RATTEN, KOGELFLESCHJES EN LADDERS!

Het is voor negenen in den morgen. Een gedeelte van de bende staat voor

de school te knikkeren.

Een schel gefluit kondigt de nabijheid van Ambro aan en deze komt in

vollen draf aangerend, z’n knikkerzak boven z’n hoofd zwaaiend, als een

cavalerist, die op den vijand aanrukt.

Hijgend nadert hij het troepje.

„Potje schoffelen, Ambro,” vraagt Karel, „of pompen?”

Maar Ambro luistert niet naar hem. Hij is vervuld van het groote

nieuws, dat hij ze moet vertellen.

„Jongens, ik heb een brief, van wie denk je?”

„Van Margootje,” veronderstelt Paul.

„Bê-je,” zegt Ambro diep beleedigd.

„Daar zou ik zoo’n drukte van maken? Neen, ’t is geen zij, maar een

hij.”

„Ik weet ’t,” roept Piet. „Van Dokter Reens!”

„Wat zou die mij te schrijven hebben!”

De jongens branden van nieuwsgierigheid.

„Nog eenmaal raden,” roept Ambro en hij zet een gewichtig gezicht.

„Nou,” zegt Chris. „Dan is er nog maar een die ’t kan zijn... de

directeur van den Dierentuin.”

„Mis vader! Hij is van Wim Bolk.”

„Wim Bolk!” roepen ze in koor.

„Dat is waar, die leeft ook nog,” zegt Puckie droog.

Wim Bolk was met de noorderzon vertrokken, want z’n vertrek viel juist

in de groote vacantie, toen het meerendeel der jongens uit de stad was.

Zijn vader, ambtenaar der posterijen, was plotseling overgeplaatst naar

Haarlem en na het afscheid op school, vóór de groote vacantie, had geen

van de jongens Wim teruggezien.

Den eersten tijd had hij nog wel met hen gecorrespondeerd, ofschoon die

correspondentie uitsluitend bestond uit een prentkaart, met zijn naam

er onder. Maar vrij spoedig hielden ook deze levensteekenen op en

dachten de jongens niet meer aan elkaar.

„Zeg, jongens, hij komt weer hier wonen,” zei Ambro. „Z’n vader is weer

overgeplaatst.”

„Waar was ie ook weer?”

„In Haarlem. Hij vraagt me of jullie ’t allemaal goed maken en of het

Hol van Kaan nog bestaat. Met September gaat hij naar de H.B.S.”

„We hebben veel keet met hem gehad,” zegt Chris. „’t Was een

eerste-klas-keet-schopper.”

„Zou-die veranderd zijn?”

„An z’n brief zou je ’t niet zeggen,” zegt Ambro die den brief voor den

dag haalt.

De jongens steken de hoofden bijeen en lezen:

Hooggeachte bende van het Hol van Kaan,

Gij zult waarschijnlijk Uw oud mede-lid, die thans de pen heeft

opgenomen om zijne vroegere bondgenooten te verwittigen van zijn...

barst!... ik kan er niet uit komen.

Zeg, kerels, ik kom fijn weer in Rotterdam wonen, en dan zullen we

de peentjes opscheppen.

In Haarlem is ’t niks gedaan, hoor! Een saaie bedoening!

Op school trof ik allemaal brave Hendrikken, die niks durven. En om

alleen de beest uit te hangen... daar had ik geen lol in.

Dan wij, hè! Weet jullie nog, die keet aan de haven, toen Ambro aan

de kraan hing.

Toen ik ’t die brave Haarlemmer halletjes vertelde, wilden ze ’t

niet eens gelooven.

Een was wel eens in Rotterdam geweest en had, bij z’n terugkeer,

z’n voeten geveegd, vóór hij in Haarlem aankwam.

Nou, ik heb wat vaak naar de Rotterdamsche modder verlangd! Nog

twee weekie’s, dan ben ik er weer!

Leeft Alebes nog? Maken jullie het allemaal goed? En hoe staat ’t

met het Hol van Kaan? Met September ga ik naar de H.B.S. Jullie ook

zeker? Ik hoop maar, dat we allemaal op dezelfde komen. Een

reuzen-keet, zeg!

