DE KUNSTVEILING.

In het hol van Kaan zitten de jongens voor hun doen rustig bij elkaar.

Ambro heeft ze wel een uur bezig gehouden met allerlei caricaturen te

teekenen van bekende menschen. En het was telkens weer een gejuich en

geschater als uit de krabbels mijnheer zus of mevrouw zóó herkend

werden.

Teekenen was Ambro’s lust en leven en de anders zoo ongedurige jongen

kon urenlang rustig blijven zitten als hij zijn schetsboek en potlood

ter hand had genomen.

Zijn teeken-leeraar had dan ook reeds eenige malen het Hoofd der school

er opmerkzaam op gemaakt, dat de jongen een uitgesproken teekentalent

had.

Dat was door dezen aan Ambro’s ouders overgebracht, doch meneer

Terbrugge vond zijn zoon nog te jong om daar nu al over te denken en

was van meening dat hij eerst de Hoogere Burgerschool moest bezoeken en

men dan kon zien welken kant men met Ambro uit moest.

Ambro zelf dacht over dit alles weinig na; hij teekende, omdat hij er

den drang toe voelde, doch voorloopig was zijn hoogste ideaal clown te

worden en het dient gezegd, ook dáár had de jongen, met zijn geestige,

luimige invallen en z’n bewegelijk gezicht veel aanleg toe.

Maar.... clown is een beroep, dat je nu niet bij voorkeur voor je zoon

wenscht en Ambro’s ouders brachten, door verstandig met hem te praten,

hun jongen onder het oog hoeveel mooier dit beroep lijkt, dan ’t in

werkelijkheid is.

„Ik schei er uit,” riep Ambro plotseling en smeet potlood en schetsboek

op den grond.

Maar nu volgde de altijd weerkeerende strijd van de jongens om de

teekeningen. Chris gooide zich in z’n volle lengte op het boek en hield

het krampachtig onder zich.

De andere jongens buitelden over hem heen, rukkend en trekkend om toch

het boek te bemachtigen.

Ambro keek met welgevallen naar den strijd.

„Hou vast, Chris!” moedigde hij aan. „Wie me boek vernielt kan ’t

betalen!”

Chris lag te hijgen onder het gewicht van die kluit jongens boven op

hem en eindelijk gaf hij den ongelijken strijd op.

Juist wilde Karel hem het boek afpakken, toen Ambro met een vluggen

sprong toeschoot en zich er meester van maakte.

„Ik ga ze veilen,” zei hij in een van die plotselinge opwellingen die

ze altijd weer een nieuw pretje bezorgde.

„Wie heeft ’t spieje bij zich?”

„Zeg, jôh, keetig!” zei Puckie verheugd. „Ambro is Cocadorus!”

„Eerst spieje zien!” gilde Ambro.

De roovers keken bedenkelijk. ’t Was het einde van de week en dan was

er meestal niet veel meer over van het toch al niet zoo ver-reikende

weekgeld.

„Ik heb nog een dup,” juichte Paul, terwijl hij uitgelaten rond sprong.

„Wat een lefschopper!” riep Piet nijdig. „Daar kan ie warempel het

heele boek wel voor koopen!”

„Ben je van Lotje getikt!” zei Ambro diep-beleedigd. „Ja! ik zal ze

daar voor zoo’n koopie laten! An me nooit niet!”

„Ik heb twee spie,” zei Chris.

„Ik vijf,” zei Puckie. „Maar ik mot nog twee spie apart houden voor een

zijrups van me zus.”

Karel Boekers keek bedrukt, keerde z’n zak om en om, maar vond niets

anders dan een stukje gum, twee knoopen, drie spijkers, een catapult en

een klein opschrijfboekje dat hij van z’n zus weggekaapt had.

„’t Is niet veel,” lachte Ambro. „De schetsen van den beroemden

teekenaar Ambrosius Terbruggios zijn meer waard, mijne Heeren! Maar

vooruit, we zullen ze toch veilen.”

Ambro ging boven op een stoel staan en de jongens stonden in afwachting

van de dingen die komen zouden, om hem heen.

„Geacht publiek,” begon hij en trok bij die woorden een onweerstaanbaar

komiek gezicht.

„Hier brengen wij de teekeningen in veiling van den sinds honderd jaren

overleden grrrooten schilder Ambrrrosius Terrrbruggios.

„Wat zegt u daar, meneerrr? Hij is nog niet dood!! Als een pier,

meneerrr!”

Ambro scheurde een teekening uit het schetsboek.

„Hierrr ziet U het welgelijkend evenbeeld van de Oud-tante van den

schilderrr, mejuffrrrouw Petrronella Terrrbrruggios. Tot zelfs de

wrrrat op Haar Eed’les neus is duidelijk zichtbaarrr. Wie bied errr wat

voor de wrrrat van Peterrronella?”

De jongens gierden het uit, Chris vouwde dubbel van de lach.

„Ik bied een spie,” gilde hij.

„Wie biedt er meer dan één spie,” galmde Ambro. „Een spie is te weinig,

het is een familieporrrtrret, mijne Heerrren!”

