In 1836 is Conscience ontslagen, en keert terug naar Antwerpen,
waar hij door vader goed ontvangen wordt. Schijnbaar heeft hij alle
droombeelden vaarwel gezegd. Hij wacht nu naar een plaats van het
gouvernement. Hij mag nog zes maanden in het ouderlijke huis inwonen,
leest ondertusschen de romantische dichters onder voorwendsel van
grondiger taalstudie.
Op het aandringen van vader biedt hij zich na enkele maanden wachten
aan bij een paar kooplui, maar laat zich door hun koele ontvangst
afschrikken en is vast besloten, nooit zulke stappen meer te wagen. In
het naar huis gaan valt zijn oog op een bericht, dat een wedstrijd
aankondigt voor de plaats van adspirant-ingenieur bij den staat. Hij
heeft nog twee maanden tijd om het allernoodzakelijkste van de wiskunde
te leeren; de titel verlokt hem en hij ziet in het examen een middel
om alle vernederingen te ontkomen. Hij zet zich koortsig aan het
werk, blokt dag en nacht en loopt tusschendoor om inlichtingen naar
den vader van De Laet, een landmeter. Als hij de geheele hem vreemde
stof verwerkt heeft, stelt hij vast, dat de opgedane kennissen in zijn
arm hoofd overhoop liggen, en niet meer naast elkaar te ordenen. Zijn
krachten begeven hem, hij heeft koorts. Vader doet hem naar bed gaan
en verbiedt hem, nog een letter te lezen. Een maand nog zal hij rusten
en dan onherroepelijk zijn eigen weg zoeken.
Niet lang kon hij op zijn kamer blijven. Vrienden bezocht hij niet,
half om zijn vader niet te ergeren en half omdat hij tamelijk kalm
was. Eigenlijk mocht hij niet lezen, maar een fantastisch boek in
handen nemen, met plaatjes, als hij wel vroeger deed, is eerder
spelen. Op den zolder lagen nog overblijfsels van den boekenschat:
de beschrijving "der gantscher Nederlanden" van Guicciardinus en
een Antwerpsch Cronijkje van Ullens. Hij vond er groot vermaak in
het verhaal der beroerlijke tijden in deze boeken te volgen, die
in een naïeve taal geschreven waren. Aan de beschrijving van de
beeldstormerij gekomen legt hij het boek opzij, en voelt in zich
de lust om een oorspronkelijke schets te maken van die kleurige
dingen. Hij wandelt door den tuin en maakt een plan; verschuilt zich
in het priëel en tracht te schrijven.
"Vers la fin du XVIe siècle, notre patrie...."
"La Belgique gémissait sous le joug...."
Maar dat gaat niet, de gedachten blijven achter in zijn hoofd
steken. Hij droomt. Er komt een onwillekeurige beweging in zijn
pen. Hij denkt en schrijft:
"Het was in den jare onzes Heeren 1566, den 16 der maend Augustus. De
nacht was duister en de regen, die by afwisselende vlagen nederstortte,
had de nare straten der stad Antwerpen tot menigvuldige waterplassen
gemaekt. Geen ander licht deed zich in het verschiet op, dan de
weinige flikkerende keersjens, welke de inwooners voor de beelden
ontstoken hadden.... De nachtwaker alleen, met piek en lanteern,
doorkruiste de stad."
Hij gaat voort, verrast, en houdt niet op vóor alles donker geworden
is rond hem. Een redevoering gaapt, onvoleind, geestdriftig, maar
hij kan haar niet voltooien. Het licht schemert boven zijn papier,
vader mag niets weten.
Dat werd gewis een volslagen boek. Hij brandde om, met den nieuwen dag,
onder de open lucht te kunnen voortgaan. Aan vader zou hij zeggen,
dat hij aanteekeningen maakte uit de geschiedenis. Die had wel argwaan,
maar liet hem toch met vrede.
