De jongens komen op een dag samen uit school.
„Ik heb zoo’n zin om iets uit te halen,” zegt Ambro.
„Ik ook,” zegt Chris. „Hè, ’t was zoo saai op school. Ik snapte geen
snars van die sommen.”
„Zeg, jôh, wat had de oude een bui, hè?” zei Piet, met weinig eerbied
over zijn leermeester sprekend.
„We hebben ’m ook maar niet getreiterd,” zei Paul berouwvol.
„Mot ie maar niet zoo’n saaie frik zijn,” zei Puckie zonder erbarmen.
„Neen, dan meneer Riedel, hè?” zei Ambro. „Wat een echte knul, hè? Dat
is nou ’n vent waar je van op an kunt.”
„Nou, maar hij is ook niet malsch,” vond Paul.
„Nou ja, hij is streng, maar hij kan zoo fijn met ons meedoen en ik
weet zelf niet, ’t is een knul!” besloot Ambro zijn lofrede op een der
onderwijzers.
„Wat zullen we nu eens uithalen?” vroeg Chris, die bang was dat door al
dat praten de plannen voor den een of anderen schelmenstreek er bij in
zouden schieten.
„Ik hèb een plan...” zei Ambro en hij keek in ’t rond, of iemand ze ook
kon beluisteren.
„Wat is ’t,” riepen de jongens om ’t hardst.
„Nou, ik lag vannacht wakker, en het maantje scheen zoo fijn in m’n
kamertje enne... toen dacht ik... dat we es een nachtelijke tocht
moesten maken.”
„Verroest!” zei Chris van louter verbazing gebruik makend van een zeer
onwelvoegelijk woord.
De anderen waren te zeer overweldigd door het grootsche plan om iets te
kunnen zeggen.
Paul krijgt ’t eerst z’n bezinning terug.
„Dàt doe ik niet,” zegt hij vastbesloten.
„Bangerd! durf je niet,” sart Chris.
„Ik durf best,” zegt Paul, maar z’n stem klinkt weinig heldhaftig.
„Nou, waarom doe je ’t dan niet?”
„Omdat ik er niet uit kan komen zonder dat mijn ouders het hooren, ik
slaap vlak naast ze en ’t is zoo gehoorig bij ons.”
„Nou, dàn niet,” zegt Ambro kort.
„Ik voel er ook niet veel voor,” zegt Karel.
„Hè, bah! wat een snert-knullen! Met jullie is nou ook niks te
beginnen,” zegt Ambro nijdig.
„Ik slaap niet m’n kleine broertje samen en die kan ik toch niet alleen
laten,” zegt Karel, half beschaamd, want hij is dol op het jongste
broertje en bang, dat de jongens hem er om zullen uitlachen.
„Hè, wat een meissie ben jij,” zegt Ambro, die zoo’n geringschatting
heeft voor het vrouwelijk geslacht, dat hij geen beter woord weet te
vinden om uiting te geven aan zijn verontwaardiging.
„Hoepelen jullie dan nou ook maar op,” laat hij er kwaad op volgen.
„Want dan hebben jullie met onze plannen niks te maken.”
„Mij best,” zegt Karel, innerlijk zeer beleedigd, maar zich groot
houdend.
„Ga je mee, Paul?”
Na een kort „B’sjour” tot de anderen, gaat het tweetal weg.
„Dag meissies! Plezierige wandeling,” roept Puckie plagerig.
„Schei uit,” zegt Ambro norsch. Hij heeft ’t land dat er twee van ’t
troepje zullen ontbreken, en heel diep in z’n binnenste voelt ie wel
dat zijn plagerij misplaatst was. Karel heeft zich nog nooit als een
meisje gedragen.
Maar z’n ontstemming wijkt al gauw bij ’t vooruitzicht van het
nachtelijk avontuur.
„Hoe zullen we ’t aanleggen?” vraagt Chris, die de mogelijkheid van de
onderneming nog niet zoo vast ziet staan.