Komen jullie me allemaal van den trein halen, dan schrijf ik nog

hoe laat ik kom.

Adi, ik smeer ’m. Tot kijks,

Wim.

„Nee, hoor, hij is nog niks veranderd,” zegt Chris blij.

„Ik had ’m ook geen gezicht meer aangekeken,” zegt Puckie.

Ze vonden het allen eenparig fijn, dat ie terugkwam en Ambro vond, dat

zijn terugkeer feestelijk gevierd moest worden.

Daar ging de schoolbel.

„Fijn, vanmiddag vrij, kunnen we verder vergaderen in het Hol,” zegt

Ambro.

In korten tijd ligt het schoolplein, eerst zoo vol lawaai van joelende

jongens, nu stil en verlaten daar en wordt de schooldeur hard en

onverbiddelijk achter ze gesloten.

Ze zijn weer voor drie lange uren opgeborgen, de woelige rakkers.

De elementen waren hen echter dien middag niet gunstig gezind.

Toen de school uitging plasregende het en de jongens, hierop

onvoorbereid, rennen in woeste vaart naar huis.

Op school hebben ze afgesproken samen te komen in het oude apen-gebouw,

dat bij slecht weêr als vergaderzaal dienst deed.

Om één uur zijn ze allen present.

„Wat een snert-weêr,” zegt Ambro.

„Maar, dat is niets, dan maar wat turnen.” En meteen trekt hij zich op

aan een horizontale ijzeren stang en maakt den buik-zwaai.

In minder dan geen tijd bengelen nu alle jongens aan de zijstangen

naast de leege hokken.

Dan komt Chris met een plan voor den dag.

„Jongens, we gaan ratten vangen.”

„En zeker weer d’r uit getrapt worden,” roept Puckie.

„Neen,” zegt Ambro. „In dien kletsregen is ’t niks gedaan, dan zijn ze

d’r niet eens.”

„Wel neen, niet buiten,” schreeuwt Chris terug. „Hier zitten d’r bij de

vleet. Maar we moeten voorzichtig te werk gaan,... ik weet precies door

welk gaatje ze ’m piepen. Daar ginds,” wijst hij. „Tegen ’t schot bij

den chimpansee.”

„Hoe wil je ze dan pakken? Zeker met je handen.”

„Dat ’s te gevaarlijk,” zegt Paul. „Een rat in angst vliegt je naar de

keel.”

„O, daar heb je juffrouw Piepzak! Hoor je ’t jongens, Paul knijpt ’m

alweer,” plaagt Puckie.

„Neen,” zegt Chris. „Onder de cape krijgen we ze te pakken,” en hij

wijst op het eerste hok van den ingang af.

„Als we ons nou koest houden, komen ze daar maïs vreten, want je

begrijpt wel, dat ze, als we blijven schreeuwen en lawaai schoppen,

kalm in hun holletje blijven.”

„Ik begrijp er niks van,” zegt Ambro. „Wat mot je nou eigenlijk met die

cape?”

„Laat me dan ook uitspreken. Achter deze deuren stellen we ons op, dan

zal je zien, dat de ratten spoedig komen, want toen we daarnet

binnenkwamen zag ik ze „weg-peesen”. Dan gaan ze, zòò, langs den heelen

muur en aan het einde moeten ze een gangetje oversteken voor ze bij hun

hol zijn.

„Wij loopen met een cape daar ook naar toe, zoo hard we kunnen, hè! dan

gooien we de cape bliksemsnel op een rat en gaan er op dansen. Ben

reuzen-bak, jongens! ik heb ’t al meer gedaan.”

Nu deze ingewikkelde geschiedenis duidelijker vormen voor ze aanneemt,

vinden de jongens het plan kapitaal en ze besluiten dan maar direct te

beginnen.

„Als de oppasser ’t maar niet merkt,” waagt Paul het te zeggen.

„Och, Lutjebroek, als je bang bent, hoepel dan maar op. Trouwens, we

doen er een goed en nuttig werk meê.”

„Ja,” merkt Paul schamper op. „Een maand den tuin uit als je een dooje

rat op het kantoor brengt.”

„Verdelgt de ratten en ge zult spinazie eten,” zegt Ambro zalvend.

