en in kleine letters staat er onder:
„Uit dank voor uw heerlijk spel.”
Dien kijkt eenigszins teleurgesteld, ze had de hulde hooger-op gezocht.
Even had ze... aan Frits gedacht... die al een lange broek draagt... en
die den laatsten tijd opvallend veel haar huis passeert.
Haar buurvrouw, die haar ontstemming opmerkt zegt:
„Vin-je ’t niet eenig van dat joggie?”
„Wat verbeeldt ie zich wel, die aap!”
„Hè Dien, wat onaardig,” zegt valsch-verontwaardigd buurvrouwtje, die
diep in haar hartje een gevoel van innig leedvermaak verbergt, voor
Dien’s teleurstelling.
Dien, die haar doorziet, neemt zichzelf voor, te doen, alsof ze zeer
blij is met de bloemen-hulde en zegt liefjes:
„Ik moet hem toch eens even toeknikken.”
Ze draait zich om en knikt allervriendelijkst naar Karel, terwijl ze de
bloemen in de hoogte houdt en er eenige keeren haar neusje in laat te
gast gaan.
Karel, die niets van die manoeuvre begrijpt, lacht verlegen terug en
geeft door een handbeweging te kennen hoe mooi hij de bloemen vindt.
Boven, op de gaanderij, duiken vijf jongenskoppen weg, krimpen de
roovers in mekaar van ingehouden lach.
„Hij is alweer reusachtig,” grinnikt Ambro. „Zag je wel, Karel snapt er
niets van.”
„Straks gaat ze hem bedanken, en dan is ie heelemaal fijn.”
„Laten we nou koest zijn, want ’t begint weer,” zegt Piet waarschuwend.
Ze hooren nu dit laatste nummer voor de pauze rustig aan.
„Hè, ik ben blij dat het pauze is,” zegt Puckie. „Ik zit toch liever in
het circus. ’t Is eigenlijk allemaal één pot nat zoo’n uitvoering.”
„Nou opletten, wat er verder gebeurt,” zegt Ambro, die geen oog afliet
van Dina en Karel.
Laatstgenoemde is van zijn plaats gegaan en bij zijn familie gaan
zitten. Juist is ie bezig aan een glas limonade als plotseling Dina
voor hem staat, hem hartelijk bij de hand pakt en deze zóó krachtig
schudt, dat de limonade naar alle kanten vliegt.
„Wat aardig van je,” zegt ze, hem liefelijk toelachend.
„Hè,... wat bedoel je...,” zegt Karel bedremmeld.
Mijnheer en mevrouw Boekers buigen zich vol aandacht naar het tweetal
over.
„Ja, hou je nu maar niet van den domme,” lacht ze schalks. „Ze zijn
prachtig, hoor! Mijnheer en mevrouw, u wordt ook vriendelijk bedankt.”
„Ik begrijp je niet, ik weet nergens van,” zegt Karel. „Je bedoelt toch
niet de bloemen? die zijn heusch niet van mij.”
„En je kaartje dan,” zegt Dina ongeloovig.
„Wat is dat allemaal,” zegt mijnheer.
Nu mengt mevrouw zich in het gesprek.
„O, dacht je dat de bloemen van Karel waren? heusch niet, hoor Dien.”
„Och mevrouw, en zijn kaartje hangt er aan!”
Dan gaat Karel plotseling een licht op en als hij naar boven kijkt, pal
in de glundere tronie’s van de bende—weet hij genoeg.
„Nu begrijp ik ’t,” zegt hij lachend. „Dat hebben de jongens me
geleverd.”
En als mijnheer en mevrouw Boekers met Dina eveneens naar boven kijken,
is er geen roover meer te zien.
„Da’s kras,” giert Karel. „Net zitten ze er alle vijf en nu zit er geen
een!”
„Of hun geweten ook kriebelt,” lacht mijnheer.
„Wat een deugnieten,” zegt mevrouw. „Dat heeft bepaald Ambro weer op
touw gezet.”
Met een blik op het half verlegen gelaat van zijn zoontje, zegt
mijnheer: „Nou, van die grap heb jij geen nadeel en Dien alleen maar
voordeel gehad.”
„Ik moet ze toch even zien te vinden,” zegt Karel. „Mag ik bij ze boven
zitten?”
En als zijn vader hierin toestemt, gaat hij vlug op zoek naar zijn
kornuiten, blij, eindelijk verlost te zijn uit zijn benarde positie.