„En waar gaan we heen?” vraagt Puckie.
„Nou, ik had gedacht, als we nou es om twaalf uur op den Nieuwen
Binnenweg, een paar huizen van ons af, bij elkaar komen,” zei Ambro.
„En dan gaan we de Delfshavensche Schie langs en komen langs Overschie
weer terug. Zullen jullie es zien, wat een emmesse tocht dàt is!”
„’t Is heldere maan,” zei Chris. „Wat zal dat echt zijn.”
„Laten we nu eens afspreken, hoe we er ’t beste uitkomen,” zei Ambro.
„Als je dat niet goed voor mekaar hebt, lukt het niet.”
„Hoe kom jij er uit, Ambro?” vroeg Piet.
„O, man, dat zal me niet glad zitten. Uit ’t raam kan ik niet klimmen,
want ik slaap op de tweede verdieping en ik heb heelemaal geen houvast.
Liep d’r nou een goot of zoo langs, maar niks, hoor! Ik moet nou maar
als alles in huis slaapt, op me kousen de trappen af, dan neem ik me
laarzen in me hand, enne dan doe ik stiekum de knippen van de deur en
dan moet ik het raampie open laten, anders kan ik er niet meer in als
we terugkomen.”
„Nou,” zegt Chris. „Dat zal wel lukken.”
„Ja,” zegt Ambro. „Jij hebt makkelijk praten, ik zie ’t jou doen, twee
trappen af zonder dat ze je hooren.”
Piet Kaan heeft ’t veel makkelijker, die slaapt in een kamertje vlak
bij den tuin, hij hoeft zich maar uit ’t raam te laten zakken en dan
over de heining te klauteren en hij is buiten.
Maar voor z’n lust tot avonturen is dit veel te gemakkelijk en hij
besluit een touw om zijn middel te doen, het andere einde vast te
binden aan een poot van het bed en zich zoo naar beneden te laten
zakken.
Chris slaapt aan den voorkant en is met één sprong op straat en Puckie
slaapt op de eerste verdieping, doch kan met een beetje moeite en
voorzichtigheid langs het balcon naar beneden komen. ’t Is een tocht
die hij reeds zóó vaak bij dag ondernomen heeft, dat hij er niet tegen
opziet die in het nachtelijk duister te volbrengen.
„Ik heb een dievenlantaarn,” zegt Piet.
„Die heb je toch niet noodig, kalf! We hebben volle maan!”
„En tòch neem ik ’m mee,” houdt Piet vol. „En me lasso en me pijl en
boog ook.”
„Allemaal overlast,” bromt Ambro.
Intusschen zijn ze het punt genaderd waar hunne wegen zich scheiden.
Ze spreken nog eens secuur af om twaalf uur precies op den Nieuwen
Binnenweg te komen. Mocht een van hen allen niet op den afgesproken
tijd present zijn, dan zouden de anderen tot kwart over twaalven
wachten en dan op stap gaan.
Chris en Puckie, die vlak bij elkaar wonen gaan samen weg, Ambro en
Piet blijven nog even het plan bespreken.
„Als ze ’t thuis maar niet in de smiezen krijgen,” zegt Piet, die zich
wat minder zeker begint te gevoelen.
„Dat zou je eigen stommieteit zijn,” antwoordt Ambro. „Als alles stil
is, piep je ’m voorzichtig en maak geen kabaal, want dan ben je
verloren, man! Ik ben er ’s nachts al eens in m’n eentje op uit
geweest, maar dat is niks gedaan, je hebt heelemaal geen pret. Wat een
stilte, zeg, als zoo’n heele stad maft. Héél wat anders dan over-dag.”
„Hoe laat komen we weer thuis?” vraagt Piet bezorgd.
„Om vier uur, want dan wordt het licht. Je durft toch wel, zeg! anders
blijf je ook maar thuis. Even goeie vrienden!”
„Durven? O, natuurlijk durf ik,” laat Piet er gauw op volgen, bang, dat
Ambro hem van lafheid mocht verdenken.
