Het is Zaterdagmorgen.—De jongens zitten op school.
Ze zijn dezen morgen, allen zonder uitzondering heel ongedurig en
mijnheer heeft al eenige keeren verboden.
Als ze eindelijk vijf minuten pauze hebben, staat Karel op en vraagt of
mijnheer hem permissie wil geven de klasse te tracteeren.
„Wel, wat is er aan de hand, jongen? Ben je jarig?” vraagt mijnheer.
„Ja mijnheer,” zegt Karel verheugd.
„Zoo, dan begrijp ik, dat jullie vanmorgen zoo bizonder onrustig en
onoplettend bent. Zeker een pretje in ’t vooruitzicht,” lacht mijnheer.
Karel knipte geheimzinnig tegen z’n makkers.
„En òf, mijnheer,” zegt hij. „Maar, ’t is nog een verrassing voor m’n
vrienden, ik mag niets vertellen.”
Nu haalt Karel een zak vol heerlijke bruidsuikers uit zijn schooltasch
en begint te presenteeren.
Mijnheer treft een ulevel, waaromheen een papiertje zit met een rijmpje
er op.
„Toe mijnheer, leest u voor,” roepen de jongens.
Mijnheer leest het fraaie twee-regelige gedicht en begint dan hard te
lachen.
„Toe, mijnheer, toe,” dringen de jongens, „leest u nu voor.”
Onder ademlooze stilte leest mijnheer op tragischen toon de volgende
fraaie dichtregels voor:
Juffrouw, al kijkt u nog zoo raar,
De huwelijksschuit ligt voor u klaar!
Een uitbundig gelach breekt los, dàt is ook al te mooi!
„Dat slaat als een tang op een varken,” gilt Ambro. „Mijnheer is geen
juffrouw en mijnheer is al lang getrouwd. O, wat is ie fijn!”
Mijnheer laat ze eens even uitlachen en dan gaan allen weer aan ’t
werk.
Maar den jongens duurt deze morgen zoo eindeloos lang en telkens moet
Karel z’n horloge raadplegen om zich te overtuigen dat ’t nu heusch nòg
geen twaalf uur is.
Eindelijk is de morgen dan toch om en hollen de jongens uitgelaten de
straat op.
Ze verdringen zich om Karel en trachten hem nog het geheim van dien dag
te ontfutselen. Maar Karel blijft standvastig en verklapt het niet.
„Half twee aantreden voor ons huis en dan zullen jullie wel zien,” en
weg holt hij, terwijl de andere jongens zich in gissingen verdiepen
welk pretje ze wel zou wachten.
Klokslag half twee zijn ze allen present bij Karel. Ieder heeft een
cadeautje voor hem meêgebracht en Karel heeft geen handen genoeg om
alles aan- en uit te pakken. Dan komt Karel’s moeder binnen met een
aardig nichtje van ongeveer achttien jaar, allebei met hoed en mantel
aan.
Mevrouw kijkt eens naar de klok en lacht geheimzinnig.
„Zijn de zussen nog niet klaar?” vraagt het nichtje.
„Die zijn met hun vriendinnetjes in den tuin,” zegt mevrouw. „We zullen
ze nu maar roepen.”
De twee zusjes van Karel mochten ieder een vriendinnetje vragen.
Als dit viertal binnen is gekomen, voegen ze zich bij de jongens en ’t
is een vroolijk, luidruchtig elftal, dat daar om de tafel met
cadeautjes staat, in afwachting van de dingen die komen zullen.
Daar hooren ze door de stille straat een rijtuig rijden, dat stilhoudt
voor het huis.
„Daar is ie,” gilt Karel, die zich niet langer bedwingen kan, en hij
snelt naar het raam, gevolgd door het heele troepje.
En daar zien ze hem staan, een reuzen-brik met twee stevige knollen er
voor.
De geheele brik is versierd met vlaggetjes en guirlanden van groen en
bloemen.