„Vooruit knullen, beginnen!”

„Hier moeten we staan,” en Chris neemt het opper-commando op zich.

„En één ding, jongens, kop dicht! Wie kabaal maakt, krijgt een peut in

z’n ribben.”

Onbewegelijk en dood-stil staan ze achter de deuren. Chris houdt een

oog in ’t zeil.

„Er kaikt mit één oogie!” imiteert Ambro een clown waarvan hij pas

genoten heeft, als hij Chris zoo naar één punt ziet staren.

Maar vijf stompen doen hem er aan herinneren, dat het wachtwoord „kop

dicht” is.

„Nog één keer,” dreigt veldheer Chris. „En dan smeer je ’m maar, jij

bederft altijd alles met je flauwe kul.”

Wel vijf minuten lang heerscht er de diepste stilte en met

wederzijdsche bewondering voor deze algeheele rust, kijken de jongens

elkaar in spanning aan.

Hun geduldig wachten wordt beloond. Een stevige rat schiet met een

telkens afgebroken vaart rrrtsss langs den muur.

Zóó is bij op zijn hoede voor dreigend gevaar, dat hij zich telkens

onbewegelijk houdt, en, geen onraad bespeurend, weer snel vooruit

schiet.

De jongens behoeven zich nu geen geweld meer aan te doen om stil te

zijn. Ademloos bespieden ze, met groote tintelende oogen, iedere

beweging van hun prooi.

De rat loopt z’n noodlot tegemoet, hij is den bak met maïs genaderd.

Als een pijl uit den boog, schiet Chris met zijn cape vooruit, de

jongens volgen hem. En de rat vliegt in volle vaart terug langs den

muur, maar Chris is hem vóór, en juist, als het dier het gangetje

oversteekt werpt hij handig de cape over hem heen en begint luid

schreeuwend, een woesten oorlogsdans boven op hem.

De jongens volgen direct zijn voorbeeld en als een troepje Indianen om

een gevangen blanken broeder, zoo voeren ze hun krijgsdans uit.

De rat, die niet weet, hoe hij ’t heeft, wijst door sprongen de plaats

aan waar hij zich onder de cape bevindt en iedere sprong, wordt

beantwoord met een trap naar zijn kant.

„Hou op, jongens, da’s wreed,” roept Paul met ongewone stemverheffing.

„As-t-ie dood moet, best, maar dan ineens.”

Ze zien hem daar ineens, bleek en klein tegen den muur gedrukt staan.

„Bah! hij is bang,” zegt smalend Chris.

„Dat ben ik niet,” zegt Paul heftig.

„Maar ik vind jullie laf. Je hebt ’m nou toch gepakt, laat ’m nou weer

los.”

Deze woorden van Paul hebben de jongens toch even tot kalmte gebracht,

en de rat heeft deze tijdelijke rust benut om onder de cape weg te

schieten en vliegensvlug in zijn hol te verdwijnen.

„Hoe was ie?” vraagt Chris zegevierend.

„Nog een keertje,” roept Karel.

„Dàt kê-je denken,” antwoordt Chris. „Nou duurt ’t uren voor-ie weer

komt.”

„Paul kijkt er beteuterd van,” zegt Ambro. „Jij moet maar rokken gaan

dragen,” smaalt Piet.

Paul, nu gerustgesteld over het lot van de rat, trekt zich van al die

gezegden bitter weinig aan.

„Zou ’t nog regenen?” vraagt Ambro.

Chris, die inziet, dat er niet veel meer in het oude apenhuis te doen

valt, zegt: „We zullen zien,” en met loopt hij naar den ingang en

constateert het heugelijk feit, dat de zon is doorgebroken.

„Pracht-weêr, jongens! Kom mee, we gaan er uit!”

„Naar ’t Hol,” roept Karel.

„Wel nee! daar is ’t nog kletsnat. Goed om de pip te krijgen.”

„Wat moeten we dan doen?”

Geen van hen weet iets te bedenken en de bende slentert doelloos voort

in de richting van de groote sociëteit.

„Willen we honderd meter hardloopen,” stelt Piet voor.

„Eerst me vriendin bezoeken,” zegt Ambro. „Ik weet geen raad van den

dorst.”

