III.

Vader Conscience hertrouwde toen hij 47 jaar oud was. De nieuwe moeder

was een jonge vrouw van 25 jaar, een boerendochter uit Oostmalle, die,

zooals Conscience het zelf verhaalt, "voorzag dat God haar kinderen

zou verleenen". Van den 8en Januari 1827 tot den 19en Juni 1842 werden

haar inderdaad niet minder dan negen kinderen geboren. De goede vrouw

stierf den 28en Maart van het volgend jaar.

Met haar treedt de strengste spaarzaamheid in het gezin. Zij zwaait

hardhandig de plak der tucht. Het is niet waarschijnlijk dat de

jongens zich dat lieten welgevallen. "Ik kopte, zweeg en was dwars,"

zegt Hendrik, wiens eigenzinnige aard niet verdroeg dat hij door

derde personen uit zijn element werd gerukt. Na twee jaar dringt de

moeder op afdoende zuinigheidsmaatregelen aan. De jongens hebben

reeds een beroep moeten kiezen en geld verdienen. De kluis op den

"Groenen hoek" wordt nu verlaten en in het opkomende Borgerhout

wordt een zaakje begonnen. In December 1828 betrekt Conscience zijn

nieuwe woonst. Hendrik wilde geen handwerk leeren: hij had gehoopt

een naturalist te worden. Nu had hij echter de school van meester

Vercammen moeten bezoeken om er na korten leertijd ondermeester te

worden. Vercammen had hem Engelsch geleerd en bezorgde hem lessen

van Vlaamsch en Fransch in de Engelsche kolonie bij de naburige

fabriek. Overigens was het onderwijs er goed, als meest overal in

den Hollandschen tijd. Hendrik werd er eindelijk in de gelegenheid

gesteld, de taal van zijn moeder min of meer te leeren schrijven.

Lang zou hij bij Vercammen niet blijven. Al zeer vroeg vond hij

lieden die hem genegen waren; ook Vercammen hielp hem voort en liet

hem naar de school van Shaw overgaan, waar hij beter Fransch leerde,

en van waar hij eindelijk naar Monsieur Delin ging, die een school

hield voor de beste burgerij van de stad.

Een voorwaarde was dat hij zich deftig in een zwarten rok zou

kleeden. Doch vader was zeer zuinig--moest het wel zijn--en kocht ten

einde raad en over de kosten nog morrend, zijn zoon een afgedragen

kleed, dat hem niet paste en onderweg--Hendrik was meêgegaan en had

het ding moeten aantrekken--de voorbijgangers spottend deed stilstaan.

Hendrik was zestien jaar, misschien wat ijdel, maar vooral

teergevoelig. De tocht in den te langen jas was dus een lijdensweg. Hij

kwam bijna weenend van ergernis te huis, en vond bij niemand

troost. Vooral niet bij zijn oudsten broer, die hem niet begreep en

hem als eenig antwoord zijn gescheurde mouwen toonde.

Zoo uitgedost moest hij naar de nieuwe school, waar zijne verschijning

op den koer en in de klasse opstootjes verwekte. Alleen zijn

sympathieke stem, en zijne innemende manieren, deden de baldadige jeugd

kalmer worden en wonnen ze eindelijk geheel. Hij kon getroost vandaar

gaan, maar bleef nog lang onder den indruk van het bespottelijke

kleedingstuk.

Tehuis ging het hem ook niet naar zijn zin. Hij was al lang niet meer

zijn eigen meester. Als een verlossing uit onmin en dwang daagde

de omwenteling in 1830 op, die de regelmatigheid van het leven

onderbrak. Het geschut in de nabijheid van Antwerpen heeft hem als

een kwajongen aangetrokken. Hij delft gevallen kogels uit te midden

van het gevaar. Later, als de strijd binnen de Antwerpsche wallen

gevoerd wordt, tracht hij zich nuttig te maken, al wordt hij dikwijls

om zijn kinderlijk tenger uiterlijk vernederend afgewezen. Buiten weet

van zijn vader laat hij zich als vrijwilliger opschrijven, zoodra

meer manschappen worden gevraagd. Vader ontdekt hem in de rangen,

bij een schouwing, en doet hem er uit komen. Hij laat zich nochtans

door de schijnbare vastberadenheid van zijn zoon overreden en koopt

hem zelfs, innerlijk voldaan, een mooie en meer passende uitrusting.