’t Is een recht feestelijk gezicht.
De jubilaris en z’n gasten gieren het uit van de pret en dansen
uitgelaten in het rond.
Mevrouw fluistert wat met het nichtje, dat daarop de kamer verlaat en
terugkomt met een grooten kartonnen doos.
Mevrouw neemt de doos van haar over en zegt: „Kinderen, kom nu om
beurten bij me, dan krijg je ieder een muziekinstrument.”
En ze ontpakt mirlitons, ratels, mondharmonika’s en ieder krijgt een
instrument waaraan ze direct liefelijke tonen trachten te ontlokken wat
een heidensch kabaal in de kamer gaf.
Mevrouw houdt lachend de handen voor de ooren en zegt: „Wachten jullie
liever met die prachtige symphonie tot we buiten zijn. En nu vlug de
jassen over den arm en ingestapt.”
Ze hollen juichend naar het rijtuig, waar ruimte voor hen allen is.
Ambro zit met Chris in den kattenbak en Paul mag op zijn verzoek naast
den koetsier zitten waarmee hij direct een levendig gesprek begint.
Dan dragen de dienstmeisjes nog twee groote kisten aan, die onder de
banken geschoven worden en die, volgens Karel, allerlei zoete
heerlijkheden bevatten.
„Klaar koetsier,” roept mevrouw en voort gaat ’t in gestrekten draf.
Het is een heerlijke voorjaarsdag. Papa Boekers had, toen ’t plan van
den rijtoer ontworpen werd, nog eenige bedenkingen gemaakt met het oog
op het voorjaar, waarin je leelijke gure dagen kunt hebben. Doch het
weêr logenstrafte deze bewering en zette z’n beste beentje voor.
Mijnheer had dan ook ’s morgens met een gerust hart de brik besteld.
Zelf had hij geen tijd om mee te gaan, maar hij beloofde aan den
maaltijd, die op dezen dag wat vroeger gehouden werd, present te zijn.
De rit ging langs de Schie en de jongens merkten vol vreugde op, dat
het jonge groen aan den kant al begon uit te loopen.
Nu reden ze langs Stor’s houthandel.
„Kijk eens, wat een balken!” riep Puckie, die niet wist welk een
gevoeligen snaar hij aanraakte, want destijds was hij juist erg ziek
geweest en men had hem zoo weinig mogelijk verteld van het droevig
ongeluk.
Een plotselinge stilte volgde op die woorden. De vroolijke gezichten
betrokken.
„Arme Bob,” zei mevrouw zacht en de jongens keken elkaar aan en
herdachten in stilte den gestorven makker.
Nicht Marie, die de droeve gedachten op de vlucht wilde jagen, pakte
Ambro’s mondharmonika af en deed alsof ze wilde gaan spelen.
Maar Ambro griste hem haar direct weer af en begint een lustig deuntje
te spelen.
De andere instrumenten vallen direct in en ’t is een getoeter en
geblaas van belang.
De wandelaars die den vroolijken stoet voorbij zien komen, blijven
staan en wuiven ze toe.
„Waar gaan we heen, Moes?” vraagt Karel, waarvoor de rest van het
programma ook een geheim blijkt te zijn.
„Dat zul je wel zien,” lacht mevrouw.
Intusschen zijn ze „Vrouw Romijn” genaderd, de eerste groote speeltuin
op hun weg.
„O, nu weet ik ’t al,” roept Karel. „We gaan naar vrouw Romijn.”
„Mis poes,” plaagt het nichtje.
Weer rijden ze een eind door.
„Maar nu weet ik ’t,” zegt Karel. „We gaan naar Freeriks! Hè, fijn! dàt
is zoo’n echte tuin! Toe moes, zeg ’t nu eens, gaan we daarheen?”
„Nu heb je ’t geraden,” zegt mevrouw.
„Hoera, hoera!” gillen de kinderen door elkaar.