De vriendin van Ambro is een oude juffrouw, meer bekend onder den naam

van „het watervrouwtje”. Ze verkoopt glazen water voor 1 cent per stuk

en is tevens opper-„privaat”-meesteres.

Ambro stond bij haar in een goed blaadje, omdat hij dikwijls voor haar

op de torenklok ging kijken hoe laat het was. Als belooning mocht hij

dan zooveel water drinken als hij wilde.

Maar nu, zonder haar opdracht af te wachten, bracht hij haar de

tijding, dat het zeven minuten over drieën was, waarop ze hem

vriendelijk bedankte en vroeg of hij niet wat wilde drinken.

„Zes glazen drink ik vandaag,” was het antwoord van Ambro. „En als ik

ze niet alleen op kan, zullen me vrienden wel helpen.”

En zich tot dezen richtend, riep hij: „Jongens, ik geef een rondje

water.”

Zes groote glazen werden naar binnen geklokt. De jongens namen afscheid

van het oudje en vervolgden hun weg.

Toen ze de sociëteit genaderd waren, riep Puckie: „Kijk es, het

kelderluik staat open, laten we stiekum naar binnen kruipen en lol

maken.”

Dáár waren ze voor te vinden.

Een ontelbaar aantal stoeltjes stond in lange rijen tegen den

achtermuur van de sociëteit, klaar, om vervoerd te worden naar het

groote terrein bij de muziektent.

„Zou er niemand zijn,” fluistert Ambro en hij luistert aandachtig aan

het kelderluik.

„Ik hoor niks. Nou stil, jongens, ik zal wel voor gaan.” En hij daalt

behoedzaam het trapje af, dat naar den kelder voert. De rest van de

bende volgt. En nu staan ze in den half-duisteren kelder.

„Krimmenikkie, wat is ’t hier donker,” roept Paul.

„En vol ratten,” plaagt Ambro. „Volgen jullie me maar, straks zitten we

in stik-duisteren nacht.”

Blijkbaar is er niemand in den kelder en vol moed trekken ze nu

voorwaarts.

De kelder loopt door onder de geheele sociëteit en heeft dus een

verbazende omvang.

De jongens staan nu voor een vierkant gat in den muur, ongeveer een

meter boven den beganen grond.

Het schaarsche licht, dat door een raampje valt, maakt, dat ze nog net

kunnen zien, waar ze zich bevinden.

„Hier moeten we inkruipen,” zegt Ambro. „Maar pas op, dat je je kop

niet stoot, ’t is hier bar laag.”

Achtereenvolgens kruipen ze nu door het gat.

„Een mooie boel hier,” gromt Chris. „Waar kruip ik eigenlijk over heen?

Kolengruis of zand?”

„Dat zal je wel zien als je weer buiten bent,” zegt Ambro en hij

waarschuwt voor een gaspijp, die dwars over hun weg ligt.

„Zoo zullen we er nog een heeleboel tegen komen,” zegt hij.

„Waar ga je eigenlijk naar toe,” roept Karel, die evenmin als Chris erg

veel pleizier schijnt te hebben in dit duistere avontuur.

„Nog veertig meter ongeveer moeten we vooruit kruipen, dan komen we uit

de benauwenis en vinden als belooning voor ons ploeteren een heelen

stapel kogelfleschjes.”

„Hij zeit wat!” roept Chris ongeloovig.

„Op me woord van eer,” zegt Ambro.

Dit „prikkelende” vooruitzicht doet de jongens verder zonder morren hun

weg vervolgen over stof en kolengruis, gaspijpen en glasscherven en dat

alles, kruipend op hun buik in volslagen duisternis.

„We zijn er haast,” zegt Ambro.

„Ik proef ’t al,” roept Puckie.

„Ik zoek frambozen uit,” zegt Piet. „Als je tenminste zien kan wat je

te pakken hebt.”

„Ik gember,” zegt Paul verrukt.

Ze zijn nu in de nabijheid gekomen van het kelderraampje, aan de

voorzijde van de sociëteit en tot aller verademing wijkt de lage

zoldering boven hun hoofden en staan ze wederom in een half-verlichte

ruimte.

„Kijk jongens, daar staan ze,” roept Ambro triomfantelijk.