Conscience vertrekt met hartelijke raadgevingen en wordt vanwege zijn

behendigheid met de pen en zijn "Geleerdheid" na enkele weken foerier.

Nu begon een soms aantrekkelijk leven. Verspreid in de Antwerpsche

kampen lag het Belgisch leger, doelloos, en de eene groep wist van

de andere gewoonlijk weinig af. De geestelijkheid was den opstand

genegen, zoodat de vrijwilligers op de dorpen doorgaans goed ontvangen

werden. Zoolang, natuurlijk, tot er gebrek kwam aan voedsel en de

tuchtelooze zwervers baldadig werden. De nachten waren koud. In den

winter was dan het leven hard. Bij het vuur, in de duisternis, stond

een eenzaam foerierken, met onder den linnen kiel een zwarten rok.

Conscience werd ziek. Hij mocht toen tijdelijk het kamp verlaten,

waar toch niets werd uitgericht, en een onderkomen zoeken in het

naaste dorp. Zijn kameraden zien hem medelijdend vertrekken. Zijn

handen bevriezen op zijn geweer, hij heeft de kracht niet meer

om het van schouder te veranderen. Te vergeefs klopt hij aan vele

deuren. Eindelijk wordt hem opengedaan, in een kleine hut, alleenig,

waar hij met de arme bewoners het stukje spek deelt, dat vrienden

hem hebben meegegeven. Hij vertelt, bij het warme vuurtje, dat nu

opflakkert om den aangekomene, van zijn tehuis, zijn kindsheid, zijn

ouders, zijn onderwijzerschap. Een groote liefde voor de menschen,

die hem liefderijk ontvingen, vervult hem. Hij gaat vermoeid slapen,

's Morgens vindt hij de koffie dampend op hem wachten, hij is al een

kind van het huis geworden. Begrijpt hij niet aanstonds hun eenvoudig

leven, vertelt hij hun niet de droomen van zijn verleden? Zoo leert hij

de heide kennen, haar bewoners en haar wilde verlaten schoonheid. Meer

dan bij vroegere wandelingen kan ze nu indruk maken op zijn karakter,

dat nog zoozeer te vormen is.

Dit leven, arcadisch, al is het dikwijls vol ontbering, wordt

afgebroken door den tocht naar Leuven. De vereenigde legers trekken de

Hollandsche troepen tegemoet. De soldaten, die het kamp verlieten,

voegen zich bij hun makkers. Na den slag wordt een doelmatiger

indeeling toegepast en de tucht versterkt. De droomerige foerier wordt

in zijn rustig leven gestoord. Hij raakt in onmin met zijn oversten;

hij kan zich naar de noodzakelijkheid niet schikken en aardt niet in

dat ruw gezelschap. In 1835 wordt hij gedegradeerd om zgn. nalatigheid

en ongeschiktheid.

Eigenlijk hindert hem dat weinig. Alleenlijk is hij eenigszins

bedroefd voor zijn vader, die hem te Bergen eens kwam bezoeken na zijn

uitbundige klachten en hem iets later schreef: Het leven is geen droom,

al zeggen het de filosofen; het is een werkelijke strijd; het lot is

de vijand, en men overwint hem met hem onversaagd in de oogen te zien.

