AMBRO EN PAUL OP REIS.

De jongens hebben Paasch-vacantie. De meeste van hen zijn uit de stad.

Ambro en Paul zijn de eenigen die in stad bleven en ze hebben zich

voorgenomen veel samen uit te gaan.

Allerlei tochten zijn al op touw gezet om toch zooveel mogelijk te

kunnen genieten van de vacantie.

Op een dezer dagen komt Paul al ’s morgens vroeg naar Ambro toe om hem

te vragen of hij lust heeft hem te vergezellen naar Delft, waar hij een

pakje moet brengen naar zijn grooten broer, die daar in garnizoen ligt.

„’t Is wèl een heel eind, heen en terug,” zegt Ambro, die niet veel

voelt voor zoo’n reuzenloop.

Maar Paul stelt hem spoedig gerust.

„Bê-je mal! niet loopen! we gaan heen en terug met het bootje.”

„’t Zal niet gaan, man, ik heb nog maar twee kwartjes en die ga ik niet

in één dag opmaken.”

„Dat hoeft ook niet; moeder fuift ons. Ik vond ’t saai om alleen te

gaan en vroeg of ik jou mee mocht nemen. Dat vond moeder best en ze gaf

me reisgeld voor ons allebei.”

„Dan is ie fijn en nu ben ik je man,” zei Ambro. „Ik zal ’t even aan

moeder gaan zeggen.”

In een wip is ie terug en zegt: „Wanneer gaan we?”

„Over een uur gaat het bootje.”

„Kom mee, Paul, dan tracteer ik op appelen, dan hebben we wat te bikken

onderweg.”

„Goed, en dan gaan we meteen thuis het pakje aanhalen.”

„Maar wacht es,” zegt Ambro. „Hoe laat komen we terug?”

„Om half vier ongeveer.”

„Waar moeten we dan brood eten?”

„Da’s al lang in orde. Moeder heeft voor alles gezorgd. Voor ieder een

stapel kadetjes met ham en kaas.”

„Gommenikkie, da’s fijn!”

„En we mogen in een kattekroeg wat gaan drinken.”

„Dat wordt een reuzen-dag!” zegt Ambro verheugd.

Dan gaan de beide jongens op stap. Ambro koopt een pond goudreinetten.

„Wat een kanjers,” zegt Paul. „Me broekzakken puilen er van uit.”

„Nou, ik zal er niet lang last van hebben,” lacht Ambro.

Intusschen hebben ze Paul’s huis bereikt, waar ze het pakje afhalen.

Boven aan de trap roept mevrouw: „Ambro, zul je goed op Paul passen?”

„Ja mevrouw,” is het antwoord. „U krijgt hem heelhuids terug.”

En nu begeven de jongens zich naar het bootje.

„We gaan eerste klas, hoor!” zegt Paul. „Dan zitten we fijn vooraan. En

anders krijg je al de rook in je facie.”

„Chique!” zegt Ambro. „Kijk het bankje bij de bel is vrij, laten we

daar gaan zitten, dan mogen we bellen als ie vertrekt.”

Ze zijn echter veel te vroeg en er is nog geen sprake van vertrekken.

„Ik ga een appel schillen,” zegt Ambro en hij haalt zijn mes te

voorschijn; het mes, dat alle jongens hem benijden, want het is groot,

en gevuld met alle soorten van mesjes en priempjes en het is overal

voor te gebruiken.

De machinist van de boot, die vlak bij de jongens z’n pijpje staat te

rooken, kijkt er met welgevallen naar.

„Dat messie mag er wezen, jongeheer.”

Ambro, zeer gevleid, geeft hem het mes om ’t van dichtbij te laten

bekijken.

„’n Effetief messie, best staal, zal nog heel wat gekost hebben.”

„Niks heeft ’t me gekost. Zoo maar voor noppes weggehaald.”

„’t Zal niet waar zijn,” zegt de machinist.

„Nee, niet weggekaapt! Eerlijk verdiend, hoor!”

„En je zeit weggehaald!”

„Op de zomer-kermis, boven in een mast, die met groene zeep was

ingesmeerd. Ik had een heele sjouw voor ik er was en toen ik eenmaal

boven was, wist ik niet wat ik pakken zon, een ham of het mes.

„Maar ik koos toch ’t mes en nou ben ik er maar blij om, want ’t heeft

me al heel wat diensten bewezen.”

„Dat heb je ’m kranig gelapt,” zegt de machinist goedkeurend. „Die

paaltjes valle anders nog niks niet mee, ik ben tenminste es

halleverwege blijve steke.”

„Mot je een stukkie,” vraagt Ambro, hem de helft van zijn appel

voorhoudend.

„As ik je niet ontrijf. Maar, ’t is zoo’n groot brok, je houdt temet

zelf niks over.”

„O, we hebben plenty, man.”

„Nou, dan op je santé.”

Vóór de machinist vertrekt, heeft ook Paul hem zijn aandeel geofferd.

Nu nadert de schipper, om met de bel het sein tot vertrek te geven.