De jongens rennen er op af.

„Ver..., da’s een leege,” bromt Piet.

„Die ik heb ook,” roept Puckie.

„Ze zijn allemaal leeg,” schreeuwt Karel.

En Ambro, die dit reeds lang wist, maar zonder dit aanlokkelijk

vooruitzicht geen kans zag de bende mee te krijgen op dezen luguberen

tocht door de catacomben, zegt met het onnoozelste gezicht van de

wereld:

„Heb ik dan gezegd, dat ze vol waren?”

„Flauwe bak,” bromt Piet.

„Hebben we daarvoor zoo gezwoegd? Als je nog eens wat weet,” zegt

Chris, z’n handen van kolengruis reinigend.

„Nou, wees maar koest,” kalmeert Ambro. „Jullie krijgen ieder van mij

een mooi glazen knikkertje,” en meteen ketst hij met kracht een

kogelfleschje tegen den muur.

„Hier heb je er al een,” zegt hij, het glazen kogeltje aan Paul gevend.

„Da’s een idee,” zegt Chris getroost

De jongens, na allen Ambro’s voorbeeld volgend, pakken ieder een

projectiel en de onderaardsche gewelven daveren van uiteenspattende

granaten in den vorm van kogelfleschjes.

In minder dan geen tijd, heeft ieder een stuk of tien fleschjes

gebroken en met rijken buit belaân, wordt langs denzelfden moeilijken

weg de terugtocht aanvaard.

„Ik zal blij zijn als we weer buiten staan. Au!” schreeuwt Puckie, die

vergeten is, dat de zoldering maar een halve meter hoog is.

„Puckie denkt, dat z’n kop een kogelfleschje is,” lacht Ambro.

„Zouden ze niets gehoord hebben,” vraagt Paul bevreesd.

„Vast en zeker,” stelt Ambro hem gerust. „We vinden nu de deur gesloten

en een man tot de tanden toe gewapend er voor. Maar dat is niets, ik

weet een geheimen uitgang.”

Eindelijk zijn ze weer bij het vierkante gat gekomen, waardoor heen ze

hun tocht begonnen zijn.

„Zie je wel,” zegt Ambro verschrikt. „Het kelderluik is dicht! En de

geheime gang is versperd.”

„Wat moeten we nou beginnen?” zegt Paul en ook de andere jongens zien

de toekomst donker in.

In werkelijkheid, wilde Ambro z’n makkers slechts schrik aanjagen,

want, het kelderluik stond nog open en de geheime gang bestond slechts

in zijn verbeelding.

„Hij liegt,” roept Chris, die direct na Ambro het gat bereikte. „We

kunnen er uit, hoor!”

„Hè, gelukkig maar,” zucht Paul opgelucht „Ik was al bang den tuin

uitgetrapt te worden.”

Behouden staat het zestal weer buiten en als ze elkaar bekijken,

schateren ze het uit. Ze zijn veranderd in negers, hun kleeren, bedekt

met een dikke laag stof en spinrag, de gezichten zwart van kolengruis.

„Ja, jullie hebben lol,” zegt Paul beteuterd. „Maar ik heb pas een

nieuw pakkie an, daar zit weer wat op.”

„Kolengruis zit er op,” plaagt Ambro. „En dat zal er wel af gaan ook,”

en hij begint Paul zóó hardhandig af te kloppen, dat deze het

uitschreeuwt van pijn.

„Tjonge, jonge, wat stuift het? Weet je wat we doen, jongens? we gaan

straks naar het weiland achter het spoor en brengen onze kleertjes weer

netjes in orde, en...”

„Da’s van later zorg,” valt Piet Ambro in de rede. „Ik zie een hooge

ladder staan.”

„Waar?” vraagt Ambro haastig. En de angst voor hun besmeurde kleêren

vermindert sterk bij het gezicht van dit verleidelijk voorwerp.

„Daar moeten we op,” zegt Ambro, „niks an te doen!”

„Ik heb er voorloopig genoeg van,” zegt Paul knorrig.

„Des te beter, dan ga jij op den uitkijk staan en waarschuwt als er

iemand aankomt,” zegt Piet.