En dan volgt weer een oorverdoovend „lang zal ie leven” en „Karel
Boekers gaat nooit verloren.”
’t Is een lawaai van je welste en mevrouw is blij dat het einde van den
tocht nadert. En zoo komt de vroolijke troep dan bij Freeriks aan. De
jongens tillen de kisten uit het rijtuig en mevrouw zegt den koetsier
om half vijf voor te komen om ze terug naar huis te brengen.
Dan kiest mevrouw een groote, ronde tafel uit die onder een boom staat
en neemt daar plaats met het nichtje.
Ze noodigt de kinderen uit bij hen te komen zitten, een invitatie waar
ze geen van allen gehoor aan geven, want ze rennen in wilde vaart weg
en nemen de verschillende werktuigen in beslag.
Ambro zit reeds boven in een paal en zwaait met zijn pet naar het
gezelschap beneden hem.
„Denk om je beste broek,” roept Paul de voorzichtige.
„Hij kan er tegen,” roept Ambro overmoedig. De dikke Puckie houdt op
een wip evenwicht met twee tengere meisjes, die hij telkens met een
bons naar beneden laat vliegen, waarop ze ernstige gilletjes
uitstooten.
„Niet zoo wild,” laat mevrouw telkens waarschuwend hooren.
„Ik ga op de fietsenmolen,” roept Chris en Ambro, die ’t hoort, laat
zich vlug als een aap naar beneden zakken en gevolgd door Karel en Paul
gaan ze op den draaimolen af.
Ze nemen elk op een fiets plaats.
„Hij draait op rails,” roept Ambro. „Trappen jongens!”
Met groote inspanning weten zij beweging te krijgen in den fietsmolen.
Het is een zwaar werk, want de fietsmolen is bestemd voor twintig
passagiers en is dus niet zoo gemakkelijk in beweging te krijgen. Dit
spelletje kost ze dan ook veel inspanning. Gelukkig komen er meer
liefhebbers, waaronder een tamelijk corpulenten heer, die zijn hart nog
eens wil ophalen aan een liefhebberij uit zijn jeugd en duchtig
meetrapt, waarop ’t met een flink vaartje in ’t rond gaat.
Daar komt ’t zusje van Karel aankondigen dat de limonade op tafel
staat.
En nu laten de jongens alle werktuigen in den steek en hollen naar de
tafel, waar mevrouw zit en de volle limonadeglazen hun liefelijk
toelonken.
En dan komt ook de groote doos met taartjes te voorschijn en is ’t een
lang gezoek in de doos vol heerlijkheden eer ieder z’n uitverkorene te
pakken heeft.
„Moeder, mogen we roeien,” vraagt Karel als drank en taartjes naar
binnen gewerkt zijn.
„Volstrekt niet, je weet wel, dat ik ’t nooit wil hebben als Vader er
niet bij is.”
„Maar als die dikke heer nou met ons meegaat?”
„Dikke heer?” vraagt mevrouw verwonderd.
„Ja, die daar gindsch zit, hij heeft ons ook zoo fijn met fiets-trappen
geholpen.”
„Met die dikkert ga ik niet in een bootje,” zegt Paul. „Dan zinken we
vast.”
„Daar hê-je de bangerd weer,” zegt Chris, die nooit nalaten kan Paul
even te plagen.
„Maar jongens,” zegt mevrouw weifelend. „Ik weet heelemaal niet, of die
mijnheer er lust in heeft met jullie te gaan roeien. Heeft hij jullie
dan uitgenoodigd?”
„Neen mevrouw,” zegt Ambro, die als steeds z’n antwoordje klaar heeft.
„Maar dan noodigen we hem uit.”
„Toe maar, moes,” dringt Karel aan. „Zeg nou maar ja,” en hij strijkt
zijn moeder vleiend over de wang.
