan die van Gent
door Schrant geleerden gevormd, die de nieuwe dragers kunnen worden
van de verwaarloosde cultuur. Zij zullen na de omwenteling de bewuste
leiders worden van de Vlaamsche beweging. Bij hen zal zich de begaafde
auto-didakt Willems aansluiten, die in 1819 het eerste deel van zijn
bekende "Verhandeling over de Nederduytsche tael- en letterkunde"
uitgaf, met het gedicht "Aen de Belgen" voorop, maar met Fransche
aanteekeningen, voorrede en vertaling. Opmerkenswaardig is het ook
dat, in de eerste jaren der Vlaamsche beweging, de Vlaamschgezinde
polemiek grootendeels in het Fransch wordt gevoerd.
Het veld, waar de vrienden van Conscience wilden werken, lag braak
genoeg.
De gevoelvolle romancier vindt in de Laet het ontwikkeld verstand, veel
dieper vorschend en meer bestand tegen stemmingen, dat zijn karakter
steunen kan en om zoo te zeggen volledigt. Des te vaster sluiten ze
zich bij elkander aan, en mogen ze al eens om het wisselend humeur van
Conscience op minder vriendschappelijken voet met elkaar verkeeren,
de Vlaamsche beweging brengt hen terug bijeen.
Zij werpen zich hals over kop in den politieken strijd, waarin het gaat
om de rechtsherstelling van Vlaamsch België, dat na de omwenteling
zoo schandelijk is achteruit gesteld. De Walen zijn oppermachtig
in het jonge land en met hen kwamen vreemdelingen aan het bewind,
Franschen, die hier alleen een welkom arbeidsveld voor hunne eerzucht
zochten. Nochtans verklaren de jonge Flaminganten zich niet tegen
de onafhankelijkheid van België; in tegenstelling met de ouderen,
die vooral te Gent, rond Snellaert gegroepeerd zijn, doen zij aan
vaderlandsche betoogingen mee. In Antwerpen stellen zij zich aan het
hoofd van de protestbeweging tegen de 24 artikelen, wat hen in botsing
brengt met den stederaad, die Orangistisch, alhoewel Franschgezind is.
Conscience staat dus bij de overheid zijner stad in het geheel niet
goed aangeschreven. Beter bij de landsregeering, die hem voor zijn
"Wonderjaer", door bemiddeling van den reeds befaamden schilder
Wappers, eene kleine subsidie toekende. Geruimen tijd reeds lijdt
hij armoede. Een betrekking van vijfhonderd frank 's jaars bij
het provinciaal bestuur heeft hij laten varen om aan zijn "Leeuw
van Vlaenderen" te arbeiden, die den minder gunstigen indruk van
"Phantazy" moet uitwisschen. Hij verwacht er veel van, maar het
succes wordt verminderd door de gebeurtenissen van den dag. Geplaagd
om zijn flamingantisme en gevaarlijk patriotisme, wordt hem het leven
nog onaangenamer gemaakt.
Ontmoedigd, ontzenuwd en verlangend naar rust biedt hij zich bij van
Geert als knecht aan, en werkt er in den tuin en 's avonds aan het
maken van naambordjes. Hij studeert na den arbeid botanica en tracht
overigens alle hooger streven te vergeten.
Niet lang echter duurt het of de arbeid geeft niet meer dezelfde
bevrediging. Hij tracht 's avonds alleen te zijn. Oude geestdrift
bevangt hem. In de serres, onder den zichtbaren sterrenhemel ontlast
hij zijn gemoed van wat hem bezighield en houdt in de eenzaamheid
geestdriftige redevoeringen. In zulke opgewonden stemming vinden hem
de vrienden, na acht maanden scheiding, die hem komen vragen om in hun
naam het woord te voeren bij het graf van een gestorven kunstenaar. Hij
zal voor een dag zijn klompen verlaten en weer een artiest zijn.
Bij de opene groeve, wanneer de officieele personen reeds willen
weggaan, wordt hij vooruit gedrongen en vindt hij roerende woorden. Hij
treft de toehoorders, geringe en hooggeplaatste, en van nu af wordt
zijn naam geëerbiedigd. Hij verlaat denzelfden dag zijn geringe
betrekking en betrekt een kamer in de stad.
In de dagbladen wordt over hem gesproken en als een jaar later het
standbeeld van Rubens wordt ingehuldigd, is hij reeds een groot
man in zijn stad. Hij houdt een toespraak en is secretaris van de
feestcommissie. Hij wordt de populairste redenaar van Antwerpen en
weldra van zijn land, want zijn bedrijvigheid is onvermoeibaar. Rechts
en links sticht hij kringen, hij reist naar vreemde steden om er
tweedracht te dempen of tot werken aan te zetten. In 1842, kort na
zijn benoeming tot griffier van de Academie van Schoone Kunsten,
huwt hij Maria Peinen, de dochter van een Engelschen diamantslijper.