Eigenlijk vond hij het heele avontuur een beetje gewaagd, maar hij liet
het niet merken.
„Ik zal op tijd zijn,” beloofde hij Ambro en hij holde weg.
Thuis gekomen, blijkt Piet erg zenuwachtig te zijn en verscheidene
malen hoort hij niet eens dat hem iets gevraagd wordt.
„Wat doe je toch vreemd, jongen,” zegt zijn moeder bezorgd. „Er is toch
niets gebeurd? Was op school alles goed?”
„Doe ik vreemd?” zegt Piet kwasi-verwonderd, maar tegelijk komt er een
roode blos op z’n wangen.
Het huichelen gaat Piet slecht af; hij is gewend niets voor zijn ouders
te verbergen en vooral moeder alles te vertellen wat er in hem omgaat.
Avontuurlijk was hij in hooge mate en dat wisten zijn ouders ook wel.
Dol was-t-ie op Indianenverhalen en hij voelde zich vaak het opperhoofd
der Inka’s. Maar, dat alles alleen in zijn verbeelding of in onschuldig
jongensspel.
Maar nu dat plan van Ambro, jongen, ’t leek hem toch wel wat kras.
Eerst had hij het erg toegejuicht, want fijn was het, maar... zoo
stiekum er ’s avonds van door te gaan... het zou hem moeilijk vallen.
Moeder ging gelukkig niet door met vragen en vader had even van zijn
courant opgekeken, maar gelukkig niets gezegd.
Na het eten nam moeder hem even apart, dat deed ze wel meer, en Piet
herinnerde zich heel wat gesprekken met z’n moeder, waarin ze hem voor
veel leelijks en kwaads gewaarschuwd had.
„Is er nu heusch niets gebeurd, jongen?” vroeg ze. „Heb je ook
gevochten?”
„Wel nee, moeder,” stelde Piet haar gerust.
„Is er dan misschien toch iets op school voorgevallen?”
„Neen moeder, ook niet.”
Moeder dacht eens even na en keek haar jongen aandachtig aan.
„Neen Piet,” zei ze ernstig. „Je verbergt iets voor me. Maar ik zal je
er niet meer om vragen en liever wachten tot je ’t me uit jezelf
vertelt. Je weet, jongen, dat je moeder alles kunt vertellen.” Daarop
verliet ze hem.
Piet voerde een zwaren strijd met zichzelf. Zoo gaarne had hij zijn
moeder de waarheid gezegd, maar het was niet zìjn geheim alleen, hij
zou daarmee zijn makkers hebben verraden.
En dàt stuitte Piet tegen de borst.
Hij besloot dus, zijn belofte aan Ambro te houden.
De avond verliep als alle avonden. Piet maakte zijn huiswerk, bleef nog
een uurtje in de huiskamer zitten lezen en ging op den gewonen tijd
naar bed.
Bij het goeden nacht zeggen viel ’t zijn moeder weer op, dat de jongen
anders was dan gewoonlijk, en het verontrustte haar zeer.
Ze nam zich voor nauwkeurig op haar jongen te letten.
Totnogtoe was dit bij Piet niet zoo noodig geweest. Alle
schelmenstreken werden altijd naar waarheid opgebiecht en de manier
waarop de ouders met hun jongen omgingen, maakte, dat Piet nooit
achterbaks behoefde te zijn.
Toen mijnheer uit zijn studeerkamer kwam, kon zijn vrouw niet nalaten
hem te vragen, of hij niets bizonders aan Piet had opgemerkt.
„Aan Piet!” zei mijnheer heel verbaasd. „De jongen was net als anders.
Wat haal je je nu weer voor muizenissen in ’t hoofd?”
Het antwoord bevredigde mevrouw maar matig en zonder er verder op door
te gaan, bleven haar gedachten nog lang bij haar jongen verwijlen.
En zoo gebeurde het, dat, toen reeds alles in diepe rust was, zij nog
met open oogen lag en den slaap niet kon vatten.