Hendrik zou, althans in het leger, dien strijd niet aangaan. Andermaal

zou zijn neiging tot droomen en beschouwen een vasteren vorm

krijgen. Van een kort verlof in 1834 had hij gebruik gemaakt om

zijn ouden vriend De Laet op te zoeken, die hem door zijn vrienden

herhaalde malen had laten groeten. De Laet was dichter geworden en

verdedigde met André van Hasselt en nog eenige jongeren de nieuwe

dichterschool in België, in het Fransch. Hendrik zag voor zijn oogen

verbaasd een vuurwerk van geestdrift opsteken, waarin een glans van

roem lichtte. De naam van zijn vriend werd in tijdschriften gedrukt

en een benijdbaar geluk scheen het hem, zoo gepassioneerd te kunnen

uiten, voor alle menschen, wat er in zijn binnenste omging. Na enkele

dagen stond het voornemen bij hem vast denzelfden weg op te gaan. De

Laet had hem bezworen het te doen. Had hij ten slotte niet even hooge

aspiraties? Victor Hugo en Lamartine, en verder de verzen van De Laet

en diens vrienden zou hij tot voorbeeld nemen.

Daags na zijn terugkomst in het kamp van Venloo had hij zich

aan het dichten gezet. Weldra schrijft hij zijn brieven naar De

Laet in verzen. Zijn gedachten bleven in Antwerpen, waar hij zijn

vrienden achterliet. Hij dichtte des nachts in het kamp: "Sylphide

silencieux...." In zijn cel grift hij in den muur hoe hij verlangt

naar de stad, de Schelde en haar wazige einders. Op een nacht, na

zijn degradeering, zit hij op een houten koffertje te schrijven. Met

papier en een kaarsje had hij een kleine lamp gemaakt, die alleen een

plekje onder zijn hand verlichtte. De generaal op zijn ronde verrast

hem, doch spreekt hem vriendelijk toe. Daar het onmogelijk was hem

uit zijn dienst te ontslaan, werd hij naar Dendermonde verplaatst en

als onderwijzer in de regimentschool aangesteld.

Inmiddels heeft hij vernomen dat een jongen te Antwerpen, een vriend

van De Laet,--Theodoor van Rijswijck--Vlaamsche gedichten maakt. Hij

spreekt en schrijft daarover met De Laet, hij denkt erover na en bij

een van zijn brieven voegt hij een opstel, dat hij "eerst voor (zich)

zelven in de tael van (zijn) land had opgeschreven."--"Ik weet niet hoe

het komt," zegt hij, "maar ik vind in deze tael iets geheimzinnigs,

dieps, ernstigs, ja zelfs iets wilds! Indien ik ooit eenige kracht

verkryg, dan werk ik nog geheel en al in de Vlaemsche literatuer."

Hij is nu niet zoover van Antwerpen en zal wel af en toe naar

zijn vaderstad zijn gekomen, en in elk geval veel bezoek hebben

ontvangen. Hij haakt naar het oogenblik, dat hij in het burgerleven

voor goed zich aan de letterkunde zal kunnen wijden. Ook met Van

Rijswijck komt hij in nauwere betrekking, hij onderwerpt hem zijn

eerste proeven van Vlaamsche dichtkunde, ontvangt zijn raadgevingen

en eens, als hij terneergeslagen is, een tamelijk lang vers, "Voor

droefgeestigen" dat hem als troost en voorbeeld dienen moet. Hij

verontschuldigt zich herhaaldelijk over de slechte taal van zijn

brieven, en schrijft dat hij den dichter Van Duyse, die te Dendermonde

verblijft, niet durft opzoeken, omdat hij zoo slecht Vlaamsch spreekt

en Van Duyse te weinig Fransch kent. Met De Laet nochtans gebeurt de

briefwisseling nog steeds in het Fransch; dat gaat voorloopig veel

gemakkelijker. Met Van Rijswijck zou het bezwaarlijk kunnen. Hij is een

volksjongen, woont in hetzelfde kwartier waar Conscience geboren werd.

Hendrik Conscience, zijn persoon en zijn werk · 第 7 / 21 题