En moeder vindt het goed, onder voorwaarde, dat ze zich rustig zullen
houden en een groote, vertrouwde boot zullen opzoeken.
De heele bende rent naar den dikken heer, die niets kwaads vermoedend
zijn courantje zit te lezen.
„Mijnheer, ’t mag,” roept Karel juichend. „Gaat u mee?”
„Wàt mag?” vraagt mijnheer verwonderd. „En waar moet ik mee naar toe?”
„We mogen roeien, als u met ons meegaat,” vertelt Karel hem.
„Zeer gevleid,” lachte mijnheer. „Maar je vraagt niet eens of ik wel
zin heb.”
„O, dat heeft u vast,” zegt Ambro. „U zat zoo echt op die fietsmolen
ook.”
Mijnheer krijgt schik in ’t geval en ofschoon z’n corpulentie hem wel
wat in den weg zit, waardoor hij zich niet zoo gemakkelijk beweegt,
staat hij toch direct op en begeeft zich, omringd door een kring
juichende jongens naar de aanlegplaats van de bootjes.
„En moeten je zusjes nou niet mee,” vraagt de goeiige dikkert, die
blijkbaar de vrouwelijke sekse niet gaarne ten achter stelt.
„We kunnen niet allemaal tegelijk in een boot,” herneemt hij. „Ga nou
je zusjes halen en dan zullen we in twee partijen gaan. Als de eene
helft gevaren heeft, gaat de andere.”
Dan gaat hij de rollen verdeelen.
„Ik ben de kapitein, jij stuurman en jullie om beurten de roeiers,
ieder een spaan.”
Nadat de meisjes gehaald zijn en ze nog een duchtige vermaning van
moeder kregen, om toch vooral voorzichtig te zijn, worden zij verzocht
om na een kwartier weer bij de aanlegplaats te zijn, dan zal het eerste
gedeelte terug zijn.
De boot is uitgezocht. Het is een spits toeloopend, rank vaartuigje.
De dikke heer is in de boot gestapt, die bij dit entrée hevige
schommelingen maakt. De jongens volgen hem.
De dikkert neemt de leiding en het moet gezegd worden, dat de jongens
zijn commando voorbeeldig opvolgen.
Als een geroutineerd trainer galmt mijnheer: „één twee, één twee,” tot
ie geheel buiten adem raakt en zijn bemanning het verdere van den
roeitocht zonder dit bemoedigend commando doorroeit.
„Jij bent aan ’t baggeren,” zegt Ambro tegen Paul, die zijn roeispaan
bijna loodrecht in het water priemt en een hoop modder naar boven
haalt.
„Je moet even onder de oppervlakte van het water scheren,” onderwijst
mijnheer.
Paul doet angstige pogingen dit voorschrift te volgen, maar slaat
ditmaal met z’n spaan door de lucht, zoodat de waterdruppels links en
rechts op de inzittenden neerkomen.
„Nou is ie vliegenier geworden,” lacht Chris.
„Laat mij daar zitten, Paul, dan kan jij sturen,”
„Voorzichtig omwisselen, jongens,” waarschuwt mijnheer, „anders slaan
we om. En ik kan jullie niet alle zes naar den kant brengen.”
„O, we kunnen best zwemmen,” roept Ambro.
„Ik nìet,” roept Paul, die bang is, dat Ambro een proef wil gaan nemen.
Nu Chris Paultje’s plaats ingenomen heeft, gaat het roeien veel
gelijkmatiger en houden ze gelijken slag met Puckie en Karel.
Het is heerlijk op het water en de jongens genieten van hun roeitocht.
Ze varen tusschen het riet en verschrikken de waterhoentjes die er
tusschen verscholen zitten.
„Weten jullie wel, dat een goed jager aan het riet kan zien, waar het
nest van het waterhoen is?” zegt mijnheer.
„Weet u ’t ook,” vraagt Ambro.
