KAREL’S EERSTE OPTREDEN.

„Karel, wanneer is je concert?” vraagt Ambro op zekeren dag aan zijn in

het Hol vergaderde kornuiten.

„Me concert!!” lacht Karel.

„Nou ja, die uitvoering dan, waar je op speelt.”

Chris kijkt belangstellend op.

„Speel je op een uitvoering?” vraagt hij.

„Ja,” zegt Karel kwasi-onverschillig.

„Ik speel op een uitvoering van de muziekschool, over een week of drie,

geloof ik.”

„Moet je alleen spelen?” vraagt Paul, die het geval zeer huiverig

vindt.

„Nou alleen! Natuurlijk met begeleiding van piano.”

„Jôh, wat keetig,” vindt Puckie.

„Zeg, mot er een snaar springen!”

„Liever niet,” zegt Karel. „Dan kan ik de fiedel wel meteen

neerleggen.”

„Kan je dan niet op drie snaren spelen?” vraagt Puckie.

„Nee, man, dat gaat niet. Ik lap ’t ’m tenminste niet.”

„En wie speelt er piano?” vraagt Piet.

„O, een van de oudere leerlingen, een meisje, geloof ik.”

„Hm, hm!” laat Ambro veelbeteekenend hooren.

Karel vat direct vlam. „Toe, schei uit, flauwerik!”

„Ik zeg niks,” beweert Ambro, maar z’n ondeugende kijkers zeggen

genoeg.

„We moeten er allemaal heen,” zegt Chris.

„Natuurlijk,” beaamt Ambro. „Zeg, jôh, kan je ons kaarten bezorgen?”

„Ik denk ’t wel,” zegt Karel met het air van een groot artist.

„Dan gaan we met z’n allen boven zitten en we zullen voor je klappen,

jôh, dat hooren en zien je vergaat.”

„En als ik nou slecht speel, of in de war raak,” twijfelt Karel.

„Bê-je! Jij krijgt geen plankenkoorts,” zegt Ambro, die veel vertrouwen

in Karel’s spel schijnt te hebben.

„Wat speel je,” vraagt Chris.

„Een viool-concert van Seitz,” zegt Karel gewichtig. „Drie deelen, jôh,

moet je niet uitparemesanen!”

„Wel een beetje lang,” vindt Puckie, die niet erg muzikaal aangelegd is

en een gramophoon veel mooier vindt dan zoo’n lang concert.

„Dan ga je niet,” zegt Karel beleedigd.

„Zal je gewaar worden! Als ’t me verveelt ga ik maffen.”

„Nou, Paganini, ik ga naar huis,” lacht Ambro. „Wie gaat er mee?”

Het heele troepje volgt hem en het Hol is weer voor een poosje verlaten

door zijn bewoners.

Een paar dagen later loopen Chris en Ambro na schooltijd samen een

straatje om.

Ze hebben iets gewichtigs te bespreken en Ambro’s kop neigt zich

geheimzinnig naar Chris over.

„Weet je al wat?” vraagt hij.

„Hij is van den bakker, hoor!” zegt Chris vol pret. „Ik heb er m’n zus

voorgespannen, die d’r vriendin is ook op de muziekschool.”

„Fijn, man, fijn!” juicht Ambro. „Wie is het?”

„’t Is een meisje van zestien jaar, ze heet Dina Terlaken.”

„En je weet zeker, dat die Karel begeleidt?”

„Vast en zeker, me zus wist zelfs te vertellen, wat ze speelden.”

„Oei ha! Nou kunnen we hem er tusschen nemen.”

„Zouden de anderen mee willen doen?”

„Vast hoor! En als ze ’t niet doen, kan ’t me nog niks schelen, want

dan geef ik er den riks voor dien ik van Opa kreeg.”

„Nou, ik heb er graag een gulden voor over, als de anderen niet mee

doen. Ik heb m’n eene verfdoos verkocht an me neefie en nou heb ik weer

lood.”

„Wat zal ie fijn worden! We motten er bijtijds voor zorgen.”

„Laat dat maar aan mij over.”

De volgende dagen wordt er door alle jongens, behalve Karel, hevig

beraadslaagd en ’t is een vreeselijk geheimzinnig gedoe, waarbij

telkens onderdrukte lachjes weerklinken.

Veertien dagen later.—In den huize Boekers heerscht een gejaagde

drukte. De avond is namelijk aangebroken, waarop Karel’s debuut zal

plaats hebben. Deze loopt, in een fonkelnieuw pakje, gejaagd door de

kamer. Telkens werpt hij tersluiks een blik in den spiegel om zich

ervan te overtuigen, dat zijn kuif nog even mooi zit als straks, toen

nicht Marie hem met veel moeite in orde bracht. De twee zussen, in

mooie witte jurken, zitten met hoogroode kleuren aan tafel, in

afwachting van het rijtuig, dat de familie naar de concertzaal zal

brengen.

