De kleine Hendrik was acht jaar toen zijn moeder stierf. De familie
had al een paar nieuwe woningen betrokken toen Pierre Conscience,
in 1822, een eigenaardig plan opvatte. Hij verliet de stad en huurde,
op tien minuten afstands van de wallen, een veld waarop hij een huisje
bouwde, geheel uit stukken van scheepswrakken samengesteld waar hij,
met de hulp van een vriend, een aardig geheel van had weten te vormen.
In den wilden tuin stonden, op geschikte plaatsen, kleiaarden
beeldjes die hijzelf boetseerde. In vrije oogenblikken maakte hij
teekeningen met de pen of schilderde figuren op glas. Dikwijls was
hij voor zijn zaak afwezig. Hij bleef dan drie tot vier dagen weg,
terwijl de jongens alleen in het huis waren midden de eenzame velden.
In volledige vrijheid groeiden de kinderen op. Geen gezag was er om
hen te berispen om een gescheurde broek of vuile handen. Geen school
en geen lastige taak. Ze kwamen en gingen 'lijk ze wilden. Ze leefden
gelijk de bloemen van het veld, en alle wetenschap dankten ze aan hun
vader, waarvan Hendrik later met liefderijke woorden getuigde: dat hij
"liefst des avonds, ja, soms tot middernacht, tusschen (hen) beiden
in de duisternis op een bank zat." "Dan toonde hij ons de sterren
en planeten, en leerde ons de namen der hemelteekens noemen. Als
zeeman kende hij veel van de sterrekunde; hij legde ons den loop
der hemellichamen uit, en zeide ons hoe de kapiteins hun baan op den
Oceaan berekenen en herkennen. Ik luisterde met gretigheid op zijn
verklaringen, nog lang zelf nadat hij opgehouden had van spreken....
"Zijne stem was gewoonlijk langzaam en kalm."
Een bijzondere neiging tot droomen en de natuur te onderzoeken kon
Hendrik botvieren in volkomen rust. Een ontmoeting zou ze voor goed
komen vestigen en meer bewust maken. Eens dat hij insekten op den weg
gadesloeg werd hij door een oud man aangesproken, die in de nabijheid
woonde en den kleinen jongen meermaals met kruiden en diertjes had in
de hand gezien. Het gesprek werd dikwijls daarna hervat. De grijsaard
was een gewezen priester van de St. Jacobskerk te Antwerpen, die in
den patriottentijd om zijn hervormingsgezindheid moeilijkheden had
gekregen met zijn oversten, en die nu eenzaam en menschenschuw zich
niet verre van den "Groenen Hoek" had teruggetrokken. De man schepte
genoegen in de geestdrift en de schranderheid van zijn jongen vriend,
die van hem de beginselen der natuurkennis leerde.
Niet veel later ontmoette hij een knaap die op zijn verder leven een
beslissenden invloed heeft uitgeoefend. Die heette Jan de Laet. Zijn
ouders waren begoed en hadden een landhuis tegen de stad. Dagelijks
liep hij langs de tuinpaden met een ezeltje, waarop de gebuurtjes,
ook de Consciencen, om beurten mochten rijden.
Een warme vriendschap werd zeer spoedig tusschen Hendrik en het
burgerkind gesloten. "Toen ik hem ontmoette," schreef de Laet in het
jaar van Conscience's dood, "was hij vijftien jaar oud en ik twaalf,
maar wij waren omtrent even groot en sterk." Zijn jongere broer
integendeel was goed ontwikkeld, en uiterlijk vol kracht en leven
evenals zijn vader, wat een groot kontrast vormde met de zenuwachtige,
teruggetrokken houding van Hendrik, die gewoonlijk melancholisch was
en in zich zelf gekeerd.
Nochtans waren zijn lichaamskrachten toereikend, en meer dan eens
overwon hij zijn jonge kameraden in het loopen of in de worsteling. Hij
was een onvermoeibaar zwemmer, een energiek roeier, en weinige
schippers konden als hij, op de Schelde, een zeilboot voeren. Maar
wat hem boven allen onderscheidde was zijn intellectueel en zedelijk
vermogen. Naast de taal van zijn vader en van zijn moeder had hij
genoeg Engelsch geleerd om Ossian te kunnen lezen.
De Laet beschrijft omstandig zijn passie voor de natuur:
"Henri prenait volontiers sa part de cet amusement champêtre (het
kweeken van bijen.) Mais ce qui pour tous n'était qu'un passetemps
ne tarda pas à se transformer pour lui en un sujet d'étude. On
connaissait une bonne demi-douzaine de sous-genres du bourdon,
différents de taille, de forme, de stries et de couleurs. D'aucuns,
tout le monde savait cela, habitent sous les bosquets, d'autres logent
dans les hautes herbes, d'autres préfèrent presque à fleur de terre
la mousse courte et drue; il en est aussi, et ce sont les plus gros,
dont le corps est d'un noir brillant à stries d'or et l'extrémité
postérieure d'un blanc de neige, qui, en vrais troglodytes, se creusent
une ruche à trois ou quatre pieds sous la surface du sol.
"La pensée qu'en vertu de la théorie de l'échelle des êtres, il devait
y avoir bien d'autres sous-genres ne tarda pas à hanter l'esprit
d'Henri. Mais comment les découvrir? Comment s'en emparer? Le moyen
fut bientôt trouvé. Notre ami possédait un caniche noir, au poil
abondant et crépu. On le pourrait dresser à la chasse du bourdon
et puis faire avec ce nouveau chien d'arrêt des excursions dans les
bois, dans les bruyères, dans les polders, terrains demeurés inconnus
jusqu'ores aux jeunes amateurs du sport. L'essai réussit à merveille
et notre aspirant naturaliste, au grand étonnement de ses camarades,
ne tarda pas à avoir sous la main, dans ses ruches-pot-à-fleurs,
une vingtaine de sous-genres. Faut-il ajouter qu'il s'empressa d'en
faire très scientifiquement et très méthodiquement une monographie
dont pourtant ses amis les plus intimes furent seuls admis à prendre
connaissance?" [1]
Dwalend door de velden, ver van zijns vaders huis, om te zoeken naar
merkwaardige planten en dieren, denkt hij alleen aan de wetenschap die
zich van lieverlede voor hem ontwikkelde. De gespaarde penningen dienen
om boeken te koopen over natuurkunde, chemie en plantenkunde. Met
wat oude boeken van vaders zolder, overblijfsels van d'ouden handel,
vormt hij een bibliotheek. Van literatuur heeft hij slechts vage
begrippen. Hij arbeidt in den hof en onderwijst de vriendjes in de
leer van Linnaeus.
Er klinkt ontroering uit dankbaar herdenken in de woorden, waarmee
hij later over den tuinhoek spreekt, die hem in vaders hof was
voorbehouden. In den morgen hield hij zich vroolijk bezig met het
onkruid uit zijn bloemperken te wieden. "Velerlei waren de gewassen
die de natuur op deze belommerde plaats had gezaaid: Daar ontstonden in
menigte de vergiftige Wolfsmelk, de wrange Zuurklaver, de verzachtende
Maluwe en het bijtende Lepelblad."