„Neen,” lacht mijnheer. „Ik ben geen goed jager. Ik laat de diertjes
liever hun vrijheid, ze hooren immers bij het wuivende riet en de
mooie, wijde plassen.”
„Laten we het eilandje omvaren,” roept Karel.
„Neen, dat is te ver, dan komen de anderen niet aan den beurt,” zegt
mijnheer. „We moeten draaien, jongens,” zegt hij tot Ambro en Karel.
„Houdt de spanen in.” En tot de andere jongens: „En jullie,
doorroeien.”
En met snelle vaart, draait het bootje om en aanvaardt de terugreis.
Even ordelijk als ze weggegaan zijn, komen ze weer terug en maken
plaats voor de anderen, die al met ongeduld staan te wachten.
Intusschen is moeder met het nichtje eens even komen kijken, terwijl
juist het tweede troepje met mijnheer aanlandt.
Mijnheer is vol lof over de meisjes, die in ’t roeien niets onder doen
voor de jongens.
„Mijnheer,” roept Karel. „Daar staat moeder.” En juichend roept hij:
„Moeder, daar is die aardige mijnheer.”
„Je zoudt me verlegen maken, jongen,” lacht mijnheer, terwijl hij naar
mevrouw toe gaat.
„Mag ik me dan maar even voorstellen, mevrouw. Mijn naam is Reens,
dokter Reens.”
Mevrouw reikt hem vriendelijk de hand, terwijl ze zegt: „Mevrouw
Boekers.”
En dan laat ze er op volgen: „Mag ik u verzoeken aan ons tafeltje te
komen zitten en met ons op Karel’s gezondheid te drinken, wij vieren
n.l. zijn verjaardag.”
„Heel graag, mevrouw,” zegt Dr. Reens en onder gejuich van de jongens
wordt hij door de meisjes onder den arm gepakt en gaan ze naar
mevrouw’s tafel waar ze gezellig plaats nemen.
„’t Is net of we mijnheer al jaren lang kennen,” zegt Ambro.
„Nu,” zegt mevrouw, „dat ben ik met je eens, jongen, ik vind zelfs, dat
mijnheer een zeer bekend gezicht heeft en toen ik klein was, ging ik op
de bewaarschool met een zekeren Jan Reens, die drie huizen van ons af
woonde en waar mijnheer heusch nog op lijkt.”
„Juist mevrouw, datzelfde jongetje ben ik,” lachte mijnheer. „En wacht
eens—dan is u Lize Gardens. ’t Is wel héél toevallig, dat we elkaar na
al die jaren hier ontmoeten. Wat hebben we veel kattekwaad samen
uitgehaald!”
De kinderen spitsen de ooren, daar zouden ze wel eens wat meer van
willen hooren, maar mevrouw schijnt ’t niet noodig te vinden dat haar
kroost alle ondeugende streken te hooren krijgt die ze in haar jeugd
uitgehaald heeft en ze zegt:
„Dat is alweer ruim dertig jaar geleden. Waar blijft de tijd.”
„Ja, ja, mevrouwtje,” lacht de dikkert. „We worden oud.”
„Wat zult u er koddig uitgezien hebben in een kort broekje,” zegt
Ambro.
„Jullie kunt je mij toch ook niet voorstellen in een kort
matrozenjurkje,” zegt mevrouw, die bang is voor plagerijen van de
jongens.
„Mijnheer, heeft u wel eens in een lantaarnpaal gezeten,” vraagt
Puckie, terwijl z’n blikken langs mijnheer’s dikke buikje glijden.
„Ja, jongen,” lacht mijnheer goedmoedig. „Maar toen leek ik zelf veel
op een telefoonpaal en dus ging ’t me makkelijk af.”
De jongens lachen hartelijk en vinden mijnheer een echte fideele vent.
Niet lang hebben ze echter geduld om naar het gesprek der oudere
menschen te luisteren en ze gaan de werktuigen weer opzoeken.