Ze had de klok reeds elf en half twaalf hooren slaan, keerde zich om en
om en voelde zich hoogst onrustig.
Plotseling hoort zij in de stilte van den nacht een geluid als het
piepen van een raam dat opengeschoven wordt.
Even denkt ze nog dat het bij de buren is, doch dan, als gedreven door
een voorgevoel, staat ze haastig op, en begeeft zich ijlings naar
Piet’s kamertje.
Ze opent de deur....! Daar staan moeder en zoon tegenover elkaar. Piet,
met jas aan en pet op, juist gereed om het raam uit te klimmen, blijft
als versteend staan.
Zijn moeder kijkt hem met een mengeling van verbazing en verdriet aan
en dit stille kijken treft den jongen dieper dan hevige verwijten
hadden kunnen doen.
En Piet, het Opperhoofd der Inka’s, de ontdekker van het Hol van Kaan,
barst in snikken uit, terwijl hij, net als toen hij nog klein was, z’n
hoofd tegen haar schouder aan verbergt.
„Wàt wilde je doen, jongen, nu mag je ’t me toch vertellen,” vraagt ze
zacht.
Ze gaat op den rand van zijn bed zitten en Piet vertelt haar met horten
en stooten het geheele plan.
Hij ziet er zóó ontdaan en verdrietig uit, dat moeder medelijden met
hem heeft, want ze voelt heel goed, wat ’t voor hem is, zijn makkers te
verraden.
„Dàt was ’t dus, Piet. Ja, moeder voelde wel, dat er iets gaande was.
Ik wil je verder geen verwijten maken, alleen wil ik je zeggen, dat je
een domme, roekelooze jongen bent geweest. Want, denk je er eens even
in, dat ik wat later was gekomen en je bed leeg had gevonden. Kun je
voelen, vent, hoe ’n radelooze angst je ons dan bezorgd had?”
Weer ging Piet’s hoofd schuil in moeder’s schouder.
„En luister nu eens, jongen; diezelfde angst kunnen vannacht de ouders
van drie jongens hebben. Mogen we dit toelaten?”
Bij die woorden kijkt Piet verschrikt op.
„Niet ze verraden,” wil hij zeggen. Maar moeder kijkt hem ernstig in de
oogen en zegt:
„En als er nu vannacht, eens een ongeluk met een van je vriendjes
gebeurt, Piet!... Denk eens aan Bob van Eest...”
„Dat is waar, moeder,” zegt Piet haastig. „Ze mogen niet gaan. Ik ga ’t
ze zeggen.”
„Neen baas, dat zullen we vader laten doen. ’t Is wel hard, om hem uit
z’n rust te halen, maar ’t is noodig.”
In minder dan geen tijd is mijnheer Kaan in de kleeren. Het was een
heel werk geweest, hem uit z’n vasten slaap te halen en hem in korte
trekken de toedracht der zaak duidelijk te maken.
Gelukkig nam hij het geval nogal niet te zwaar op. Piet kreeg een
voorloopigen uitbrander met het bevel onmiddellijk naar bed te gaan.
En toen toog mijnheer er in den nacht op uit om de drie andere
roekelooze knapen op het rechte pad te brengen.
Het is precies vijf minuten over twaalven als mijnheer op den Nieuwen
Binnenweg aankomt. Even vóór het huis waar Ambro woont, ziet hij drie
kleine, donkere gedaanten heen en weer loopen.
„De schelmen,” bromt mijnheer in zichzelf. „Ze hebben ’t dan toch
gewaagd.”
Hij besluit hen achterop te loopen. De jongens hebben er geen flauw
idee van, dat ze bespied worden. Ambro, die tusschen Puckie en Chris
loopt, raadpleegt z’n horloge en zegt ongeduldig:
„Piet komt niet, hoor! Dat valt me van hem tegen, hij is toch anders
altijd van de partij.”
„Laten we een steentje tegen z’n raam gooien, misschien is ie in slaap
gevallen,” zegt Chris.