De jaren die volgen zijn bewogen en brengen hem menige
ontgoocheling. Zijne onverzettelijke Vlaamschgezindheid berokkent
hem openlijke en geheime vijanden. In "Den Olyftak" eerst, in "Voor
Tael en Kunst," later, dat hij zelf stichtte en waar hij zijne beste
krachten aan wijdde, wordt hij verwijderd door een hatelijke reactie,
die hem vervolgt en in hem de verpersoonlijking, de ziel van de
Vlaamschgezindheid, tracht te treffen. Gedurende den politieken strijd
vooral wordt geen beleediging hem gespaard. Zijn flamingantisme richt
zich tegen het Franschgezinde liberale gemeentebestuur, door wiens
verdedigers hem zijn toegeven aan de katholieke gezindheid wordt
verweten: in 1843 liet hij een door de geestelijkheid gewijzigde
uitgave van "Het Wonderjaer" verschijnen, die hem in een oogenblik
van grooten nood gevraagd was.
In 1849 ontvlucht hij de stad en rust in de Kempen uit. Hij schrijft er
zijn bewonderenswaardigen "Loteling," die in 1850 verschijnt. Hij leeft
teruggetrokken en geeft zich geheel aan zijn letterkunde over, tot
hij in 1851 op aandringen van zijn vrienden een politieke candidatuur
aanvaardt en, zoo mogelijk nog heviger dan de eerste maal aangevallen,
ontgoocheld en gekwetst, aan alle inmenging in politiek vaarwel
zegt. Een maand vóór de verkiezing is zijn dochtertje gestorven.
In zijn klein huisje, in een mooie omgeving, leeft Conscience
betrekkelijk onbezorgd. Onderwijl blijven zijn vrienden hun werk
voortzetten. Antwerpen wordt de meest Vlaamschgezinde stad van het
land. De regeering kan het met haar niet goed zetten. Om al zulke
redenen voelt Gustaf Wappers zich verplicht ontslag te nemen als
bestuurder van de Academie en in 1854 volgt hem Conscience, uit
solidariteit met zijn vriend en beschermer.
Moeilijk kan hij voortaan in de behoeften van zijn huisgezin
voorzien. Hij tracht van de opbrengst zijner werken te leven, wat
hem ter nauwernood gelukt.
Hij klaagt zijn nood aan hooge beschermers. Zijn naam is in het
buitenland bekend en in Vlaamsch België heeft hij vele bewonderaars--en
in 1856 wordt hij tot arrondissements-commissaris benoemd te Kortrijk.
Aan zijn letterkundige werkzaamheid heeft deze verplaatsing geen goed
gedaan. Wel zendt hij elk jaar een aantal boekdeelen de wereld in,
om zijn taak te vervullen en door hun opbrengst zijn rang te kunnen
handhaven, maar hij mist de belangstellende vriendschap, die hem
ondanks de kwaadwilligheid van sommigen in Antwerpen omgaf en voelt
zich in het doodsche stadje terneer gedrukt. Af en toe reist hij even
naar Antwerpen, "om de schepen nog eens te zien vertrekken." Tegenspoed
in zijn familie vermindert nog zijn veerkracht. Hij klaagt aan zijn
vrienden hoezeer hij levensvreugde mist, en hoe hij zelf bemerkt dat
het gehalte van zijn romans vermindert. In 1865 schrijft hij naar
Antwerpen dat "(zijne) arbeidzaamheid waarschijnlijk langer zal duren
dan zijn talent."
Eindelijk in 1867 wordt hij naar Brussel geroepen, en gaat in het
Museum Wiertz wonen als Conservator der Koninklijke Musea. Hier leeft
hij rustig onder Vlaamsche vrienden. Hij is een beroemd man. Reeds te
Kortrijk ontving hij Victor Hugo en Alexander Dumas aan huis. Leopold
I kwam er en bezocht hem. Zijn eenvoudige verhalen waren tot aan
Duitsche hoven doorgedrongen en verrukten evenzeer het Fransche als
het Duitsche volk. Nogmaals werd hij diep getroffen. In 1869 stierven
bijna op denzelfden dag zijn twee zonen. Alleen een dochter bleef
hem over, Maria, later de vrouw van den dichter Gentil Antheunis, die
als zoovelen in het huis van Conscience belangstelling en vriendschap
had gevonden.
Hij werkt aanhoudend, al is hij zelf niet geheel tevreden. Den heelen
dag zit hij op zijn kamer en komt alleen des avonds beneden, bij
zijn familie en bij zijn vrienden, die er open tafel vinden. Zoovele
onderwerpen heeft hij behandeld en tracht nu eentonigheid te vermijden
door nieuwe genres te zoeken--die eigenlijk toch nog dezelfde
blijven. Zijn standbeeld wordt te Antwerpen door een dankbaar volk
onthuld en eenige dagen later, den 10 September 1883 sterft hij,
omringd van glorie, met de gedachte aan zijn geboortestad en het
nooddruftig land dat hij verlaat.