Karel en Puckie staan samen op den schommel, ze gaan verbazend hoog en
Chris roept ze van beneden toe: „Jongens, niet meer opzetten, jullie
hebt slappe touwen.”
De jongens blijven nu rustig staan en suizen heerlijk in volle vaart
door de lucht. Dan opeens wil Paul, de anders zoo voorzichtige, het
moment waarnemen dat ze hoog in de lucht zijn om onder door te kruipen
en zoo bij de jongens aan den anderen kant te komen.
Plotseling struikelt hij, en krijgt net den schommel, die in volle
vaart is, tegen de heup aan.
Zonder een kreet te geven, valt hij neer en blijft met gesloten oogen
liggen.
Twee jongens houden de schommel tegen, Ambro vliegt naar Dr. Reens, de
anderen staan met angstige gezichten om Paul heen, die bewusteloos
terneer ligt.
In minder dan geen tijd zijn Dr. Reens en de dames bij Paul.
Dr. Reens neemt het bewustelooze ventje voorzichtig in de armen en
draagt hem in een bij den tuin gelegen zaal.
Mevrouw gaat met hem mee. Ze is geheel van streek door het ongeluk.
De anderen blijven in angstig afwachten buiten staan.
Na een kwartier komt Dr. Reens weer buiten, en de jongens zien direct
aan zijn opgewekt gezicht dat het niet erg met Paul is. Ze stormen op
hem los en allen willen ze weten hoe ’t nu met Paul is.
„Nu jongens, dat liep nog goed af. Paul heeft een lichte wond aan de
heup, doch ’t heeft niets te beteekenen.
„We hebben ’t jongske verbonden en nu gaat hij straks rustigjes wat
buiten zitten en dan met het rijtuig mee naar huis.”
Het was een ware vreugde voor de jongens te hooren dat het niet ernstig
was en ze wilden nu allen naar Paul toe, maar daar gaf Dr. Reens geen
permissie toe.
„Straks komt hij,” zei hij en ging weer naar Paul toe.
„Zou hij nu niet bij ons mogen eten?” vroeg Karel bedrukt.
„Ik denk ’t niet,” zei Ambro. „Hij moet misschien meteen naar z’n bed
als hij thuis komt.”
Dat vonden ze allen bar sneu voor Paul en de feeststemming begon erg te
dalen. Maar daar kwamen de dames en dokter weer naar buiten en tusschen
hen in, Paul.
Hij zag nog wat bleek, maar lachte de kameraden al weer vroolijk toe.
„Zoo patiënt,” zei dokter. „Nu ga je rustig bij ons aan het tafeltje
zitten en als je je dan heel kalm gehouden hebt, dan geef ik je
permissie om den maaltijd bij je jarigen vriend te gebruiken.”
„Hoera!” schreeuwden de jongens en ze maakten zóó’n spektakel, dat
dokter ze allen wegjoeg.
De meisjes mochten echter blijven, die konden Paul dan rustig en
aangenaam bezighouden.
„Wat ben ik u toch dankbaar, dokter,” zei mevrouw hartelijk. „U nam me
een pak van ’t hart toen u zei dat onze Pauleman zich niet ernstig
bezeerd had.”
„Tot uw dienst, Mevrouw,” zei dokter eenvoudig.
„Nu heb ik een aardig plannetje bedacht,” zei mevrouw, terwijl ze
omkeek of de jongens haar niet hooren konden.
„U zei me straks, dokter, dat u vandaag nog in uw hotel bleef en pas
morgen naar uw woonplaats terugkeerde. Nu zou ik ’t zoo heel aardig
vinden, als u vanmiddag ons eenvoudig maal deelde en vanavond ... ja,
ik kan ’t u nu niet zeggen omdat de meisjes en Paul het nog niet mogen
weten ... maar of u dan den avond in ons gezelschap wilt doorbrengen.”