„Mogen wij het doen?” vraagt Ambro.

„Ga je gang, jongeheer. Ik doe ’t elken dag.”

En Ambro belt alsof zijn leven er van af hangt. De bewoners van de

Schie hadden nog nooit zoo luid en lang het vertrek van het bootje

hooren aankondigen.

„Nou is ’t genoeg,” roept lachend de schipper. „Anders komen we nog

zonder bel in Delft aan.”

En Paul, die op zijn beurt gehoopt had de bel te mogen luiden, werd

beloofd bij de aankomst aan de eerste aanlegplaats zijn schade te mogen

inhalen.

Juist zou de loopplank naar binnen gehaald worden, als van de kade

hevig met een parapluie wuivend, een oude juffrouw aan komt loopen, zoo

hard, als haar onderdanen het toelieten.

„Wacht even, schipper, die juffrouw moet nog mee,” roept Ambro.

„Ja, ik zie ’t” zegt de schipper en terwijl hij de juffrouw, die

intusschen de loopplank bereikt heeft, ridderlijk de hand toesteekt,

zegt hij goedig: „Kalm an maar, moeder, me hebbe de tijd.”

De juffrouw wordt hijgend en puffend naar binnen gehaald en de jongens

krijgen nu een mede-passagier.

De juffrouw is nog niet in staat een woord uit te brengen en zit

amechtig naar lucht happend op een bank, terwijl ze het bezweete

welgedane gezicht met een netjes opgevouwen, hagelwitten zakdoek

afveegt.

„Hè, hè... hè, hè... is dat loope!... mense, mense,... hè, hè!”

„Blij dat u zit, juffrouw,” toetert Ambro haar in de ooren, zoo hard,

alsof ’t vanzelf sprak dat de juffrouw doof was, hetgeen ze wederom

beantwoordde met de noodige „hè hè’s” en „mense mense”.

„Dat scheelde maar een haartje,” schreeuwt Ambro, nòg harder dan den

vorigen keer, in de meening, dat zijn eerste gebrul niet verstaan was

door de juffrouw.

Dit blijkt tè kras voor haar trommelvlies en ze keert zich verwoed naar

Ambro om, terwijl ze nijdig zegt:

„Ik bin niet doof! je hoef niet zoo te schreeuwe!”

Na dezen uitval kijkt Ambro haar even beteuterd aan en wijdt dan weer

zijn volle aandacht aan een worm, dien hij in een van zijn mooie

goudreinetten ontdekte.

„Ik bin anders altoos op tijd,” opent de juffrouw eensklaps het

gesprek. „Me klokkie gong sekers na.”

„Wat zegt u, juffrouw?” zegt Ambro, z’n oor vlak bij haar gezicht

houdend.

Als ze hem verbaasd aankijkt, zegt de deugniet, terwijl hij

veiligheidshalve een eindje van haar af gaat zitten:

„Ik ben ook niet doof!”

En onmiddellijk laat hij er op volgen: „Moet u een stukkie?” en houdt

haar een stuk appel voor.

Dit verteedert de juffrouw en met een vriendelijk: „Dank Uwes wel,

jongeheer,” neemt ze het partje aan, dat ze luid smakkend verorbert.

„Is dat uw zoontje?” vraagt eensklaps Ambro, op Paul wijzend.

Paul, die zich al dien tijd stil hield en zich kostelijk vermaakte met

het gesprek tusschen het tweetal, proest het op eenmaal uit.

„Wou je ’n oud mensch nemen?” zegt de juffrouw lachend tegen Ambro. „Me

jongste soontje is al vijf en dertig. En die heit er krek zoo eentje

als deuze.”

„Nou, dan kon ’t uw kleinzoontje zijn. Paul, daar zit je opoe. Lach es

tegen d’r.”

„Je bent me d’r eentje,” zegt de juffrouw, maar ze heeft toch schik in

hem.

„Moet u ook naar Delft?” vraagt Paul.

„Nee, ikke gaan na de Zwet, na me dochter, die heit daar ’n cefé.”

„Met een schommel?” vraagt Ambro vol belangstelling.

„Ja, achter ’t beffet,” lacht de juffrouw.

De schipper komt de kaartjes ophalen.

„Opoe betaalt voor ons,” zegt Ambro.

„’t Is toch... wat e rakker, hè? Sal me ’n lekker dier thuis sijn...!

Soo twalef!!”

Dan licht ze zorgvuldig haar japonrok op en haalt uit een grooten

witten zak, een knipbeurs van enormen omvang en grut er met beverige

vingers het geld voor een „karetje” uit.

„Tot de Zwet,” zegt ze.

„De gewone reis, moeder,” zegt de schipper die haar reeds van lange

jaren kent.

„Wij moeten naar Delft,” zegt Paul.

„Verkoopt u retourtjes?”

„Nee, jongeheer, alleenig enkelde reissie’s.”

„Dan twee stuks,” zegt Paul waardig.

„Ja, ja,” lacht Ambro. „Ik mag vandaag met oome uit.”

„Gane jullie soo same na Delleft?” informeert de juffrouw.