„De wekker zal ie niet hebben laten afloopen,” grinnikt Puckie.
De laatste woorden werden gehoord door den heer Kaan, die het drietal
zachtjes is genaderd.
„Zoo heeren,” klinkt z’n stem tamelijk hard door de stille straat. „Nog
zóó laat op ’t pad?”
De drie nachtbrakers blijven als versteend staan.
„Waar gaat de tocht heen?”
„Wandelen naar Overschie,” zei Ambro, die als altijd de moedigste was.
„Een vreemd uur om zoo’n wandeling te maken. Weten jullie ouders daar
wel van?”
„Natuurlijk niet, mijnheer, u begrijpt, dat we dan zooiets niet zouden
mogen doen. Die slapen nu allen gerust en hebben geen flauw idee, dat
we niet in ons bed liggen.”
„Behalve de moeder van Piet,” zegt mijnheer. „Die slaapt niet gerust.”
„Nou mijnheer,” zegt Chris. „Piet is toch niet meegegaan.”
„Neen, dank zij de oplettendheid van zijn moeder, die hem op heeterdaad
betrapte toen hij al met één been buiten het raam stond.”
„Zie je wel,” verdedigde Puckie, „Piet heeft ons niet verraden.”
Hiermede gaf hij eigenlijk een antwoord op de gedachten van alle drie.
„Neen jongens, je begrijpt ’t verkeerd. Over Piet is m’n vrouw niet
meer in onrust, wel over drie andere roekelooze bengels.”
Het begon tot de jongens door te dringen en ze keken verlegen naar den
grond. Ambro schopte denkbeeldige steentjes van de straat weg.
Er volgde een pijnlijke stilte, die eindelijk onderbroken werd door
meneer Kaan.
„Nu, wat denken jullie te doen? Wordt het plan doorgezet?”
„We zijn stom geweest, meneer,” bekende Ambro volmondig. „We hebben aan
alles wat u daar zegt, niet gedacht.”
„Wie weet, of mijn moeder nou ook niet in onrust zit,” zei Puckie,
wiens geweten begon te spreken.
„Als ik jullie een goeden raad mag geven, kruip dan weer net zoo zacht
je bed in, als je er uitgekomen bent en vertel morgen aan je ouders wat
je hadt willen doen. Ik hoop, dat jullie in het vervolg verstandiger
zult zijn en ik vertrouw jullie nu verder.”
Meneer reikt ze daarop alle drie de hand en de druk van die drie
jongenshanden bewijst hem, dat hij naar hun hart gesproken heeft en
dergelijke grapjes niet weer zullen voorkomen.
Mijnheer verdwijnt in den donkeren nacht en haast zich huiswaarts,
teneinde niets meer te verliezen van zijn kostbare nachtrust.
De jongens gaan op een drafje naar huis en ’t gelukte hen allen even
vlug hun slaapvertrek te bereiken als ze dit verlaten hadden.
Den volgenden morgen, aan het ontbijt, vertelde Ambro de geschiedenis
aan zijn ouders, die het eerst niet gelooven wilden en hem zeiden: „je
hebt vast gedroomd.”
Maar toen het dienstmeisje, dat de thee binnenbracht, met een verbaasd
gezicht vertelde, dat vanmorgen de knippen van de straatdeur waren en
het raampje open stond, moesten zij het wel gelooven.
Nadat hij Ambro flink de les had gelezen, zei de heer Verbrugge:
„We kunnen meneer Kaan niet dankbaar genoeg zijn en ik wil niet
wachten, hem onzen dank te gaan betuigen.”
Zoo dachten ook de ouders der andere jongens erover en meneer Kaan
ontving dien dag drie dankbare vaders, die ’t er met hem over eens
waren, dat hun zoontjes schelmen van ’t zuiverste water waren.
De heer Kaan vond het noodig nog even tot hun verdediging aan te
voeren, dat het wel rakkers waren, maar dat bij geen van het ondeugende
stel een kwaad hart zat.