„Hij gaat heelemaal tot het dak, zie je wel. Ik zal wel weer voorgaan.”

En Ambro begint de ladder te beklimmen.

„Goed uitkijken, Paul,” roept hij toen hij midden op de ladder is

gekomen.

Piet wil hem onmiddellijk volgen, maar de ladder begint bij deze

beweging zoo onregelmatig te zwiepen, dat Ambro, een beetje benauwd,

naar beneden kijkt en tot Piet schreeuwt:

„Even wachten tot ik boven ben, stommert!”

En Piet houdt zich nu stil en hoeft niet lang te wachten, want Ambro is

het bovenste terras van de sociëteit genaderd.

„Hè, wat een fijn uitzicht!” zegt hij uitblazend. „Piet, nou kan je

komme.”

En achtereenvolgens klimt de bende, behalve Paul, naar boven.

„Wat nou?” vraagt Chris. „Daar staan we! Vriezen we dood, dan vriezen

we dood!”

„O, we kunnen nog hooger,” is Ambro’s antwoord. „En dan zullen we wel

verder zien.”

„Jij commandeert ons maar den heelen middag,” zegt Chris. „En wij doen

maar als makke schapen je zin.”

„Stil maar, ik heb alweer een plan. We gaan rangeeren.”

„Rangeeren?” vraagt Puckie, die zich al de gekste sprongen van Ambro

voorstelt, nu ze daar zoo hoog staan.

Ambro heeft nu een tweede ladder ontdekt, veel kleiner dan die ze

beklommen hebben en die naar het dak voert.

Blijkbaar zijn er op het oogenblik geen werklieden aanwezig en gretig

maakt de bende van deze gelegenheid gebruik en als ze eindelijk boven

staan, zegt Ambro tevreden: „Ziezoo, jongens, hooger kunnen we niet, en

nou gaat ’t spul beginnen.”

Hij haalt een groote fluit voor den dag en wijst naar een paar

goederenwagens op het spoorterrein achter den Dierentuin, die

gerangeerd moeten worden.

De fluit van den rangeerder had hem de booze gedachte ingegeven, ook

zijn fluit te gebruiken en daarmee den boel in de war te sturen.

De jongens zitten nu naast elkaar langs de daklijst. Plotseling laat

Ambro een langgerekt gefluit hooren en zóó zuiver was de nabootsing van

het rangeer-signaal, dat de machinist in den waan werd gebracht en de

locomotief tot staan bracht, met het gevolg, dat onmiddellijk een

tegen-signaal volgde van den rangeerder.

En toen Ambro voor de tweede maal deze grap uithaalde, kreeg de man de

bende op het dak in de gaten en begon luid vloekend met zijn vuist te

dreigen, terwijl hij ze den raad gaf gauw met dat spelletje op te

houden.

De waarschuwing van den man werd ontvangen met een waar hoongelach van

de brutale bengels, maar plotseling werden ze opgeschrikt door een

alarmkreet van Paul, die hen toeriep dat de werklieden in aantocht

waren.

„Hij houdt ons voor ’t lappie,” zegt Ambro. „Hij is natuurlijk bang,

dat we weer den tuin uitgetrapt worden, blijf maar gerust zitten,

jongens, en die kerel aan den overkant kan toch niet bij ons komen,

laat die maar vloeken.”

En ook op de tweede waarschuwing van Paul werd geen acht geslagen,

zoodat de werklui, die intusschen vlak bij waren gekomen, de jongens op

het dak ontdekten.

„Kijk daar een stelletje spreeuwen,” lachte een goedmoedige, oude

metselaar. „Ik zal ze daar es effe nemen!”

Paul staat duizend doodsangsten uit, doch durft niets te zeggen.

„Help es, Jan,” zegt de metselaar tot z’n zoon, een stevige, jonge

borst. „We zullen es effe dat laddertje weghalen,” en luid voegde hij

er aan toe: „Dan hebbe de heere daarbofe gratis losjies!”

„Zie je wel,” zegt Chris boven nijdig tot Ambro. „Paul hield ons niet

voor de mal, da’s niks voor hem.”

„Hij heeft weer es wat gedaan,” vult Puckie aan en de heele bende is

ineens tegen Ambro.