Als hij de vermoedelijke helft van zijn "roman" geschreven had, want
uit het plan voor een kort opstel waren liefdes- en patriotische
verwikkelingen gegroeid, tusschen de bloemen van het zomerhuisje,
kon hij zich niet ontzeggen om naar De Laet te loopen en hem, met
geestdrift en verwachting, een brok van zijn Vlaamsch proza voor
te lezen.
De Laet was in den hoogsten hemel en wenschte hem geluk. Denzelfden
avond werd nog een voorlezing gehouden in den Kunstenaarskring, waar de
kopstukken van de romantische plastiek vergaderd waren. In de dompige
herberg, voor de Block, Leys, de Braekeleer, Wappers en andere jonge
schilders, werd hem de lauwerkroon op het hoofd gedrukt. Eug. de
Block legde het voorzitterschap neer en droeg het op aan de nieuwe
glorie van Antwerpen. Ieder was van oordeel, dat het werk moest
uitgegeven worden, doch Conscience was moeilijk te overtuigen. De
kosten waren zoo hoog en alleen een bezoek bij Wappers, den afgod
van de romantische jeugd en inderdaad een uitstekend man, kon hem
bewegen om toe te stemmen. De Laet plaatste de warmste aanbevelingen
in de dagbladen en enkele dagen later zag een prospectus het licht.
"Hendrik Conscience" stond er, ditmaal met een Vlaamschen voornaam,
bovenaan. Het stuk vond overal zijn weg, ook bij zijns vaders
vrienden. Die konden het wel niet lezen, enkel de naam was hun bekend,
maar zij kwamen er mede bij zijn vader en leiden het hem voor oogen,
zeggend: "Wat staat hierop gedrukt? Is het niet ongehoord, dat de
zoon van een soldaat van Napoleon dingen schrijft, die zijn vader
niet verstaat?"
Een scène volgde. De taal van zijn vader had de jongen verloochend en
hij maakte zich bespottelijk in een patois! En de kosten! Er viel
absoluut niet aan te denken, dat het waanzinnig plan zou worden
uitgevoerd.
De koppigheid van den jongen romancier hield stand. Op zekeren avond
schrijft hij zijn vader een brief en knoopt, beangstigd en fier,
zijn zaakjes in een handdoek. Zijn werk zal gedrukt worden.
Hij verlaat het huis en trekt stedewaarts. Op de baan komt hij den
jongen bloemkweeker Karel van Geert tegen, die merkt dat er iets
aan scheelt. Die vraagt Conscience uit, neemt hem mee in zijn tuin
en verdwijnt in huis. Zijn moeder komt met hem terug en, vriendelijk
bezorgd, gaan ze met Conscience naar den Koning van Spanje, waar hij
voortaan zal kunnen blijven. In de groote bovenzaal van de herberg
staat, in een hoek, zijn bed.
Nauwelijks heeft hij zijn pak daar neergelegd en de menschen bedankt,
of hij zoekt De Laet op en vertelt hem alles wat er is gebeurd. De
Laet vindt zijn lot schoon en benijdenswaardig. Alleen in de wijde
wereld te staan en te moeten worstelen om vooruit te komen, niemand
rekenschap te moeten geven en geen dwang meer te voelen, alles te
mogen wagen: hoe sterk moet dat iemand maken om zijn doel te bereiken!
Des avonds, in de groote slaapkamer, komt zijn vader hem
bezoeken. Eerst verwijtend en ontdaan, maar dan betrouwend in de
vastberadenheid van zijn zoon.... "Hier in deze zaal," zegt hij,
"heb ik dertig jaar geleden nog als matroos gedanst...."
Onder de hoede van moeder Ann uit den Koning van Spanje beweegt
zich Conscience op eigen vlerken. "In 't Wonderjaer" verschijnt en
wordt als een blijde belofte begroet door de strijdlustige Vlaamsche
letterkundigen.