Dit vond dokter een heel aardig plan en volgaarne nam hij mevrouw’s
vriendelijke invitatie aan.
„Moeder, daar hoor ik de brik,” riep Tine Boekers.
„Gaan jullie dan de jongens roepen, meisjes,” zei mevrouw. „En Paul,
voel jij je nu goed genoeg om de terugreis te aanvaarden?”
„Ik voel me zoo gezond als een visch, mevrouw,” zei Paul.
„Hij heeft weer kleur op z’n wangen,” zei dokter, terwijl hij hem een
fikschen kneep in zijn koonen gaf.
Daar kwamen de jongens al aangerend, Karel voorop. Hij schoot direct op
Dr. Reens af en terwijl hij hem vertrouwelijk bij de mouw van zijn jas
pakte, vroeg hij: „Hè, dokter, rijdt u met ons mee, ’t zou zoo moppig
zijn.”
„Nu,” zei dokter met een ondeugend lachje. „Een eindje wil ik dan wel
meerijden.” En hij knipoogde eens naar Paul, die wel beter wist.
Nu werd de terugreis aanvaard. Paul zat nu niet op den bok, maar moest
naast dokter zitten, daar die hem dan in toom kon houden als hij soms
al te vroolijk zou worden.
De jongens letten in het geheel niet op, dat mijnheer nergens
uitstapte, doch als ze eindelijk voor hun huis aankomen, vraagt Karel
blij: „Gaat mijnheer met ons mee?”
„Heb je er vrede mee,” vraagt mijnheer.
„Nou en óf,” juichte Karel.
„En mag het nieuwe vriendje dan ook mee aan tafel,” vraagt mijnheer.
Karel kijkt z’n moeder eens aan en als hij deze ondeugend ziet lachen,
begrijpt hij ’t en roept: „O, wat een dag vol verrassingen!”
Alle jongens zijn blij dat die gezellige mijnheer nu bij hen blijft en
als vader thuis komt is ’t een gesnater door elkaar om toch te
vertellen wie die vreemde heer is.
En al heel gauw is ’t ook voor vader geen „vreemde” heer meer en zitten
die twee te boomen of ze elkaar al heel lang kenden. En dan gaan ze
allen aan tafel.
’t Is een reuzen-tafel en mevrouw en nichtje Marie hebben zoo recht
feestelijk en smaakvol gedekt
De heele tafel is versierd met guirlanden van groen en bloemen en hier
en daar staan aardige, kleine lampjes die een gezelligen, warmen schijn
werpen op den feestelijk gedekten disch, en de vroolijke gezichten der
aanzittenden.
Ze laten zich het maal smaken en ’t is goed, dat mevrouw rekening hield
met de hongerige jongensmagen.
Als slot van het menu kwam een reuzen-taart op tafel, waarin twaalf
kaarsjes staken, die allen branden. Net zooveel kaarsjes, als Karel
jaren telt.
’t Was een alleraardigst gezicht en ’t gaf telkens een pret van belang
als mevrouw een stuk taart uitsneed, waarbij dan weer een kaarsje flauw
viel.
Toen de maaltijd afgeloopen was, tikte Ambro met een gewichtig gebaar
tegen z’n waterglas (hij had dit bij een feestje vader eens zien doen)
en vroeg of hij een paar woorden mocht zeggen.
Dit verwekte een algemeen gelach.
En mijnheer Boekers zei vol pret: „steek van wal met je speech, maar
maak ’t niet te lang, want we moeten ... hm, hm, we moeten nog ergens
heen.”
Ambro trok z’n das eens recht, zette een onweerstaanbaar moppig gezicht
en zei, terwijl hij z’n keel schraapte: „Geachte dischgenooten! Ik
geloof dat ik uit naam van alle jongens spreek, als ik mijnheer en
mevrouw Boekers hartelijk dank voor den heerlijken dag dien we vandaag
hadden. En ... en ... ja, wat wou ik ook weer zeggen ... o ja, dokter
Reens bedanken we ook en Juffrouw Marie en ... lang leve allemaal!”