„Ja, juffrouw,” zegt Ambro. „Opkomen voor ons nummer, we zijn d’r

allebei ingeloot.”

„Hoor nou zoo’n broekeman,” zegt de schipper onder het weggaan.

„Dat zal nog wel een paar jaartjes anhouwe.”

„Sou je graag soldaat sijn?” vraagt de juffrouw aan Ambro.

„Nee,” zegt Ambro. „Ik hou van commandeeren en niet van gecommandeerd

te worden.”

„Toe maar, toe maar, wat een baassie!” lacht de juffrouw.

„Maar hij,” zegt Ambro, op Paul wijzend. „Hij is er gek op. Hij kan een

heelen dag met een houten geweertje en een kurk spelen.”

„Nee, hoor juffrouw,” valt Paul hem vlug in de rede. „Hij jokt maar

wat, ik moet er ook niets van hebben, me broer zegt ook dat ’t een nare

zooi is en zonde van je goeie tijd.”

„O, is uwes broer in dienst?” zegt de juffrouw, bij voorbaat ja

knikkend met ’t hoofd.

„Al zeven maanden zit ie d’r in,” zegt Paul. „En nou heeft ie straf;

daarom gaan we naar Delft om ’m wat lekkers te brengen.”

„Heit ie straf?” zegt meewarig de juffrouw. „En mag ie nou niet naar

huis?”

„Hij heeft veertien dagen, hoe heet ’t ook weer, o ja,

kwartier-arrest.”

„Sa-je gebeure,” zegt de juffrouw, ofschoon ze volstrekt niet weet wat

kwartier-arrest wil zeggen.

„Sit ie nou in ’n hok?” informeert ze op fluisterenden toon.

„Ja,” lacht Ambro. „Aan een ketting.”

„O, daar hei je die pejas ook weer. Van jou geloof ik toch nooit niks

meer.”

„Nee juffrouw,” licht Paul haar beleefd in. „Dat is het cachot wat u

bedoelt, dat is voor erge feiten, zegt me broer.”

„Wat heit ie dan wel gedaan, zonder nieuwsgierig te zijn,” zegt de

juffrouw.

„Hij heeft aan den luitenant z’n sik getrokken,” zegt Ambro. „’t Was

een aangeplakte, want hij hield ’m in zijn hand.”

„Och malle,” lacht Paul. „Niks van aan, hoor juffrouw. Hij was niet

geschoren op een inspectie en toen heeft een sergeant hem er bij

gelapt.”

„Wat een stuk sjagrijn! Ja, se kenne die jonges soo koejeneere,” zegt

de juffrouw vol medegevoel.

„Ja,” zegt Ambro. „Ik wist dat ’t iets met den baard te maken had.”

„Jongeheer, belle!” onderbreekt de schipper hun gekeuvel en Paul vliegt

op de bel af en haalt z’n schade van straks terdege in.

„Nou, ik bin d’r,” zegt de juffrouw, terwijl ze haar parapluie en

mandje ter hand neemt.

„Goeie reis verdere, jongeheere.”

„Dag juffrouw,” zeggen de jongens beleefd.

Het bootje zet zijn reis voort.

Onderweg moeten zij onder twee bruggen doorvaren. De pijp wordt omlaag

gehaald en ook de ijzeren hekken van het bovendek moeten plat liggen

opdat de boot zonder stooten onder de brug door kan.

De schipper, die rustig zijn pijpje zat te rooken, verlaat nu ook het

dek, want de brug is in aantocht.

Maar Ambro heeft schik in het geval en stelt Paul voor boven op het dek

te klimmen.

„Je zal heusch je kop niet stooten! kom Paul, we gaan plat op onzen

buik liggen, net als de stoompijp.”

Meteen is Ambro al naar boven en Paul, hoewel een beetje angstig voor

zijn hoofd, volgt hem.

„Wat een rare knullen,” zegt de schipper lachend. „Als een verstandig

mensch voor zijn gemak naar beneje gaat, motte hullie juist naar bove.”

„’t Kan immers geen kwaad?” informeert Paul.

„Nee hoor,” stelt de schipper hem gerust. „Als je maar plat blijft

liggen en niet je neus in den wind steekt.”

Intusschen is de boot bij de brug gekomen en glijdt op eigen vaart er

onder door.

„Hè fijn,” juicht Ambro. „Hij schuift net langs mijn pet.”

„Tòch gevaarlijk,” zegt Paul. „Hij moet maar eens ’n beetje hooger

liggen, de brug zal heusch niet uit den weg gaan en dan zouden we toch

netjes gekraakt worden.”

„Bê-je nou!” is de verontwaardigde uitroep van Ambro. „De pijp ligt

immers nog hooger dan wij.”

Maar ze zijn er al veilig onder door en Paul herademt. Hij vond het een

benauwde bedoening.

„Straks nog een brug,” zegt Ambro. „Jammer, dat er geen twintig

onderweg zijn. Ik vind het wàt emmes, ’t is weer eens wat anders.”

Het hol van Kaan · 第 21 / 28 题