„Twee spie,” bood Paul.

„Niemand meerrr dan twee spie?

„’t Is te geef, mijne Heerrren, over nog eens honderrrd jaarrr is de

wrrrat het tiendubbele waard! Niemand meerrr!—Eenmaal... andermaal...

het is voorrr den kunstkooperrr Paul!”

Het gaf een gejoel van belang, toen Paul het welgelijkend portret van

de tante met de wrat in handen kreeg.

Wederom scheurde Ambro een blaadje uit het schetsboek en hield de

teekening hoog in de lucht.

„Ziehierrr, mijne vrrrienden, wederrrom een fraaie teekening, ditmaal

het porrrtret van een der leerrrmeesterrrs van wijlen den Heerrr

Ambrrrosius Terrrbrrruggios.

„De kikker!” gilden de jongens door elkaar.

„Die moet ik hebben,” schreeuwde Chris.

„Zal je geleerd worden,” snauwde Puckie.

„Ik heb drie spie en ik geef ze d’r ook voor!”

„Bedaarrr, mijne vrrrienden,” sprak Ambro op denzelfden zalvenden toon.

„Kalmte alleen kan u rrredden! Dit porrtrret heeft grrroote waarrrde.

’t Is van een historisch geworden perrsoon! De Kikkerrrr was zijn

bijnaam, want hij sprrak niet, mijne vrrrienden, hij kwèkte! Jè, jè,

jè!” hier imiteerde Ambro op schitterende wijze den gehaten

onderwijzer, die de jongens met den bijnaam van „de kikker” hadden

vereerd.

„Hou op,” gilde Karel. „’t Is ’m precies, ’t is of ik de vent hoor!”

„Wie bied er wèt voor jè, jè, jè? Een grrroot man, een geleerrrde,

mijne Heerreen!”

„Twee spie,” riep Chris, z’n heele hebben en houwen er aan wagend.

„Drie spie,” zei Puckie tergend kalm.

„Vier spie,” haastte Chris zich te zeggen.

„Je hebt er maar twee,” herinnerde de solide Paul hem.

„Twee moet ie me poffen, betaal ik ’m de volgende week,” zei Chris.

„Geld bij den visch, mijne Heerrren, Jantje Contantje,” lachte de

afslager.

„Me opschrijfboekie en me gum zet ik in,” schreeuwde Karel.

„Vijf spie,” zei Paultje, met het air van een millionnair, die, in het

zekere bezit van zoo’n onmetelijk kapitaal, wel zoo’n ongehoord groot

bedrag mocht inzetten.

„Neen, dat is gemeen,” riep Chris verontwaardigd. „Hij heeft de wrat

ook al.”

„Hij heeft de spieje,” plaagde Ambro.

„Me zakboekie en me gum zijn ook niet voor de poes,” lokte Karel.

„Neen,” peinsde de afslager. „Enne... me gum is net op.”

Karel hield ’t zakboekje in de hoogte.

„Voorrr deze meneerrr is het porrtrret van de Kikkerrr!” zei Ambro en

reikte Karel de teekening over.

De anderen hingen direct om hem heen om de teekening nog eens goed te

kunnen zien.

„Jôh! wat is ie fijn! Zeg, Boekie, morgen uit je schrift laten vallen,

net voor z’n voeten.”

„Nee hoor,” zei Ambro. „Geen flauwsies! hij heeft toch al zoo de pik op

me.”

„Toe Ambro, nou de andere veilen,” drong Chris aan.

„Nee hoor, ik word zoo schor als een kip en ’t verveelt me ook.”

„Hè jakkes, jôh, wat flauw! Nou hebben Chris en Piet en ik niks,” zei

Puckie spijtig.

„Nou, weet je wat, geven jullie dan ieder twee cent, dan krijgen jullie

er een.”

„Effe kijke of ik heb,” zei Piet en hij grabbelde in zijn zak. „Een

spie en een kapotte vingerhoed. Hebbe?” vroeg hij.

„Nou, vooruit maar,” zei Ambro.

Piet kreeg „Ouwe juffrouw Hardwijk”, de juffrouw uit de kiosk bij den

Dierentuin, Chris kreeg „de bullebijter” een van de suppoosten en

Puckie werd de gelukkige eigenaar van het welgelijkend conterfeitsel

van „Alebes”.

„Hoeveel heb je nou,” vroeg Paul belangstellend.

„Effe kijke,” bromde Ambro. „Dat is twee spie van Paul, twee van Chris

en twee van Puckie is zes, wat een snert-zooi! Kà-je haast niks voor

koopen.”

Ambro, blijft even in gedachte zitten. Dan springt hij plotseling op en

terwijl z’n oogen schitteren roept hij:

„Ga mee, knullen, we gaan naar „de hazelip”, in de Tuinderstraat

kaneelhompen halen. Ik fuif jullie.”

En joelende verlaat de heele bende het hol om zich naar de

Tuinderstraat te begeven en de opbrengst van de veiling om te zetten in

kaneelhompen.

Het hol van Kaan · 第 14 / 28 题