Een oorverdoovend lawaai volgde op Ambro’s schoone speech en de „lang
zullen ze leven’s” waren niet van de lucht.
Toen eindelijk het lawaai ophield zei mijnheer, terwijl hij z’n horloge
raadpleegde:
„Zoo kinderen, nu ga je allemaal met nicht Marie mee naar boven om je
wat op te knappen en dan... nu, dat zullen jullie wel zien.”
Vol verwachting togen ze allen naar boven, en toen ze netjes gewasschen
en gekapt naar beneden kwamen stonden mevrouw en de beide heeren al
gekleed om uit te gaan en werd ze gezegd zich vlug aan te kleeden.
Toen het heele gezelschap op straat stond, werd een tram genomen, waar
ze allen genoegelijk hij elkaar zaten te overwegen wáár ze toch wel
heen zouden gaan.
En toen ze zagen welke route de tram nam, begon ’t eindelijk bij ze
door te dringen dat ze... naar het circus gingen.
En jawel! daar stapten ze al uit, nog een eindje loopen en daar stonden
ze voor het circus.
Het was weer een gejuich van wat ben je me. Vlug werden jassen en
hoofddeksels in bewaring gegeven en namen ze allen plaats in een
groote, voor de feestelijke gelegenheid besproken loge.
O, wat genoten ze van de voorstelling.
Daar had je dien eenigen August de Domme, die nu letterlijk overal te
laat kwam, over alles struikelde en iedereen in den weg liep. De
kinderen schaterden het uit om al z’n malle grimassen.
En dan die prachtige paarden! Jôh! wat renden die er over heen, de
kluiten zand vlogen de toeschouwers om de ooren.
En een mijnheer met gedresseerde hondjes. Hoe kreeg ie ’t gedaan van de
beesten. Moesten ze direct thuis met hun hond probeeren.
IJselijk! die acrobaten! Ze lieten zich uit den nok van ’t circus
vallen en kwamen ongedeerd in het vang-net terecht. Je werd er koud
van.
August kwam met een gedresseerd ezeltje, dat volstrekt niet naar hem
luisterde en niets anders deed dan achteruit trappen.
Iederen keer dat het beest zoo deed, maakte August een diepe buiging
voor het publiek, met een gezicht alsof hij zeggen wilde: „Wat zeggen
jullie van m’n dressuur.”
’t Einde van het lied was, dat de ezel weg liep en August, om hem tegen
te houden aan z’n staart ging hangen en door den koppigen ezel het
circus uitgesleurd werd.
Het publiek schaterde van pret en niet ’t minst het jolige troepje in
de groote loge.
Toen in de pauze een kellner kwam met voor ieder een portie ijs op zijn
blad, steeg de vreugde ten top.
Wat zaten ze te smullen! Zulke kleine hapjes namen ze, want ze moesten
er lang wil van hebben.
Dat het ijs in de warmte van de zaal ging smelten, daaraan dachten ze
niet en toen ze een roomachtigen plas zagen komen vonden ze ’t zoo ook
fijn.
Ook na de pauze vermaakten ze zich bizonder goed, vooral toen de
voorstelling besloten werd met een alleraardigst ballet.
Hoe schitterden hun oogen bij het zien van al die prachtige costumes en
mooi opgetuigde paarden.
Je wist niet waar je ’t eerst naar zou kijken.
Toen de voorstelling afgeloopen was, verdrongen ze zich allen om
mijnheer en mevrouw Boekers om ze hartelijk dank te zeggen voor dien
heerlijken dag.
En toen ging ’t met den tram naar huis, waar Vader of groote broer ze
kwamen halen.
En onderweg stonden hun monden niet stil en werd uitvoerig verteld, hoe
heerlijk Karel Boekers’ verjaardag gevierd was.