„Jongen, is je viool heelemaal in orde?” vraagt moeder bezorgd. „Heb je

wel snaren in je kist?”

„Ja, moeder, heusch, heusch,” zegt Karel gejaagd.

„En ligt je muziek klaar?” klinkt vader’s zware basstem van achter de

courant, waarin hij nog gauw even zit te lezen.

„O, da’s waar ook, m’n muziek,” schrikt Karel op.

De zussen hollen al naar den muzieklessenaar, doch „Seitz” staat er

niet op.

Karel kijkt wanhopig. Het stond er toch altijd op.

„In de muziekkast misschien?” vraagt moeder.

Karel rommelt in angstige haast de heele kast omver—doch „Seitz” is

niet te vinden.

„Op de piano,” zegt nicht Marie en haast zich er naar toe.

„Het rijtuig,” gillen de zussen er tusschen door.

„Moet maar even wachten,” kalmeert vader.

Allen zijn nu aan het zoeken, doch het verloren schaap komt niet

terecht.

„Wat moet ik nu beginnen?” jammert de ongelukkige solist.

„Kalm blijven en eens goed bedenken waar je het ’t laatste zag,” zegt

vader.

Nicht Marie heeft intusschen op Karel’s kamer gezocht, doch zonder

resultaat.

„Heb je ’t ook in je overjas gestoken?” vraagt moeder.

„Ja, ja,” roept Karel blij. „Nu weet ik ’t. Uit angst, dat ik ’t

vergeten zou, heb ik het er in gedaan.”

En jawel! In Karel’s overjas, zit heel veilig het muziekrolletje.

Nu gaat de heele familie haastig naar het rijtuig, dat ze vlug naar de

concertzaal brengt.

De zaal is stampvol. Familieleden en vrienden der jeugdige executanten

zitten allen in spanning te wachten op de dingen die komen zullen.

Op de galerij zitten de roovers uit het Hol van Kaan allen naast

elkaar. Ze wisselen groetjes met schoolvriendjes en gedragen zich zeer

behoorlijk.

„Daar heb je Karel,” roept Ambro, als hij de familie Boekers de zaal

ziet binnentreden.

„Tsjonge, wat ziet ie d’r piekfijn uit,” zegt Puckie bewonderend.

„Kijk es, hij heeft een lèf-doekie in z’n jaszak!” lacht Chris.

„Da’s om z’n viool af te vegen,” verdedigt Paul direct.

„Nou, ik begrijp wel, dat ie d’r zijn gaffel niet in snuit,” zegt Chris

beleedigd.

Het concert wordt geopend met een vierhandigen marsch, gespeeld door

twee kleine meisjes, die als ze voor de piano zitten, als twee

druppelen water op elkaar gelijken.

„Kijk daar es,” galmt Puckie.

„De Siameesche tweelingen!”

„Hou je kop,” roept Ambro.

„Straks worden we d’r nog uitgetrapt.”

„Ik had een strikkie aangedaan als ik haar was,” fluistert Piet,

doelend op een reusachtig haarlint van een der spelende slachtoffers,

een lint, schier grooter dan haar kopje.

„Karel krijgt straks ook een lintje in z’n kuif,” grinnikt Ambro.

„Sttt,” roept nijdig een zenuwachtig heertje, dat dichtbij ze zit.

„Vast d’r pipa,” waagt Ambro het te fluisteren.

De Siameesche tweelingen spelen niet onverdienstelijk en als het nummer

uit is, zijn ze in de achting van de bende boven gestegen, maar, als

ze, dankend voor het hun ten deel gevallen applaus met een stijve

„kniks” bedanken, beginnen de jongens onbedaarlijk te lachen.

„Wat een aanstelsters,” hoont Ambro.

„Dat hebben ze vast bij die lieve juffrouw Hesterman geleerd.”

„Wat krijgen we nou?”

„Gedresseerde honden!”

„Nee, eerst Maciste, de krachtpatser!”

„Wie heeft een programma?”

„Hier,” zegt Paul schuchter.

„Waar is het mijne?” zegt Piet, terwijl hij overal rondzoekt.

„Bijna beneden,” is het antwoord van Ambro.

Deze laatste heeft van het zijne een proppenschieter gemaakt, terwijl

hij dat van Piet voor de munitie-aanmaak gebruikte.

De rakker is met den grootsten ijver bezig een kaalhoofdig heer onder

hem, onder vuur te krijgen.

Af en toe ziet hij een dame verbaasd een propje uit haar schoot

opdiepen, doch als ze naar boven kijkt, trekt de schelm zoo’n

onschuldig gezicht, dat niemand hem van kwaad zou verdenken.

„Pas op,” waarschuwt Piet. „De zaal-chef staat vuil op je te loeren.”

Ambro, uit angst de zaal uitgezet te zullen worden, alvorens Karel het

glansnummer van den avond gespeeld heeft, houdt nu zijn gemak een

beetje.

„’t Hoeveelste nummer komt Karel ook weer?”