„Leggen jullie nou niet an me kop te kletsen,” zegt deze. „Maar laten

we liever een middel bedenken, hoe we zonder die ladder naar beneden

kunnen komen.”

„Dat wordt nek breken,” zegt Karel. „Ik heb geen zin in een doodval.”

„Al gevonden,” juicht Ambro. „Ze zullen een reuzen-strop hebben! Vlug

jongens, volg me!” en hij daalt de kleine ladder af, naar ’t eerste

terras.

Ambro’s beslist optreden en z’n résolute manier van spreken heeft de

gewenschte uitwerking op de jongens en ze gehoorzamen hun hoofdman weer

blindelings.

Ze staan nu op het terras, waarop de deuren uitkomen van het Indisch

Museum.

Ambro had reeds ontdekt, dat één ervan open stond en fluisterend tot de

jongens zegt hij: „Dàt deurtje is onze redding, maar we moeten

voorzichtig zijn en goed kijken of die vent van het Museum ons niet in

de gaten heeft.”

„Die maft het grootste deel van den dag,” zegt Piet. „Dus we hebben

kans.”

De rolgordijnen voor de deuren zijn neergelaten, om de zon buiten te

houden, dus voor ontdekking behoeven de jongens voorloopig niet bang te

zijn.

Op handen en voeten sloop Ambro naar de openstaande deur en keek

behoedzaam naar binnen.

„Inderdaad, de mummie maft,” zegt hij blij-verrast. „Nou zachtjes,

jongens. Als we hem eenmaal voorbij zijn, is het zaakie gezond.”

De bewaker van het museum, evenals de edele Alebes, een Oud-Gediende,

sliep als een Turk, hetgeen niet te verwonderen was, want het was een

warme dag en van bezoek was in dezen tijd van het jaar geen sprake.

Geruischloos sluipt nu het vijftal de deur binnen en of ze op vilten

toffeltjes loopen, inplaats van op stevige moddertrappers, zóó zacht

passeeren ze den slapenden waakhond.

Nu is de uitgang van het museum gauw bereikt en als ze eenmaal de trap

genaderd zijn, holt de bende juichend naar beneden, terwijl het laatste

gedeelte afgegleden wordt langs de breede trapleuning.

„Wat een strop,” lacht Ambro. „Dat hadden ze niet gedacht, de kevers!

Ik ga ze vertellen, dat er vijf jongens in nood zitten, want mij hadden

ze toch niet in de gaten.”

„Ja, ja, een reuzen-bak,” roepen de jongens.

En met z’n zoetsappigste snuitje gaat hij naar de werklieden, terwijl

de overige jongens zich verscholen houden.

„Mijnheer,” spreekt hij den ouden metselaar aan. „Aan den anderen kant

van de sociëteit staan vijf jongens te schreeuwen, ze kunnen d’r niet

af. Boven op het dak, mijnheer, heelemaal boven.”

„Ja, ja, ik weet ’t,” zegt de oude man. „Laat ze maar schreeuwen, me

hebbe den tijd. Asse-me naar huis gaan, magge ze d’r af, en dat duurt

nog een paar uurtjes.”

„Hè toe, laat u ze d’r af, ’t huilen staat ze nader dan ’t lachen.”

„Zeur niet, jong, anders kâ-je een pak op je broek krijgen.”

Ambro geeft het op en slentert langzaam weg. En als hij op een

behoorlijken afstand van den metselaar is gekomen, wenkt hij de

jongens.

En als ze weer allemaal bij elkaar zijn, maakt hij van z’n hand een

toeter en schreeuwt tot den metselaar:

„Meheer! hier zijn ze al! De spreeuwen kenne vliege, leg ze zout op hun

staart!”

En in woeste vaart rennen ze weg, bang, achtervolgd te worden door de

werklui.

„Naar ’t Hol, naar ’t Hol!” gilt Ambro.

En als ze daar, hijgend en blazend aangekomen zijn, vinden ze Paul, die

rustig zit te lezen en laconiek zegt: „Ik dacht wel dat jullie

ontsnappen zouden, Ambro was er toch bij.”

Dit volkomen vertrouwen streelde den hoofdman niet weinig.

Het hol van Kaan · 第 20 / 28 题