„Het derde gelukkig,” zucht Paul, die erg in angst zit voor Karel.

Het tweede nummer is een van de oudere leerlingen, die een aria zal

zingen.

Het is een tamelijk corpulente jongedame, die met alle allures van een

groote concertzangeres het podium betreedt.

„Wat een Paasch-os,” zegt Chris.

„Ze lijdt aan ondervoeding,” smaalt Ambro.

Net zal de juffrouw haar aria inzetten, als Ambro, die den lust tot

kattekwaad niet kàn weerstaan, plotseling Paul een hevige kneep in z’n

zitvlak geeft, waarop deze met een gil van pijn „Au” schreeuwt. De

pianist houdt op en de geheele zaal werpt verwoede blikken naar de

plaats, waar de gil vandaan kwam.

De directeur van de muziekschool loopt vertoornd de trapjes op naar het

tooneel en zegt:

„Jongelui, wanneer jullie niet kalm kunt zijn, zal ik je er uit laten

zetten, begrepen? Als je nog te klein bent, om je op een concert

behoorlijk te gedragen, dan moet je de zaal verlaten. Dit is de eenige

waarschuwing die ik jullie geef.”

Met korte, driftige pasjes verlaat hij het podium en de jongens blijven

met beschaamde gezichten zitten.

Het nummer wordt nu onder doodelijke stilte afgewerkt en als het uit

is, zien de jongens Paul zitten, met betraande oogen.

„Ben je ontroerd?” vraagt Piet.

„Neen, van die kneep,” hapert Paul.

„Gemeen van je,” zegt Piet tegen Ambro. „Als we straks buiten komen zal

ik je afknokken.”

„Ik wist niet, dat ie zoo hard aankwam,” zegt Ambro berouwvol en reikt

Paul een halve Kwatta toe.

Paul, altijd vergevensgezind, neemt het geschenk dankbaar aan en lacht

door z’n tranen, die meer hun oorsprong hadden in de berisping van den

directeur in het openbaar, dan om de kneep zelf.

„Ze zullen toch wel op tijd komen,” zegt Chris bezorgd.

„Wie?” vraagt Ambro.

„De...” fluistert Chris.

„Natuurlijk, ik heb die vent een fooitje gegeven.”

Dan komt het groote moment... Karel’s optreden.

„Daar heb je hem,” zegt Paul zacht, met een stille bewondering in zijn

stem en, als gold het hen zelf, zijn ze nu allen, stil als muisjes.

De jongedame, die Karel begeleiden zal, tikt zacht een a op de piano

aan, en Karel stemt nog even zijn viool, die door de

temperatuursverandering alweer ontstemd was.

Dan speelt ze de eerste maten en valt Karel mooi op tijd en met

krachtigen streek in.

„Hij lapt ’t ’m!” fluistert Ambro.

„Ik vind ’t prachtig,” zegt Chris.

„Ssst!” zegt Piet, die over de balustrade hangt, om toch geen nootje te

verliezen van het ten gehoore gebrachte.

Het eerste deel is ten einde en alvorens het tweede te beginnen, heeft

Karel al een flink applaus te pakken. Dat geeft hem moed en met nog

meer durf begint hij aan het tweede deel. Dit, en het laatste, loopen

dan ook best van stapel en het publiek is klaarblijkelijk zeer

ingenomen met de vorderingen van het jeugdig violistje.

Boven van de gaanderij weerklinkt zoo’n salvo van toejuichingen, met

uitroepen als „leve Karel”, dat ditmaal het publiek niet vertoornd,

maar lachend naar boven kijkt.

Temidden van dit tumult verschijnt eensklaps de zaal-chef op het

podium, die het meiske, dat Karel begeleidde, een mooien bouquet

aanbiedt.

Het meisje is geheel verlegen door deze bloemenhulde en neemt den

bouquet aan, als ware het een natte parapluie.

Dan verlaat het tweetal, onder hernieuwde toejuichingen het podium.

Ze nemen hun plaatsen op de daarvoor gereserveerde eerste rijen weer

in.

Het meisje wordt direct door de andere meisjes-leerlingen bestormd met

de vraag van wie ze die bloemen wel heeft. ’t Is immers een gebeurtenis

dat iemand op een uitvoering van de muziekschool bloemen krijgt.

„Toe Dien, zeg dan eens, van wie heb je ze,” zegt haar buurvrouw.

„Gut kind, ik weet ’t niet, ik ben zelf zoo verbaasd.”

„Daar hangt toch het kaartje!”

„Dat had ik niet eens gezien.”

Dit heele tooneeltje wordt van boven, door de bende, met speuroogen

gevolgd. En al hooren ze niets van het gesprek daar beneden, de drukke

gebaren zeggen hun genoeg.

Intusschen heeft Dina met bevende vingers het kaartje uit de enveloppe

gehaald, en tot groote hilariteit van de anderen leest ze de in

sierlijke letters geschreven naam...

Het hol van Kaan · 第 18 / 28 题